Een vrouw die haar dementerende vader bezoekt. Een vrouw die worstelt met een postnatale depressie. Een vrouw die zelf haar gedachten voelt wegglippen. Twee keer M, één keer haar moeder. Maar altijd sneeuwt het. In In het wit hamert Roderik Six de metaforiek erin, maar zijn taalgevoel verkoopt het je allemaal.
In drie delen vertelt de auteur achtereenvolgens hoe een dochter haar vader in het rusthuis opzoekt, gaan we terug naar haar jong gestorven moeder, om haar vervolgens zelf aan te treffen op een leeftijd waar het mistig is geworden. Het punt is niet zo duidelijk, maar dat het sneeuwt wel. Zoals Six in debuut Vloed maar woorden bleef vinden voor regen, weet hij hier al dat wit in eindeloze variaties te beschrijven. Als liep hij stage bij de Inuït.
Natuurlijk – pun intended – glijdt hij daarbij uit. Het is bij zijn winterse taligheid onmogelijk niet aan Peter Verhelsts Tongkat te denken – wanneer hij halverwege schrijft “dan naai je toch een levende zeehond tegen je borst om zijn laatste warmte te stelen?” is de verwijzing zo on the nose dat het niet anders dan tongue in cheek kan zijn: hij weet het ook wel.
Was de novelle Monster nog een overgangsboek, waarin de schrijver het hardboiled van zijn eerste drie romans langzamerhand afschudde, dan baadt In het wit in een nieuw gevoel: melancholie, tederheid, verdriet, spijt. Het is een nieuw register, je voelt het zoeken. Het begin van het tweede deel is een oefening in schrijven: zet de ruimte neer. Six doet het briljant, en neemt je vijftien bladzijden mee, van voordeur tot koterij, tot je perfect weet in wat voor huis iemand hier wakker wordt. En dan pas krijgen we het verhaal van M’s moeder.
Het is het sterkste stuk van het boek. In de stilte van een veel te vroege ochtend vertelt Six de voorgeschiedenis die zijn schaduw over het eerste deel wierp. Het gaat over pril moederschap, de overrompeling van een jonge baby. “Het kind werd niet geboren. Het kwam vanachter een doek tevoorschijn”, schrijft hij over de keizersnede. Dokters in de jaren zeventig of tachtig, breek er haar de bek niet over open.
Je voelt dat het een zelf opgelegde opdracht is, om in de huid van een vrouwelijk personage te kruipen. Ook dat doet hij overtuigend, maar het is niet voldoende om van In het wit een boek te maken dat je bijblijft. In het derde en laatste deel raakt hij het spoor bijster, net als zijn hoofdpersonage M, dat nu zelf met dementie worstelt. Eindeloos verliest de schrijver zich in observaties: de wachtkamer, de MRI-scan, het dorp van haar jeugd, … Elk op zich met zwier neergeschreven, als kleine vignetten, maar dat laatste deel mist richting, zelfs al mondt het op een onontkoombaar eindpunt uit.
Laten we het dus noemen wat het is: een broodnodig overgangsboek. Dat Six kan schrijven, heeft hij met die eerste drie V-romans meer dan bewezen, het zoeken naar een vervolg is hem gegund. Met wat geluk zullen we dan nog wel wat zien.



