Ook op een puinhoop kun je dansen. De toestand mag dan ernstig zijn, hopeloos mag het niet worden. Lézard kijkt niet weg, maar laat het ook niet aan zijn hart komen. Debuut Que se passe-t-il maakt de staat van de wereld op en doet dat met rubberen benen. “Het wordt nooit echt leuke funk”, bezweren frontman Neil Claes en drummer Roel Delplancke.
enola: Lézard lijkt me het soort band dat met een welomlijnd plan is opgericht.
Neil Claes (gitaar/zang): “En toch is het niet zo. Het begon met Andreas (Duchi – red.), onze bassist, die als eerstejaars aan het KASK in Gent nieuwe mensen wilde leren kennen. Hij wilde door de kliekjesvorming die daar hing breken en dus vroeg hij Roel en mij om eens te jammen. Het bleek een leuke match, dus we beslisten om ook echt wat liedjes te schrijven. En zo rolde de bal verder. Victor vond ons een coole groep en wilde ons voor een schoolopdracht opnemen. In dat proces werden extra synthlagen toegevoegd – dat was op “Person Of Consistency” – en zo werd hij onze toetsenist. Waarna we zijn blijven muziek maken, gewoon omdat het leuk was.”
Roel Delplancke (drums): “Er was geen concreet doel. Ook toen we in de studio met die synth aan het klooien waren, was dat niet met een vooropgezet plan. Het is gewoon gebeurd, bleek fun, en dus hebben we Vic gevraagd te blijven.”
enola: Die funk bleek eigenlijk gewoon te zijn wat in jullie zat?
Claes: “Dat zit sowieso in ons, zeker bij Andreas. Ik heb het meer moeten leren. Toen ik in mijn tienerjaren gitaar leerde, was mijn timing helemaal niet goed en dus tipte mijn leerkracht me dat ik Chic en ander werk van Nile Rogers moest beluisteren. Ik heb die gitaarlijntjes bestudeerd en was op slag verkocht. Ik vond funkmuziek superleuk.”
“Van thuis heb ik dat niet meegekregen. Daar waren het de XTC-platen van mijn vader die hun sporen nalieten. Zeker in onze vroegste songs was dat de belangrijkste invloed. Daarom zeg ik altijd dat Lézard door Chic en XTC beïnvloed is. Iedereen komt altijd af met Talking Heads, maar die ben ik pas daardoor meer gaan beluisteren. Ik snap wel dat mensen een referentie zien in hen.”
enola: En dan kom je vanzelf uit bij een songtitel als “Coltrane & XTC”.
Claes: (lacht) “Dat nummer is bedacht tijdens de pandemie. Ik had thuis een beatje geschreven en ging met een vriend wandelen, want dat was het enige wat nog mocht. We zaten pintjes te drinken en te praten toen ik hem die schets liet horen. ‘Ik heb een goeie lyric’, zei hij, en begon te zwanzen over ‘cocaïne and ectasy’. Dat vond ik toch wat plat, maar met Coltrane & XTC kon ik wel iets.”
Delplancke: “Ondertussen was de band zich aan het vormen. Het klikte tussen ons vieren, en in plaats van regelmatig te repeteren, gingen we af en toe voor een midweek intens schrijven. Dat was nog voor we ook maar één keer hadden opgetreden. Dan bleven we ook ter plekke slapen, kookten we samen, … en werkten ondertussen aan onze eerste nummers. We hebben dat eens bij Victor thuis gedaan, maar ook eens in Volta in Brussel.”
enola: En zo werd Lézard van gelegenheidsproject een echte groep, met als sluitstuk Myrthe, die zich aandiende. Was dat het laatste puzzelstukje?
Claes: “Dat denk ik wel. Het brak ons palet nog wat meer open.”
Delplancke: “Vanaf het moment dat zij erbij kwam, klonk het vanzelfsprekend. We hebben nooit moeten zoeken naar een dynamiek met haar, die was er van in het begin. Het enige wat het vroeg, was dat we in de nummers die we al hadden geschreven ruimte vonden voor haar.”
Claes: “Haar rol was aanvankelijk achtergrondzangeres, maar we vonden dat elk individu in de band gelijkwaardig moest zijn. We zijn dus met ons allemaal gaan zoeken waar ze iets kon doen. We hebben daarbij wat stukken tekst geswitcht, maar ik heb met haar ook wat nieuwe nummers geschreven, zodat we samen konden voelen hoe we met die twee stemmen konden werken. Soms liepen we daarbij tegen muren en bleek dat zij niet kon zingen wat ik voor haar had geschreven omdat het niet werkte qua timbre of toon. Daarom alleen al is het handig dat ze meeschrijft. Dan zijn het meteen haar eigen partijen, met haar identiteit.”
enola: Zijn jullie een band die vertrekt van jammen of klop jij bij hen aan met een uitgewerkte schets voor een nummer?
