Reeperbahn Festival 2021 :: Von Schlange nach Schlange

Bandjeshonger. Flauwepintendorst. Netwerkdrang. We hadden er flink last van, zo zonder écht Eurosonic dit jaar. Gelukkig bleek met Reeperbahn Festival de redding op slechts zes uur treinen nabij: 30 zalen, 360 artiesten, reden genoeg om de meest overprikkelende straat van Duitsland te gaan verkennen.

Woensdag 22 september

Eén Duits cliché blijkt alvast niet te kloppen: die verdomde Gründlichkeit. Of toch niet wat de spoorwegen betreft, en dus moet uw team alsnog een spurtje trekken om op tijd bij Meskerem Mees in de Nochtspeicher te zijn. Tijd genoeg echter om uit te hijgen, want het check-insysteem met de QR-codes laat het afweten, en zonder check-in geen toegang (twijfelachtige coronamaatregel nummer 1, blijf vooral hangen voor meer onnozeliteiten). Het duurt dus behoorlijk lang voor de zaal gevuld raakt, en dan is “gevuld” nog een groot woord voor het handjevol tafels en stoelen dat bezet mag worden.

Niet de meest dankbare omstandigheden om aan een set te beginnen, en dan helpt het ook niet als je nog voor de eerste noot je flesje water omver stoot op het podium. “I’m a comedian, but sometimes also a musician”, verontschuldigt ze zich, en het zal gelukkig vooral die laatste gedaante zijn die we te zien krijgen. Het speelse “Astronaut” zet de toon: met haar schijnbaar achteloze gitaarspel, begeleid door de warme celloklanken van Jasmijn Lootens, maar vooral met die wonderlijke hese stem, grijpt Mees het publiek onmiddellijk bij de lurven, om het pas na de laatste noot van “Where I’m From” weer los te laten.

Er lijkt op het eerste gezicht niet zo veel veranderd te zijn sinds we haar voor het eerst zagen spelen op SoundTrack, maar toch is Mees hoorbaar gegroeid. Dat ze op Humo’s Rock Rally haar doorbraakhit “Joe” al niet meer speelde, is misschien wel veelzeggend: er zit veel meer in haar dan wat dat lieflijke liedje doet vermoeden. Hoe ze ruwe folknummers als “Man Of Manners” en “Where I’m From” brengt, breekbaar en ijzersterk tegelijk, of hoe ze de totale controle houdt in het a capella gebrachte “Great Dandelion” (waarbij wij met veel plezier aan Karen Dalton moeten denken), het is allemaal even indrukwekkend. Er wordt in absolute stilte geluisterd – tijdens het ingetogen “Seasons Shift” kunnen we een man twee tafels verder horen ademen, dat hoefde nu ook weer niet – en terecht: Meskerem Mees is klaar om na de Nochtspeicher de rest van Duitsland, Europa en de wereld te veroveren.

Na een onvermijdelijke stop bij de curryworsten van Lucullus is het tijd voor iets dat we dit festival nog érg vaak zullen doen: in de rij staan en wachten. Wachten voor een festivalbandje, wachten voor bier, maar vooral eindeloos wachten om een concertzaal – misschien – binnen te kunnen. Daar is immers twijfelachtige coronamaatregel 2: volgens een volstrekt ondoorgrondelijk systeem werd de capaciteit van iedere zaal teruggeschroefd tot een fractie van de normale bezetting, terwijl er voor de ticketverkoop duidelijk veel minder beperkingen waren. Hét beeld van dit festival zijn dan ook de lange Schlangen, zoals de Duitsers ze zo mooi noemen.

