LES NUITS: Glauque + Glass Museum

6 - 7 oktober 2020 Botanique, Brussel

Het internationaal touren ligt nog even stil, en dus kan Botanique niet anders dan zich focussen op een andere kerntaak: jong talent van eigen bodem promoten. Treft het even dat in 2020 met Glauque en Glass Museum in Franstalig België twee straffe nieuwelingen de kop opstaken.

Zo goed de lente was, zo hard hakt de herfst er in. De wind blaast, de regen raast alsof die grondwatertafel aan een rottempo moet aangevuld worden – dat is ook zo, maar het komt niet uit nu het enige wat ons rest is om de laatste druppels festival te persen uit iets dat niet langer de term nazomer verdient. Zeggen dat Les Nuits er dit jaar eentje voor de volhouders en de doorbijters is, is een understatement. Maar we staan er, en we zijn niet alleen. Achthonderd mensen kan de Botanique zetten op de stoeltjes voor dat openluchtpodium, en het zijn er niet gek veel minder lijkt ons. Want Glauque is heet, zowel qua populariteit als qua tempo.

Ze komen uit het weinig grootstedelijke Namen, ze klinken alsof ze de banlieus van Parijs kennen als hun broekzak. De eerste keer dat we Glauque hoorden, gokten we nog op een zoveelste zwarte Franstalige rapper. Was fout – in vele opzichten – maar vooral omdat het er zo naast was. Dit is het negatief daarvan: vijf bleke jongens die je op het eerste zicht een toekomstige carrière in IT toedicht, die ook nog eens op échte instrumenten spelen. Het is triphop die geen joints rookt, hiphop die af en toe gas weet terug te nemen en waar het duister altijd om de hoek ligt.

Vooraan: Louis Lemage, oppernerd en magere springmuis in één lijf verenigd. Hij raast, en als hij niet raast mijmert hij wat voor zich uit; dat is zowat het spectrum, en gelukkig beukt het vooral. Hoe heerlijk om voor het eerst in een jaar nog eens dat typische festivalgedreun te horen, het onzuivere geluid van bassen die tegen verre muren resoneren. “Vivre” is de hit die iedereen kent, en gelukkig mogen we dansen zolang we dat maar op veilige afstand van elkaar doen. We staan al lang recht, dit voelt bijna normaal, woest opstekende wind en aanwaaiende regen incluis – bijna, maar nog niet helemaal.

Nog altijd heeft Glauque nog maar vier nummers uit, nog altijd is wat daarrond wordt gebracht even fascinerend. De vraag “etre le connard qui insulte, ou celui qu’on insulte” voelt even essentieel als dat “la vie est un crash test” uit “Plane”, die andere hit die hier in de hevig daverende “R1”-remix van de recente Réécriture-EP wordt gebracht. Heel even voelt de Kruidtuin als het soort club waar we waarschijnlijk nog lang niet binnen zullen mogen. Het is zoete pijn; wat ook gebeurt, dit hebben we toch maar mooi weer gehad.

Hoe anders gaat het een dag nadien. Er is deze keer geen vuiltje aan de lucht, en Glass Museum laat de muren van de omliggende kantoortorens met rust. Het enige wat hier resoneert is de synthbas van Antoine Flipo, de basdrum van Martin Grégoire houdt het rustig. Het Brusselse duo dendert niet binnen, maar klopt beleefd aan met de huppelende piano van opener “Sirocco”. Aan de overkant van het podium komt maar langzaam wat meer dan rustig getik of geschud, tot een dansende drumbeat dan toch de deur wat breder openzet zodat de piano helemáál een pirouette kan draaien.

Dit is Glass Museum: twee jongens die dollen op het scherp van de snee tussen jazz, minimal music en zelfs een beetje post-rock. Je zou denken dat dit iets is voor de veel intiemere Rotonde (zo intiem dat ie voorlopig niet gebruikt kan worden) of misschien de Orangerie van de Botanique voor hun neus. Ze houden zich echter goed in deze grootsere omstandigheden. De klank zit kraakhelder, en de melodieën dansen op zo’n manier dat het publiek wel moet volgen. In “Clothing”, bijvoorbeeld, dat na een opzwepend roffeltje in een meer elektronische break uitbarst. Want ook dat heeft zijn plaats in de muzikale potpourri van Glass Museum.

Het klapstuk hebben we dan al gehad, en is vanzelfsprekend “Reykjavik”, titelnummer van de tweede plaat die het tweetal afgelopen lente uitbracht. Flipo wisselt als vanzelfsprekend tussen de imposante vleugelpiano en zijn synths, laat zijn toetsen eloquent vertellen. Grégoire trekt aan de andere kant eveneens zijn arsenaal roffels, tikken en sissen open als weerwoord. Het duurt maar een vijftal minuten, maar na afloop heb je het gevoel dat je een heel epos hoorde; zo lyrisch gaat de groep te keer, zo veel is er gebeurd. Ouder werk als “Wu” van op debuut Deux verbleekt er een beetje bij,  klinkt veel minder dynamisch. Neen, dan zijn de speelse en dartele toetsen van “Nimbus” een pak meeslepender.

En zo eindigt de festivalzomer ergens richting half oktober, en voor het eerst hebben we het gevoel dat we een beetje de sfeer van de goeie dagen hebben gevonden. Kunnen we, nu het er niet naar uitziet dat we volgende zomer al opnieuw helemaal back to normal gaan, afspreken dat we in mei hier al starten? Laat 2020 een leerjaar zijn geweest waar we volgend jaar de vruchten van plukken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + zes =