Terwijl Studio Brussel zijn nieuwste vaderlandse vriendjes kiest, de inlandse releases ons om de oren vliegen, blaast Trix opnieuw verzamelen in zijn zalen. Op We Are Open werd dit weekend opnieuw de breedte van het Belgische landschap gevierd, en dat tricolore kantje lag er dit jaar met nadruk op.
Vrijdag 13 februari
Is het omdat we ze nog niet kennen, en ons daardoor soms een onverwachte linkse uitdelen? De creativiteit en de scherpe randjes in de Belgische muziekscene leken in elk geval uit Franstalige hoek te komen.
Lou K, bijvoorbeeld, de Brusselse Parisienne Lucie Lefauconnier die naast regisseren en poëzie schrijven ook nog tijd vond om een punkbandje op te richten. Daar zijn redenen toe in deze wereld, zo spreekt ook uit het virulente “Antifa”, withete razernij die een spurtje trekt. “Emma”, over een vriendin die aanmonsterde als een matroos, klinkt als een punkchant. En dan mogen – neen moéten – alle meisjes en vrouwen naar voren voor een woeste moshpit, en wanneer dat weer voorbij is en ook de mannen weer mogen mee doen, schakelt Lefauconnier naar hoekige parlando-postpunk. We zeiden het al: van alle markten thuis, deze vrouw.
Minder overrompelend, even radicaal was doom-noisecombo Daïne, dat zichzelf omschrijft als een drietal heksen ‘uit Mauritius’. Dat laatste wees op een even spirituele bevlogenheid als de sludgers van Pothamus, maar de uitvoering haperde helaas wat. Enkel de gitaren van Syme konden bij momenten doel raken, de vreemde act waarbij frontvrouw/bassiste Reshma G met een doek werd bedekt terwijl ze voor een spiegel knielde was, euh, bizar.
De Brusselaar Épong – zijn moeder roept als het eten klaar is nog altijd om Juul J. J. Verschraegen – sloot in de kelder van Trix dan weer af met een overdonderende, brute geluidstrip die het kot net iet afbrak. Veertig minuten lang was dit dwars, ontregelend en balsturig, een mix van geluiden die op zijn meest toegankelijk gewoon maar snoeiharde jungle was, maar verder uitschoot naar breakcore, pure noise en dreunende beats. Dat Verschraegen ons dat allemaal verkocht kreeg, en weinigen afhaakten, bewees echter dat hij wist hoe hij daarmee kon vertellen.
Hoe brachten ‘wij’, van ten Noorden van de taalstreep, het er van af? Minder minder minder, dus. Itches trapte de boel in het Café nog jolig af met een gulle greep tracks uit de Nuggets-traditie. Gezellig hobbelende garage dus, met al eens iets te gretig geleende melodie van The Kinks – maar die is dan ook ‘oh so nice’ – die gaandeweg even uitweek naar pittige ‘Carapunk’, want je bent van de Kempen of niet. Het trio rond frontman Philippe Aguilar Peeters blonk niet uit in originaliteit, noch in het schrijven van memorabele songs, maar speelde wel met gusto en charme, en was zo op zijn minst een plezier om bezig te horen.
Dat kon niet gezegd van de bloedeloze performance van Gos Rosling, een viertal uit Limburg waar we gitaarheld Luca Fazioli van Mojo & The Kitchen herkennen, maar ook Lena Thijs van Lupa Gang Gang. Het is echter de Belgisch-Nederlandse frontman Luca van Cruchten die we verantwoordelijk moeten houden voor de ondraaglijke ninetiesballad “(Not) A Slow Song”, en ook wanneer het tempo oppikt en Fazioli leuke popmelodiën uit zijn instrument plukt, lukt het hem echter niet om ook maar in de buurt van de toonlader te blijven hangen. Dit is wel erg flets, en zelfs wanneer het slotnummer van de set klinkt als Wu Lyf vertaald door Vampire Weekend, wil niets echt marcheren. En hetzelfde kan gezegd van Salvia, waar de Oekraïense zangeres Nicole Selivan al even hard in oorlog met de juiste noten blijkt, en verder niets werkt. Ja, af en toe valt in de mix een goed gitaarlijntje op te merken, maar dat is maar wat het is. Zoals het spreekwoord zegt: één gitaarlijntje met de songlente nog niet. Salvia viel op We Are Open lelijk door de mand.
