Zondag 31 augustus :: Moshen op freejazz

Op zondag komt de zon er na een paar laatste pesterige regenbuien toch nog door. En wij staan klokslag 12 klaar voor komiek Rob Auton en JFAbraham van Public Service Broadcasting. Auton was eerder al vergroeid met het festival als comedian en brengt sinds vorig jaar samen met Abraham een muzikale set. Ook nu speelt hij een spelletje met het publiek rond de meezinger “Water/ What is it good for/ Absolutely loads of stuff”. Zijn melancholische, menselijke humor hoort hier bij de ochtend als een oude vriend. Het gaat van absurde scenario’s en alledaagse associaties (“Water: soup for people who don’t like ingredients”) naar bespiegelingen over familie, thuis, The Beatles en de wondere wereld waarin we leven. De gedachte dat elke deur ooit een boom was. En dat er beter “strawberry fields forever for everyone” zouden zijn. Dat het vandaag is en dat we leven, en wat voor klein mirakel dat is. Wij hebben geen krop in de keel, jullie hebben een krop in de keel.

Koffie, modder waar je niet meer om geeft en folk in een bucolische tuin. Nergens slogans of billboards. Nergens reclame, tenzij voor het wonder van het leven. Dat is End Of The Road, dat je het voor eventjes doet voelen hoe muziekfestivals ooit begonnen moet zijn in de jaren ’60 en ’70, voor de reclameboys en grote bedrijven het overnamen. Jake Xerxes Fussell, die zonder veel gedoe of divagedrag Amerikaanse folk van onder het stof haalt, past perfect in dit idyllisch plaatje. Noem hem gerust de minder gekke neef van Sam Amidon, met enkel de zanger zelf op gitaar en een drummer die perfect weet hoeveel brushes deze songs verdragen. En dat is niet veel. Songs als “Jubilee” worden tot het uiterste van chill gerekt op deze rustige zondagochtendmiddag. Soms had deze set een uithaal of een stukje heftiger fingerpicking meer mogen hebben. Anderzijds past zijn gemoedelijk spel wel perfect bij deze semi-zonnige laatste festivaldag. En “The River S. Johns” laat dan toch even een fellere zanger te horen die met wat meer roest in zijn keel zingt. Het gaf “Love Farewell” en “Have You Ever Seen Peaches Growing On A Sweet Potato Vine” daarna meteen een extra teder kantje.

Aangezien Tucker Zimmerman op het laatste moment heeft afgehaakt, hebben wij een rustig moment. Maar plots bots je dan op de kleine Piano Stage in het bos op comedian en muziekliefhebber Stewart Lee die Black Country New Road interviewt. Muzikaal zijn wij fan, maar voor een live interview is BCNR een behoorlijke saaie bedoening. Gelukkig brengt Lee er wat spanning in (“Nick Cave, who writes for a right-wing newspaper and supports Netanyahu”, de ongemakkelijke lach erna kan u zich zelf wel inbeelden) en legt hij ook zijn eigen ervaring in de schaal.
Sylvie Kreusch is in België natuurlijk een gevestigde waarde die iedereen uit haar hand laat eten. Hier moesten nog zieltjes gewonnen worden, al is de opkomst voor het hoofdpodium zeker niet slecht. Elke song oogst meer applaus en bijval. “Walk Walk” zit vrij vooraan en jaagt het publiek op, “Please To Devon” wint een pak aan dynamiek. Van podiummoeheid was geen sprake aan het einde van deze festivalzomer. Geen idee hoe het preutse EOTR-publiek dit heupwerk beleefde. Anderzijds past het wel, als je bedenkt dat ook Father John Misty hier straks het podium gaat bestormen. We zijn misschien een beetje chauvinistisch, maar hier werd naar ons gevoel wel een momentje gepakt.

We lopen daarna nog even langs Vieux Farka Toure, wiens gitaarloopjes raar genoeg wel werken om in de sfeer te komen van Tropical Fuck Storm, die om onverklaarbare redenen op het hoofdpodium staan zo rond etenstijd. Het is tot een paar minuten voor het begin van de set nog makkelijk naar voren schuiven door de modder. Put the freaks up front, zo voelt het daar vooraan dan weer wel. Af en toe druipen er wel teleurgestelde festivalgangers af, maar er bleef genoeg harde kern over. Gelukkig, want het optreden van deze Australische noiserockers/culthelden tolt, schuurt en giert dat het geen naam heeft. Een retestrakke ritmesectie houdt alles netjes binnen vier muren. Daarboven mogen de twee dolgedraaide gitaristen die deze band rijk is het festivalplein alle hoeken van dit eiland laten zien.

