Cunningham 3D

Toen ik anderhalf jaar geleden in Boedapest een Hongaarse dirigent met zigeunerachtergrond leerde kennen en we – na een rondleiding in het operagebouw dat nog onder auspiciën van de grote Liszt gebouwd werd –  in een café neergestreken waren wist hij me te vertellen dat Wim Wenders’ documentaire over Pina Bausch niet in Hongarije uitgebracht was omdat de voornaam van de choreografe identiek is aan het Hongaarse woord voor vagina. Dit slechts om aan te tonen hoe kleine obstakels een bepalende rol kunnen spelen in de, over het algemeen sowieso al redelijk arbitraire, beschikbaarheid van kunst.

Pina  is ook de grote inspiratiebron voor de recente documentaire over Merce Cunningham die dan weer de familienaam van de choreograaf als titel meekreeg. Net als in de ode aan Wuppertals grootste, bestaat het bulk van de beelden in Cunningham uit speciaal voor de film opgevoerde hernemingen van enkele van zijn grootste creaties. Dat de film niet hetzelfde hoge niveau als zijn illustere voorganger weet te behalen, komt doordat regisseur Alla Kovgan soms niet de moed lijkt te hebben de beelden en choreografieën voor zichzelf te laten spreken.

In het eerste archiefbeeld waarin we de man zelf te zien krijgen, horen we Merce Cunningham, ergens midden vorige eeuw, stellig vertellen dat zijn dans niet iets probeert uit te drukken en daarom dus ook niet geïnterpreteerd kan worden. Dit is een decennium vóór Susan Sontag dit credo essayistisch zou beargumenteren en verder in de film komen we te weten dat Cunningham nog samengewerkt heeft met de schilder Jasper Johns met wie Sontag later een tumultueuze affaire zou hebben. Er hangt dus iets in de lucht in het New York van vlak na de oorlog, een aversie tegen wat Sontag zo radicaal omschreef als “de wraak van het intellect op de kunst”.

En laat interpreteren nu net datgene zijn wat Kovgan doet tijdens de danssequenties. Waar Cunningham, aldus de andere grote schilder met wie hij lang samenwerkte; Robert Rauschenberg, een bloedhekel had aan kostuums en decor, zonder er daarom de noodzakelijkheid niet van in te zien, plaatst Kovgan de uit meer dan tweehonderd composities gekozen choreografieën in al te pittoreske locaties doorheen New York. Dit plaatst deze choreografieën in een nieuw betekenisveld waardoor ze inhoudelijk veel geladener en dus makkelijker leesbaarder worden dan op het podium mogelijk, en dus voor Cunningham wenselijk, was. (Dit baseer ik op de enige van ‘s mans choreografieën die ik zelf heb mogen zien; Pond Way dat in 2016 opgevoerd werd door Ballet Vlaanderen.)

Ook het camerawerk lijkt spinnend en tollend tussen de dansers een voorkeur te hebben voor die lichamen die zich aan de ogenschijnlijk willekeurige danslijnen lijken te ontrekken, waardoor ook hier weer een zekere vorm van expressie of narratief wordt afgedwongen, waartegen Cunningham juist alle mogelijke middelen in stelling bracht. Dit is jammer omdat Kovgan de druk om te interpreteren wel grotendeels weerstaat wanneer ze archiefbeelden gebruikt. Op enkele stupide aandoende trompe-l’oeil kadertjes na, laat ze deze beelden wel voor zich spreken, dankbaar gebruik makend van een kunstenaar die wel heel vaak en in alle mogelijk variaties verkondigde dat er over zijn werk niets te zeggen viel.

Ook de relatie met zijn belangrijkste bondgenoot, componist John Cage, wordt niet ingezet als een verhaal. Dat de twee mannen een liefdesrelatie hadden die meer dan een halve eeuw zou duren, wordt niet expliciet vermeld, maar getoond middels de brieven die de mannen elkaar stuurden. Verder worden nog enkele van de belangrijkste dansers uit de beginperiode (want de documentaire beperkt zich tot deze eerste Sturm und-Drang jaren) aan het woord gelaten waarbij het meest interessante inzicht komt van die danseres die beweert dat je Cunningham nooit op zijn woord moet geloven. Uiteraard zijn diens composities niet slechts een paar achter elkaar gezette pasjes. Getuige hiervan ook de vele repetitiebeelden die, voor een man die zich voor zijn choreografische keuzes vaak beriep op willekeurige processen en de I Ching, ironisch genoeg weinig aan het toeval lijken over te laten.

In een tijd waarin de vraag zich opdringt of er door een net iets minder klein obstakel gevreesd wordt voor de toekomst van dansvoorstellingen en de vraag wat er van dans over zal blijven wanneer voorstellingen niet meer zoals voorheen mogelijk blijken te zijn, is deze documentaire – hoe onvolmaakt ook – een herinnering hoe veel er verloren dreigt te gaan wanneer we niet bewust omgang met de geschiedenis van onze kunsten. Uiteraard is dat slechts een doekje voor het bloeden. Het echte werk bestaat er uit om iedere dag, ondanks alles, de studio te betreden en opnieuw te beginnen met dat wat voorradig is. Alleen voor deze woorden van de meester zelf al is de film het bekijken waard.

Zoals vaak, voegt 3D ook hier nauwelijks iets toe.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vier =