We moeten ons daardoor tevreden stellen met de laatste vijftien minuten van The Clockworks, maar wat een lekker kwartiertje is dat. Dit viertal hongerige Ieren surft enthousiast mee op de postpunkgolf van landgenoten Fontaines DC en The Murder Capital, al lonken ze ook richting begin jaren 2000, met hints naar The Strokes en vroege Editors. Postpunk for the masses dus, die hier nice and tight afgeleverd wordt. “Can I Speak To A Manager, Please?” spuwt James McGregor, terwijl de gitaarlijntjes van Sean Connelly een niet zo stiekeme liefde voor Johnny Marr verraden voor ze onder het geweld van de rest van de band bedolven worden. Het meeste venijn zit in “Enough Is Never Enough”, dat met zijn “these fingers were made for pointing” alvast een prima meebrulbaar refrein heeft. Doe daar het soort sociaal-realisme dat ook Joe Talbot van Idles graag in zijn teksten stopt en een onweerstaanbare gitaarriff bovenop, en je weet: The Clockworks zijn klaar om de volgende hype uit Ierland te worden.

Anders nog een debiele coronamaatregel? Welaan: bij de Spielbude XL, een openluchtpodium met een soort gigantische speelplaats ervoor, worden de staanplaatsen gemarkeerd door ronde stickers op de grond. Wie zich daarbuiten durft te bewegen – om zijn eigen vrouw te knuffelen, bijvoorbeeld – wordt onmiddellijk terechtgewezen: “avoid any overly uncontrolled movements”, zoals het waarschuwingsbandje aan het begin van ieder concert waarschuwt. Dat er net achter die speelplaats een opeengepakte massa tegen een dranghek staat aan te schuiven, deert blijkbaar niemand. Niet dat er veel reden is om uncontrolled movements te maken op onze persoonlijke halve vierkante meter: de zweverige electropop van Umme Block zou in een kleine club misschien nog kunnen werken, maar op deze vlakte waaien hun analoge beats en ijle zang volledig weg. Niet bepaald een knallende afsluiter van deze eerste Reeperbahndag, maar hé: er komen er nog drie!

Donderdag 23 september

We gaan vandaag vroeg aan de slag, want op Reeperbahn kun je ook overdag al genoeg zien. Het is echter pas met het vallen van de avond dat de goeie acts beginnen buiten te komen, al is de reden van onze vroege komst wel flink te pruimen.

“How do you do? This is a laptop.” JJ Weihl, of beter, Discovery Zone laat de techniek graag voor zich spreken. Alles aan dit soloproject van de in Berlijn gestrande New Yorkse schreeuwt kunstschool: van de Laurie Anderson-achtige vocals in “Pattern Recognition” (“Is it in you / Or are you in it?”) over haar artistiek verantwoorde zwart-witte hemdjurk tot de verbijsterende knip-en-plak-visuals die ze voor ieder nummer gemaakt heeft, Discovery Zone doet enkel dingen die in haar zorgvuldig uitgekiende universum passen. Waar zich dat precies bevindt, is onduidelijk, maar je hebt er in ieder geval een teletijdmachine richting eighties voor nodig. Opener “New Moon” waagt zich nog op het depressiefste terrein van The Cure, maar veel vaker zitten onder de duistere filterlagen die ze met haar Moog Theremini en sequencers in elkaar knutselt simpele popliedjes verborgen.

Soms klinkt wat ze doet als een soort nieuwe new wave waar voorzichtig op mag worden gedanst – bij de vocoderpop van “Blissful Morning Dream Interpretation” en het nieuwe “World Of Love” kan dat zelfs zónder naar je schoenen te staren. Het is dan ook erg jammer dat ze haar beste nummer, “Dance II”, in een vertraagde versie brengt, al past dat wel weer bij de dromerige ambient-rustpuntjes in de set, die met hun watergeluiden en etherisch gezucht nog het meest aan Enya doen denken. Voor wie daar niet van wegrent én bovendien een boon heeft voor popprinsessen met een duister kantje, is Discovery Zone in ieder geval eentje om in de gaten te houden.