Misschien was de grootste ontgoocheling niettemin Sad Boys Klub, dat op plaat stevig kon overtuigen, maar zich op het Cafépodium van Trix toonde als een lege doos: wel pose, geen inhoud. We hoorden Joy Divisionbaslijnen die Peter Hook zelf wat te minnetjes vond, een Editorsgitaarlijn zo derdehands dat ze van Customs had kunnen zijn, en als de riffs al eens opruiend klonken, dan werd ze meteen onderuit gehaald om de band er geen song mee heeft weten te schrijven en frontman Thomas Seynhaeve er zo bloedeloos over staat te zingen, dat je vermoed dat hij het zelf ook niet voelt. Het is pas met het loggere “Captain” – alweer voelen we veel amechtige Joy Division – dat we iets voelen van alle referenties waarmee de groep om de oren wordt geslagen, maar het is niet voldoende om ons geloof in deze groep te herstellen. Erg jammer.
En ook Yazal voelde nog niet helemaal voldragen, maar liet met broeierige bassen en woelige beats iets horen waar al eens de woorden “Burial” en “Massive Attack” op worden geplakt. Zo gefocust klonk het groepsgeluid echter niet. Daarvoor stapte het collectief rond Condor Gruppe-man Michiel Van Cleuvenbergen en frontvrouw Prisca Agnes Nishimwe plots te abrupt over naar een soort soulvolle singersongwriterij, om vervolgens alweer te switchen naar iets dat leek op spoken word. Wel mooi: hoe Nishimwe in het voorlaatste nummer op de bezwerende ritmes ging dansen toen ze eenmaal uitgezongen was.
De stem van een Duitser uit de eighties, de look van een Duitser uit de jaren tachtig: gestreept hemd in de broek, lang haar, en een rups onder de neus. Bront klonk alsof B52’s in de Neue Deutsche Welle van dat decennium werden geboren. Of als Talking Heads net onder Düsseldorf werd gevormd. Het was geen hol funky, maar wel dansbaar op machinale wijze. Alweer ontbrak het echter wat een een echt memorabele song om helemaal te beklijven, maar we zijn wel blijven kijken. Nu nog een “Rock Lobster” schrijven, of een “Love Shack” – zelfs een “Good Stuff” is al ok. Kortom: wat betreft de songwriterij mag de lat in Vlaanderen best een pak hoger komen te liggen. We zijn hier al te snel tevreden met iets dat lijkt op “een geluid”.
Het meest overtuigend kwam gek genoeg dan weer geïmporteerd uit Den Haag, waar het lokale zwartzakkenfestival Grauzone duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Aangekondigd als een ‘visueel kunstproject’ van de ingeweken Kevin Schuit en Ioana Ciora, zagen we bij Badtime op het podium niettemin enkel die eerste, maar dat was voldoende. Gewapend met een gitaar, een eindeloos drumcomputer en shit op tape ging Schuit er tegenaan als was hij een soort Kaboutertje Putlucht zonder frontman Barry.
Badtime, dat was ziedende cold wave. Het had iets onstuitbaars hoe Schuit over die voortdenderende drums doorging. Mooi ook hoe hij plots in de gaten kreeg dat er ook mensen achter het podium naar hem stonden te kijken, hij zich omdraaide, en dit optreden héél even in the roundi werd. “Polizei! Polizei!” blafte hij vervolgens in de microfoon, en hij liet zijn gitaar loeien als een sirene. Rond ons hossen mensen met een stevig bierglas in de achterzak, en daar wordt niemand echt blij van maar het zegt wel iets: dit was vet en aanstekelijk.
Ik heb op We Are Open de nieuwe muzikale toekomst gezien. Ze is, zoals het deze tijden past, zwart.