Delplancke: “We volgen verschillende wegen om tot een song te komen. Het gebeurt soms dat Neil en Myrthe een tekst schrijven als vertrekpunt, maar het gebeurt ook dat Neil en ik jammen op een drummachine en gitaar of bas en dat we daar mee beginnen. En soms komt Victor af met een sequence of een loopje uit zijn synths. Er is geen helder patroon.”
Claes: “Wat daarna vaak wel gebeurt, is dat ik een basis die zo ontstaat vervolgens mee naar huis neem om die in een song te gieten, waarna ik terug naar de band ga.”
enola: Jij bent de man van de songstructuur?
Claes: “Voornamelijk.”
Delplancke: “Er is wel een idee wat Lézard is en wat niet.”
Claes: “Al is dat niet superbegrensd. Het kan zeker nog opgerekt worden. We denken nu al na over een volgend album en ik kan me voorstellen dat het nog iets elektronischer kan worden. Of wat killer.”
Delplancke: “Ik denk dat we heel erg vertrekken vanuit wat live kan werken. Pas als dat goed zit, is het Lézard. Of zo zit het toch in mijn hoofd.”
enola: Toch zijn de liveversies voor Que se passe-t-il grondig herwerkt.
Claes: “Niet helemaal, maar we hebben wel hard gezocht hoe we die live-ervaring konden vatten.”
Delplancke: “Wat live werkt, werkt niet altijd op plaat en vice versa. We hebben dus uitgebreide preproductiesessies gehad, twee keer twee weken, waarbij we wel elk nummer als test al eens opnamen om te zien hoe dat werkte en of we er op die manier naar konden luisteren. En dan keken we of onze manier van spelen zich goed vertaalde of dat er toch nog aanpassingen nodig waren. Er zijn daarbij wel een paar songs van arrangement veranderd, maar andere bleven zoals ze waren.”
Claes: “Live spelen we die aangepaste nummers nu ook op de nieuwe manier. We hebben immers al lang met die songs opgetreden, het is logisch dat ze in die tijd geëvolueerd zijn. We zijn veel meer gaan nadenken over de intentie waarmee we ze spelen en of dat wat stoerder of wat zachter moet zijn. Het zit hem soms in kleine details, maar we hebben daar meer inzicht in gekregen.”
Delplancke: “Dat vele spelen heeft ervoor gezorgd dat we met zelfvertrouwen spelen. We hebben kilometers gedaan en durven nu een podium echt pakken.”
enola: Waarom moest de plaat Que se passe-t-il heten?
Claes: “Omdat ze over de staat van de wereld gaat. We waren het vraagteken eerst vergeten en toen de kwestie de kop opstak, ben ik gaan kijken hoe Marvin Gaye het bij What’s going on heeft gedaan. Uiteindelijk was dat ook zijn album over hoe de wereld er aan toe was. En toen bleek het goed dat we dat vraagteken – net als hij – niet hadden gezet. Zo klopte het.”
enola: In weerwil van jullie reputatie als feestband, gaan de songs inderdaad echt ergens over. Jullie zeggen zelf ergens dat jullie post-party zijn.
Claes: “Dat is zo. De meeste teksten heb ik geschreven vanuit hoe ik de wereld ervaar, en tja …”
Delplancke: “Naar mijn gevoel verhouden de teksten zich ook op een bepaalde manier tegenover de muziek. De muziek is inderdaad vaak funken en grooven, maar de teksten zijn daar dan een soort tegengewicht bij. Het wordt nooit echt leuke funk, daarvoor schrijft Neil toch wat te dystopisch.”
enola: “Wonder What They Said” is letterlijk “een dystopisch verhaal over een gebroken thuis”. Vertel.
Claes: “Dat gaat over mijn ouders die kort voor de pandemie – ik was achttien – uit elkaar gingen en herinneringen aan mijn kindertijd. Ik heb het wel wat vergroot, iets dramatischer gemaakt. Het is min of meer een overpeinzen in je bed, je afvragen: wat zijn die twee dan voor elkaar?”
“Niet dat die scheiding zo traumatisch was. Ik denk dat zowel mijn vader als mijn moeder nu beter af zijn. Hun nieuwe partners zijn ook allebei super. Maar toen het net gebeurd was, heb ik me wel wat koppig opgesteld en weigerde ik die te ontmoeten. Ik maakte het thuis heel erg moeilijk zo.”
enola: Ik moet denken aan de grootstadsfunk van TC Matic; het is een heel mechanisch, Europees geluid.