Een korte rij maar, want: de Nederlandse delegatie heeft de Molotow overgenomen. En waarom we daar in godsnaam zouden willen zijn, Joost mag het weten, want wat Blanks aflevert is grootste-gemene-deler-pop die in het beste geval (“Wave”) rotaanstekelijk is en in het slechtste geval vooral naar easy money ruikt. Niet gek natuurlijk: melkmuil en ideale schoonzoon Simon de Wit is een YouTuber – “over a million subscribers”, moet hij toch even onsubtiel vermelden – die zijn fans laat beslissen hoe zijn nummers moeten klinken. Eighties pianootje of platte basriedel? Doe maar gewoon allebei en gooi er nog wat “You are my favorite nightmare / Get out of my head”-platitudes overheen, dat werkt sowieso. En natúúrlijk tovert hij voor “Bittersweet” een ukulele tevoorschijn, uiteráárd probeert hij publieksspelletjes te spelen met de hele Backyard – mag dat wel van de coronapolitie? Echt kwaad kan je er niet op zijn, daarvoor kijkt de Wit veel te blij bij wat hij aan het doen is, en de jongen heeft onmiskenbaar talent – zijn eightieshitversie van “Better Now” van Post Malone klopt volledig – maar alles hieraan voelt vreselijk gefabriceerd en daardoor recht in de Spotify-roos gemikt aan. Dus ja: Blanks wordt groot, héél groot. Haat hem nu al, voor het hip wordt.

Stond JJ Weihl daarstraks nog zelf op het podium als Discovery Zone, dan kampeert ze nu net als wij vooraan bij ML Buch. Begrijpelijk: de twee delen een voorliefde voor nummers over de afstand én connectie van technologie – zie songtitels als “I’m A Girl You Can Hold IRL” – en voeren die op gelijkaardige wijze uit, in hun eentje, met een hart dat onmiskenbaar bij de jaren tachtig ligt. Het duurt wel even voor je dat vanavond hoort: ML Buch begint stokstijf achter haar synth, die ze met maar enkele aanrakingen al het werk laat doen. Langzaamaan ontwaar je in de knetterende futuristische chaos alsnog een song: “Can You Hear My Heart Leave”, waarin de warmte van de melodielijn aangenaam botst met de onderkoelde beats. En dan is er haar stem, laag en helder, die in klap alle afstandelijkheid wegveegt. Soms, zoals in “Touching Screens” (“I’m touching screens / more than skin” – geen slechte openingszin voor een nummer), legt ze er een fijn laagje autotune overheen, maar dat misstaat niet. Verder gebeurt er niet eens zoveel, en toch blijft ML Buch fascineren, zéker als ze haar gitaar bovenhaalt voor voorzichtig rockend hoogtepuntje “Everybody Needs”. Tot nu toe winnen de vrouwen hier dus, en dat zal vanavond niet de laatste keer zijn.

Maar eerst nog een laatste trosje Belgen, om het af te leren. In de stemmige Mojo Club mag Glauque zijn Franstalige hiphop aan de man brengen. Want, zo horen we vooraf van hun lokale boeker: in Duitsland bestaat wel degelijk een niche-appetijt voor Franstalige muziek. Vreemd, maar goed, we hebben allemaal onze rare trekjes. En het kwartet is ook vanavond opnieuw zo op dreef dat de taal geen barrière vormt. Van bij de daverende instrumentale opener speelt de groep op kracht, met een daaropvolgend “Vivre” waarin frontman Louis Lemage erbij komt om zijn onstuitbare raps te spuien. Achter en over hem heen beuken de drums, steken de staccatosynths de lucht lek, bouwen ze onstuitbaar op om nooit meer los te laten.

Dat Glauque al wat lang teert op die debuut-EP van begin 2020 is duidelijk, en dus wordt dat geweldige materiaal grotendeels opzijgeschoven. Wat in de plaats komt, en de belofte van een eerste langspeler in zich houdt, overtuigt niet altijd helemaal. Al te vaak vervallen de heren in een formulaïsche aanpak waarin Lemage in een rustiger deel zijn verhaal mag doen, waarna de muziek openbarst en de groep er een dreunende instrumentale coda aan breit. Dat neemt niet weg dat het nog altijd een plezier is om de frontman over het podium te zien stuiteren, zijn woordendebiet over je heen te laten golven. In een van de laatste finales schreeuwt hij zich de ziel uit het lijf op een manier die ‘t.h.e.ra.p.i.e.’ spelt, maar wanneer hij ook in het afsluitende “Plane” helemaal over de rooie gaat, voelt dat als overschreeuwen.