In de eerste helft wordt soms misschien wat veel op kracht en minder op dynamiek gespeeld, maar wie maalt daarom als je de perfecte gitaarstorm in je gezicht geramd krijgt. Eens het eigen publiek binnen is en de rest weggejaagd, krijgen al grijnzend ook de meeste noisy klankentapijten een plaats. En dan moet het kringelende “Paradise” en hun cover van “Stayin’ Alive” als afsluiter nog volgen. Neen, dit is niet voor de gemiddelde EOTR-ganger die rustig in het gras wat muziek wil meepikken bij een biologische curry. Maar Tropical Fuck Storm speelt wel heel de affiche op een hoopje, om er een strik gemaakt van prikkeldraad rond te doen. Los daarvan: niets tegen de vele kraampjes als de Shaboutique of de Ethical Alpaca Wol of tegen de lange rij voor de handmade vegan gelato. Ook zij maken van End of the Road zo’n charmant vierdaags mini-universum waar Peter Pan zich best thuis zou voelen in zijn Oxfamgroene plunje.
Hierna mag Squid de modderpoel voor de Woods nog verder uitdiepen. Op voorhand hadden wij ook hier onze reserves. Squid, op zo’n groot podium? Maar het vijftal is misschien wel de meest hyperkinetische van hun generatie postpunkbands. Het meest scheef en/of agressief ook, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Het begin is zoekend, een zittende drummer als frontman helpt niet. Pas vanaf “Building 650” breekt de boel echt open. Maar dan ook echt. Hier staat een band die muzikaal compromisloos het moment – zonsondergang – en het publiek begint te pakken. Dat de nieuwe nummers vanop Cowards iets potiger zijn, helpt. De freejazzende trompet ook. Ollie Judge komt dan toch op een bedje van beats de front opzoeken. Je voelt dat het rustige begin eigenlijk een deel van een slimme spanningsboog is geweest.

“Broadcaster” brengt ons eerder naar de club dan de festivalweide. “The Cleaner” is een bom die wordt meegeschreeuwd (“I’m the cleaner/ But you don’t even know my name”). Vooraan ontstaat zelfs een kleine pogo die tijdens een uitgesponnen en ziedend “Narrator” helemaal ontaardt. Dit is geen granaat, maar een postpunkfunkbom. De bom gaat af. Knal. De modderpoel voor het podium wordt nog groter, de vloer wordt klaargestoomd voor “Pamphlets”. Wij zagen mensen moshen op freejazz. Wij zagen grootvaders mee de circle pit in schuifelen. Wij zagen een briljant opgebouwde set. Wij zagen een kolkende front. Wij zagen Iets Gebeuren. De groep kon enkel maar kijken, doorspelen en een uitroepteken achter het moment zetten. En blijkbaar vonden de kinderen achteraan het publiek alle gekke geluidjes ook geweldig. Iedereen blij.
(Sidenote: Tropical Fuck Storm en Squid zijn heel rare bands om selfies met je geliefde bij te nemen. We geven het maar mee.)

For Those I Love is een enola-choucke uit Ierland dat net een fantastisch tweede album heeft uitgebracht waarop al ravend de state of the nation wordt opgemeten. Helaas, theatraliteit werkt niet in een schelle tent met een matige soundmix. Zelfs het razende “No Scheme” doet niet wat het normaal moet doen. Bovendien is dit een te particuliere en persoonlijke show voor een festival, te gewrongen tussen bands met een heel andere sfeer. Als For Those I Love naar een Belgische zaal komt, gaan wij zeker kijken. Hier valt het helaas wat dood.
Van sfeer gesproken: headliner Father John Misty, die jammer genoeg overlapte met Black Country New Road, gaat op de laatste avond volledig voor de betere croonersfeer. Strak in het pak, met rood licht en prominente sax, brengt de boomlange songschrijver een dwarsdoorsnede van zijn oeuvre met lichte nadruk op zijn laatste twee platen en moderne klassieker I Love You, Honeybear. ”Opener “I Guess Time Just Makes Fools Of Us All” past bij de groezelige fifties-sfeer. Sommige recente nummers krijgen live zo extra diepte of emotie die ze broodnodig kunnen gebruiken, zoals “Buddy’s Rendezvous” of het denderende “Screamland”, dat als een bombastische IMAX-film over het festivalterrein rolt. “Hollywood Forever Cemetery Sings” is daarna het moment waar heden en verleden van de artiest elkaar perfect raken. Voor een prachtig intiem “Holy Shit” lijkt de notoir ironische Tillman even oprecht geëmotioneerd door zijn plek hier en het parcours dat hij de voorbije vijftien jaar heeft kunnen afleggen.

Sterke songs blijven sterke songs (“The Night Josh Tillman Came To Our Appartment”, “Mr. Tillman”), andere blijven ook hier onder niveau (“Ideal Husband”, “Being You”). Jammer genoeg gaan de boxen wel eens heel schel klinken als het volume de hoogte in gaat. Maar Father John Misty blijft een showman die perfect weet wat hij doet. Te goed: net zoals bij Berninger klinkt deze headlinerset heel professioneel, met goeie muzikanten en een geroutineerde podiumpersona. Maar wij missen ziel, het gevoel van iemand die zoals Van Etten koppig, op een eigenwijze en krachtige manier de laars op tafel plant. Wij hebben Father John Misty zo ooit gezien, lang geleden, toen hij nog veel te bewijzen had. Toen deze vader nog meer “Real Love” te geven had en nog minder in een te duur pak stak.
En zo zette End Of The Road een punt achter een wel heel modderige editie met veel goeie concerten, maar toch een gevoel dat het deze keer niet volledig was. Wij misten toch te veel het hangen voor de Garden Stage in de zon of dwalen door het bos, op zoek naar niks, maar met altijd iets te vinden. En iets minder irritante overlap in de concerten, dat ook. Maar het zou te zuur zijn daar al te veel gewicht aan te hangen: dit festival blijft dat gekke huis aan het einde van de weg, met de overwoekerde tuin, maar met de deur altijd open en de radio altijd aan.