Claes: “Dat was ook de bedoeling. We hebben nooit Amerikaanse funk willen maken, het moest een Belgisch, Europees geluid zijn. Ik noem het zelf bijna nooit funk, daarvoor zie ik meer invloeden uit Europese dansmuziek. En ja, ik weet dat als je de lijn volgt, die ook van de funk afstamt, maar toch.”
Delplancke: “Ik hou wel van de vergelijking met TC Matic en Arno. Ik heb de laatste tijd veel naar zijn muziek geluisterd en een song als “Vive Ma Liberté” voelt voor mij toch verwant – ook op tekstvlak trouwens.”
enola: Hoe is die meertaligheid er bij jou eigenlijk ingeslopen, Neil? Je zingt in het Engels, maar ook in het Frans.
Claes: “Dat vloeit voort uit dat idee dat we Belgisch wilden zijn. Eigenlijk moet ik Duits en Nederlands dus ook eens meepakken. Dat is voor de tweede plaat. (lacht)”
“Het is een statement ja. Net als “Party In The U.S. of E.”. Natuurlijk is dat een knipoog naar Miley Cyrus, maar het gaat ook echt over de staat van de Europese Unie. Als kind groeide ik altijd op met dat Europese idee van samenhorigheid, maar er moeten op dat vlak nog veel stappen gezet worden. Als je nu rondkijkt, en de verrechtsing vaststelt, dan beangstigt me dat wel. We zien het feestje in de Europese gedachte wel, maar we zien ook elke keer hoe fucked up die party is.”
Delplancke: “Die tekst doet me altijd denken aan een bedrijfsfeestje waar alle hoge piefen mekaar van contentement op de schouders slaan. Ze vinden dat ze goed bezig zijn, maar hebben eigenlijk gen voeling met waar het om draait.”
Claes: “Onze copywriter moest denken aan het verhaal van dat Hongaarse Europarlementslid dat via de regenpijp een seksfeestje probeerde te ontvluchten. Vond ik ook wel een goeie.”
enola: Ik weet dat jullie voor productie eerst op DeeWee mikten. Jullie voelden verwantschap met de Dewaele-stempel?
Delplancke: “Het was hoog mikken, maar waarom niet? We zijn allemaal fan van wat DeeWee uitbrengt.
Claes: “DeeWee was een van de opties die we wilden proberen. Alweer omdat zij ook passen in die Europese elektronische traditie. Ze hebben een heel eigen geluid. Alles wat zij uitbrengen is supervet gedaan. Daarom leek het me megawijs om met Soulwax samen te werken voor de productie van onze plaat. Maar ik vrees dat dat wat onbereikbaar was.”
enola: Que se passe-t-il is een debuut, een eerste stap. Heb je al enig idee wat de volgende passen kunnen zijn voor Lézard?
Delplancke: “We zijn al aan een tweede plaat aan het schrijven; en dat gaat voorlopig volgens hetzelfde recept, merk ik. De kruiding is misschien wat anders, maar het blijft Lézard.”
Claes: “Er sluipen wel wat warmere nummers in, soms zelfs intiem. Enfin, dat is een te groot woord, maar toch. Ik roep overigens ook minder in wat ik nu schrijf, want ik woon boven een dokterspraktijk waardoor ik pas na zeven uur ’s avonds luid kan spelen, terwijl ik de meeste demo’s overdag schijf. Dus probeer ik dan niet te roepen, maar gewoon te zingen. Ik vind het wel cool om te zien wat ik anders kan doen met mijn stem. En dan denk ik bij het uitwerken met de band: ik ga het daar ook eens anders proberen.”
enola: Tot slot: jullie hebben de afgelopen jaren behoorlijk wat showcasefestivals gespeeld in het buitenland. De ambitie is er om Europees te gaan?
Claes: “Daar ben ik te nuchter voor; mijn ambities zijn niet zo gigantisch. Ik wil gewoon muziek maken, die uitbrengen, en dan zien we wel waar we uitkomen. Maar blijkbaar is er rond ons wel geloof dat het internationaal kan lukken, zeker in Nederland. Ook in Engeland hebben we al erg enthousiaste reacties gekregen.”
Claes: “Vorige maand, op Eurosonic, was er zelfs een enthousiaste radiozender uit Litouwen.”
enola: Dan weet je dat je het gemaakt hebt!