Weinig kans daarop bij Los Bitchos, want als de best denkbare herrijzenis van The Shadows doen deze vrouwen het volledig instrumentaal. Of wacht eens. Vrouwen? Spotten we daar toch wat extra testosteron bij de leukste meidengroep van de laatste jaren? Ja en neen: voormalig groepslid Carolina Faruolo doet intussen iets solo en live worden haar taken overgenomen door wisselend mannelijk personeel – niet bij naam genoemd, dus vermoedelijk niet écht leden van de band, wel even enthousiast meedansend op de cumbia meets western meets psychrock als de rest. “Let’s dance!” moedigen ze ook het publiek aan, maar dat kijkt wel uit – geen ongecontroleerde bewegingen, weet u nog? Het is nochtans moeilijk stilzitten bij het onweerstaanbare geluid en spelplezier zonder remmen van dit vijftal, zeker als ze zich verliezen in de seventies freakout van “Bugs Bunny” of leentjebuur gaan spelen bij “Egyptian Reggae” – meer cowbell, meer! Het is bij momenten – in “FFF” bijvoorbeeld – maar een distortionpedaal verwijderd van psychedelische hardrock en het zit technisch minstens even goed in elkaar. Want vergis u niet: ja, het is met veel vrolijkheid en dansjes, maar die doen al eens vergeten dat Los Bitchos ook gewoon érg goeie muzikanten zijn. En dat ze toevallig de vier coolste vrouwen uit de Britse rock zijn? Alleen maar mooi meegenomen.

Ha, nog een oude bekende! Of liever: Hån, een oude bekende. Want het is ondertussen alweer bijna vier jaar geleden dat we Guilia Fontana met haar bedroom pop-project zagen op Eurosonic. Toen waren we danig onder de indruk van haar singletje “1986”, vandaag is van dat nummer en het geluid van toen geen spoor meer te bekennen. Zoveel jaar later heeft de Italiaanse beslist om óók, zoals zovelen, op de trein van de TikTok-popsterretjes te springen en dat gaat haar niet goed af. Begeleid door een gitarist/toetsenman en een drummer klinkt opener “Summer of ’96” ronduit flets, en ook “Leave Me” – over verhuizen naar een andere stad – is flauwe R&B-pop van vijf miljard in een dozijn. Een nummer eerder smijt ze ergens halverwege een “pow” tussen, op zijn Lordes. Ja, dat kennen we dus al. Fontana staat vreemd en ongemakkelijk op het podium. Ze klaagt dat ze het warm heeft, maar weigert haar gewatteerd jasje uit te doen. En voor een paar rustige nummers moet ze écht op de vloer gaan zitten. Gek genoeg werkt dat en klinkt ze beter wanneer het zo intimistisch wordt. De elektronische vibe van “It’s Better When I Sleep” past haar beter dan wat vooraf ging en wat volgt. De belofte van 2018 is wat ons betreft echter even weg. Misschien moet Hån dus toch opnieuw de kleinheid van haar slaapkamertje terugvinden.

Waarna (lt) verzuimt om opnieuw te gaan aanschuiven om een uur later in DEZELFDE zaal Bee Bee Sea te zien (blijven zitten mag natuurlijk niet, want ja, corona) en niet meer binnenraakt. Dóm! Het is deel van een vruchteloze zoektocht die vanavond ook twee keer langs de Headcrash zal passeren, een club waar de volle 32 – ja, TWEE-EN-DERTIG – mensen (maar dus niet (lt)) achtereenvolgens de toekomstige Duitse popsterren Thala en Ilira kunnen zien. Ofwel houden de programmatoren van Reeperbahn stiekem écht niet van popmeisjes, ofwel is een klein moment van bezinning over wie waar staat aan de orde.

Want Communions, dat in een veel grotere zaal speelt, is ook niet meer wat het geweest is. Waar de groep vijf jaar geleden op Eurosonic uitpakte met een vrolijk Britpopgeluid, dan is de tot duo herleide groep op zijn tweede plaat een pak minder begeesterend.

