Met L’île de la Demoiselle is de in Brussel geboren regisseur Micha Wald toe aan zijn derde langspeelfilm. Wald volgde een opleiding tot editor aan INSAS en behaalde een master in scenarioschrijven en filmanalyse, om vervolgens verder te timmeren aan z’n carrière.
De Belgische cineast wou al lang een avonturenfilm maken die kon aanleunen bij het mythische verhaal van Robinson Crusoe of verwant was aan het werk van de vroeg gestorven Amerikaanse auteur Jack London. Met zijn jongste prent – die op het filmfestival van Oostende werd uitgeroepen tot beste coproductie – kon Wald deze droom eindelijk in vervulling laten gaan.
Het op ware feiten gebaseerde L’île de la Demoiselle is geïnspireerd op de figuur van Marguerite de la Rocque en wat haar overkwam, zoals dit door Marguerite de Navarre werd beschreven in de anno 1558 postuum uitgegeven verhalenbundel Heptaméron. De film voert ons terug naar de zestiende eeuw, wanneer de la Rocque deel uitmaakt van een expeditie naar de ‘Nieuwe Wereld’, die wordt geleid door haar aanstaande echtgenoot. Net voor ze aan boord gaat vergrijpt een man – een jonge krijger en gezant van de gouverneur – zich echter aan het meisje, waarna de zwangere Marguerite samen met haar trouwe dienstmeid en haar verkrachter wordt verbannen naar het zogenaamde ‘Eiland der Demonen’. Daar worden de onderlinge verhoudingen niet alleen op scherp gezet, maar moet het drietal tevens een strijd aanbinden tegen honger en snijdende kou.
L’île de la Demoiselle, dat door Micha Wald werd opgedragen aan zijn eigen dochter, geldt als een waarschuwing tegen patriarchale onderdrukking en hypocrisie. Wald kan het evenwel niet laten om deze boodschap vooral naar het einde van de film toe nadrukkelijk in de verf te zetten. Hij is ervan overtuigd dat de la Rocque een voorbeeldfunctie bekleedde en met haar sterke karakter en persoonlijkheid haar tijd ver vooruit was. Daarmee probeert hij tevens een wat anachronistisch verband te leggen tussen het al dan niet feministische gedachtegoed van toen en onze moderne maatschappij.
Ondanks de goede bedoelingen van de regisseur weet L’île de la Demoiselle noch als historisch document, noch als kostuumdrama echt te overtuigen. Bovendien zitten er een paar onjuistheden in de film en zijn de dialogen bijwijlen een lachertje. Dit belet niet dat Wald met een relatief bescheiden budget een sfeerbeeld schept dat vrij accuraat overkomt – wat hij gedurende het verdere verloop van de film veelal kan handhaven – al draagt de vertolking van Salomé Dewaels (de jonge actrice uit Illusions perdues en het middelmatige Nino) daar zeker toe bij.
Nochtans valt het niet te verdoezelen dat de film heel stroef verloopt en botst op een zwak scenario. Niettegenstaande er vier schrijvers aan te pas kwamen (Agnès Caffin, Samuel Malhoure, Olivier Meys en Micha Wald zelf) is er toch voortdurend het gevoel dat er bitter weinig beweging in het verhaal komt en dat alles wat ter plaatste blijft trappelen of in ademnood komt eens de protagonisten voor de kust van Québec aan hun lot worden overgelaten. L’île de la Demoiselle kan wel bogen op imponerende landschapsfotografie van Joachim Philippe. De onherbergzame natuur en desolate vlaktes herinneren aan de setting van het bloedmooie Portrait de la Jeune Fille en Feu, terwijl bepaalde camerastandpunten op hun beurt refereren aan The Piano. Dat laatste is geen toeval, vermits Jane Campions film een grote invloed uitoefende op Micha Wald – al reikt L’île de la Demoiselle nog lang niet tot aan de enkels van The Piano, waarmee de Nieuw-Zeelandse cineaste zich in 1993 een plaatsje in de geschiedenisboeken verzekerde door als eerste vrouwelijke regisseur de Gouden Palm in de wacht te slepen.



