Op de eerste van vier uitverkochte avonden in De Roma stelt Warhaus ons geduld eerst op de proef om het daarna ruimschoots te belonen. De band kan niet meer écht verrassen, alleen nog maar bevestigen met een grand cru van een optreden.
Het duurt tot Tijs Delbeke in “Shadow Play” koortsig met zijn trombone stoot alvorens Warhaus en De Roma tegenover elkaar ontdooien en er iets moois begint te bloeien. We zijn dan al vijf nummers ver en daarvoor had de groep zich al doorheen een instrumentaal “I’m Not Him”, “I Want More” en “The Good Lie” geworsteld. Tijdens “Jim Morisson” zegt Maarten Devoldere geregeld “Can you please stand up!” tegen niemand in het bijzonder, wat verwarring zaait in het publiek – we staan immers al recht en de mensen op het balkon hebben nog niet veel redenen gehad om te gehoorzamen. Devoldere switcht tussen langoureus croonen en snedig gitaarspel, maar de band lijkt op automatische piloot te spelen, en een lauwe set dreigt.
En toch klikt vanaf “Shadow Play” alles dus in elkaar. Warhaus heeft altijd gedraaid rond het opzoeken van het gevaar, de riskante liefde, die balanceert tussen sérieux en de pastiche op de pose van de poète maudit-met-muze. Het is een Bonnie en Clyde-kroniek van een aangekondigde crash – alleen weet Devoldere wel steeds de muur te vermijden door zich elegant uit elke moeilijke situatie te manoeuvreren. Het is trekken en afstoten; deze verleiders draaien ons een rad voor de ogen. Dat begin was slechts teasen, kietelen en het bedje spreiden om daarna de buit binnen te halen. Deze klasseband toont zijn tanden, laat even zien wat ze kunnen door het nummer een lang uitgesponnen coda mee te geven met een prikkelende gitaarsolo van Jasper Maekelberg. “Merci Roma! Deze zaal is vier keer uitverkocht, maar jullie waren de eerste, dus jullie zijn per definitie de grootste fans!” fleemt Devoldere in ons oor – deze verleider weet wat we graag horen – en een zwoel “No Surprise” volgt.
Wie de komende dagen nog gaat kijken, mag zich verwachten aan een theatraal uitgekiende show: afhankelijk van de mood baadt het podium in roze, paars, wit of donkerrode tinten onder een grote oplichtende cirkel. Er wordt gespeeld met chiaroscuro, zowel in beeld en muziek. Donker en licht wisselen elkaar af in een Caravaggesk tableau van de driften van de mens. Een enkele spot belicht Delbeke aan de piano voor de intro van “Jacky N.”/“Hands Of A Clock” terwijl de noten elegant dwarrelen als opwaaiende herfstbladeren en Devoldere misschien wel zijn mooiste lyric mag declameren: “How we fell into each other dear, like the hands of a clock, one of us had to disappear, in the moment we touched.” Begon Warhaus nog als een afkooksel van een toxische relatie, dan zijn de laatste twee platen nog veel diepgaander beginnen graven in het eigen binnenste – Ruben van Gucht kan er nog iets van leren. Tijdens “Time Bomb” gaat Devoldere ostentatief faux nonchalant vooraan het podium op zijn gitaar zitten tokkelen. Het lalalaaa-outrootje mag de zaal meezingen, waarna de frontman de longen uit zijn lijf krijst. Berouw en begeerte gaan bij Warhaus hand in hand zoals na een late avond op café.
Het hek is ondertussen volledig van de dam: de handen gaan op elkaar voor een furieus “Zero One Code”, dat dreunt met een bas die zelfs niet zou misstaan op Tomorrowland. Devoldere hijgt een eind weg en Maekelberg ramt op de conga’s; het is het absolute hoogtepunt van de show. Deze straffe muzikanten zetten de nummers compleet naar hun hand en draaien ons tegelijk om hun vinger. Zo wordt in de lyrics van “The Winning Numbers” August the 14th speels December the 10th (maar blijven de cijfers op ons Euromillionsbiljet jammer genoeg de verliezende), terwijl het nummer spontaan samensmelt met een manisch gebracht “Beaches”. “Where The Names Are Real” zorgt voor rust en zwaait de reguliere set uit.
Nog stopt het theater niet. Voor de bissen wordt een giga-discobal tot in het midden van het publiek gerold, waar Devoldere hem omhoog hijst en met behulp van een karaokemachine doodleuk “Laat me” van Ramses Shaffy ten berde brengt. Na een nieuwe song die meer punk en elektronisch klinkt dan we gewend zijn, is “Open Window” een majestueus meegezongen orgelpunt. Dit is de warme knuffel na de daad, het is de hug and roll waarna we zoetjes aan in slaap kunnen vallen.