“Vroeger kon ik door de ondermaatse productie aan een plaat hóren dat ze Belgisch was”, vertelde Stijn Meuris eens over de pre-dEUS-tijden. Vandaag vragen we ons af of er ook iets is als “Deens” klinken, want tweede worp Pure Fabrication klinkt echt niet goed, en ook in de Moondoo Club overtuigt de groep niet. “Bird Of Passage” opent nog wel beter dan op plaat, maar toch hoor je meteen hoe dof het groepsgeluid en monotoon is geworden. Waar de vroegere gitarist Jacob von Deurs Formann de beperkte stem van frontman Martin Rehof van melodisch tegengewicht voorzag, krijgt die strot nu alle ruimte om te domineren en – vooral! – in slaap te sussen. In plaats van euforie krijgen we hier immers songs die voortstrompelen aan sjokkend tempo in een geluid dat op dof rommelen lijkt. Enkel in “Blunder In The Street” zit even wat pit. Waarna Reehof zijn eigen blundertje doet: “Tàkk. Euh: Thank you.” If this is Thursday, this must be Germany, Martin!

Nog één goeie herinnering aan vroeger. “Forget It’s A Dream” roffelt nog altijd lekker op een baggy beat die het vroege Blur heeft laten liggen en danst als het beste van Stone Roses. En opnieuw merk je: met een zanger als Reehof heb je een gitaar nodig die voor de melodie zorgt; dan werkt het. En dat deed het vandaag niet genoeg. Laat ons hopen dat Reehof en zijn bassende broer Mads niet nog eens vijf jaar nodig hebben om een derde plaat te schrijven en dat ze dan wel het heilige vat inspiratie van vroeger terug vinden.

De Odyssee van (lt) is ondertussen ten einde. “Ik zit bij Rosi”, stuurt ze. En Rosi, dat is een café, zo moet u weten, maar ook het soort barmoeder dat de wereld heeft gezien. Rosi heeft The Beatles nog gekend: daar kunnen wij qua goeie herinneringen niet tegenop.

Vrijdag 24 september

Neen, dat Reeperbahn is geen volwaardige vervanging voor dat dit jaar misgelopen Eurosonic, zo stellen we ook op Dag Drie vast. De organisatie is een rommeltje, de publieksspreiding een ramp, en de internationale gasten vallen ook al eens dik vet tegen. “Wat doen wij hier?”, vraagt een ontgoochelde (mvs) zich tussen de bedrijven door al eens af.

Maar toch kent deze dag een mooie start. Britse postpunk? Was dat vat na IDLES, Shame, Squid en Dry Cleaning nog niet af? Duidelijk niet, want Famous voegt zijn eigen kleurtje toe aan het palet. “Sad but fast”, benoemen ze dat zelf, en dat komt vooral neer op: zanger Jack Merrett spuwt al pratend een bizar, emotioneel verhaal, de twee andere leggen daar met gitaar, effecten en drums een dwarse maar potige soundscape onder. En dat werkt, want Merrett is het soort frontman dat aanwezig is, zijn stem theatraal in pathos laat overslaan, smekend brult, om weer droog te gaan praten. Met een bevreemd “wat was dit??”-gevoel – we stonden achteraan de Molotow, zagen geen knijt – staan we drie kwartier later weer op straat. Vrijdag is alvast goed begonnen.

Dat mag je dus nooit denken op een showcasefestival: (mvs) heeft de boel gejinxt, want het komt voor hem én (lt) voorlopig even niet meer goed. Die laatste had nochtans goeie herinneringen aan Amilli, tweeënhalf jaar geleden op Eurosonic. Net als toen is sensuele monotonie nog steeds het ding van deze Duitse, maar “Alone In The Rain” wordt zo wankel ingezet – ze worstelt met de hoogtes én de laagtes – dat dat meer noodzaak dan keuze lijkt. En zong ze destijds in “Rarri” nog “Don’t wanna see your Ferrari / Ain’t feeling your luxury / We’re not about that thing, sorry”, dan lijkt ze nu wel degelijk het pad van de nineties r&b-prinsessen te kiezen. Ze ziet er exact zo uit in haar strapless gouden glitterpak, maar ook muzikaal – zeker in “Die For You” is dit héél gladde, zuchtende bedroom pop, en dan niet in de gezellige knutselbetekenis van het woord. Bovendien maakt ze de jammerlijke keuze om letterlijk elk nummer, zelfs het zachte “Kinky Looks”, de vernieling in te helpen door een totaal onsubtiele combo van fletse gitaar, overdonderende elektronische drums en al de rest op tape. Net als bij Blanks gisteren levert dat een live-optreden op dat nooit helemaal echt overkomt, en dat is zonde: luister naar de Loft Arts Frames-versie van “Pulling Punches” en je weet dat dit met een andere inkleding een veel overtuigendere set had kunnen zijn.

Evenmin succes bij The Breakfast Club, dat helaas Frans is. Dat wil zeggen: theatrale gebaartjes die naar aanstellerij neigen bij zangeres Léonie Young, stugge zwijgzaamheid bij gitarist Julien Puyeau. Luie vergelijkingen met The xx en Beach House zijn al gevallen – ze zijn onterecht: in tegenstelling tot die bands weet dit Rijselse duo voor geen meter te boeien. “Oh Italy, love burns and disappears”, kreunt Young herhaaldelijk, en we begrijpen meteen waarom de Italian lover in kwestie het voor bekeken hield. Met zijn eeuwig sloom tikkende drumcomputer was The Breakfast Club niets om te herinneren.

Aha! Een rij over de halve Reeperbahn! Dan moet dit de Molotow zijn, met zijn club waar de iets grotere namen van deze editie voor vijftig man mogen komen spelen – zouden bands dat eigenlijk zelf een cadeau vinden, vragen wij ons dan af? Het publiek voor Pillow Queens mag ongeveer vijf minuten na het begin van de show de zaal in (onduidelijk of dat weer een coronamaatregel of gewoon nukkige security is), dus vallen we binnen midden in “Handsome Wife”. Of dat denken we toch te herkennen, want het geluid is hier een zelden gehoorde soep. En dan heeft drumster Rachel Lyons ook nog haar arm gebroken – haar opdracht vandaag: beetje backing vocals, veel bier – en wordt de vermoedelijk best sympathieke, maar niet helemaal goed ingespeelde vervangdrummer helemaal vooraan in de mix gestopt, waardoor de zang van Pamela Connolly in driekwart van de set compleet wordt verzwolgen door het lawaai.

Niet dat we hier perfectie verwachtten – daarvoor zit er iets te veel poppunk en rammel-indie in het geluid van Pillow Queens – maar het mooiste aan deze groep is wel hun rauwe en tegelijk wondermooie samenzang, en daarop blijft het veel te lang wachten. Het is pas als alles even stilvalt, voor het a capella einde van “Liffey”, dat we het Ierse viertal fatsoenlijk te horen krijgen, en dan klikt alles eindelijk toch nog een klein beetje in elkaar. De klank blijft bagger, maar het heerlijke refrein van “Rats” is niet kapot te krijgen en er bestaat nog steeds geen beter queer anthem dan “Gay Girls” – “I won’t worry about the gay girls / I pray for them when I wring my hands”, wij galmen dat al eens graag mee. Conclusie? In de club van de Molotow zien ze ons niet meer, bij Pillow Queens zeker en vast wel.

Wie geen zin heeft in lange wachtrijen doet er goed aan om de paar openluchtpodia van dit festival te checken, waar altijd nog wel wat plaatsen vrij zijn. Het grootste in die categorie is het ARTE concert stage, waar een man of duizend vanavond netjes op zijn toegewezen plek naar de elektronica van Weval II kan kijken. En dàt is een uitdaging, want wat wij en die 998 anderen hier willen, is dansen, zó hard dansen. Dat mag niet, maar het publiek is creatief: de rij voor het bier ontpopt zich tot een gemaskerde conga line – met ongeveer anderhalve meter afstand, natuurlijk – waarin mensen die niet graag op een afgebakende plek staan zich makkelijk een halfuurtje kunnen verschuilen. Het geluid van dit Nederlandse duo (de rest van de band mocht niet mee) nodigt ook uit tot verdwalen: de melancholisch knisperende beats en dromerige synths nemen rustig hun tijd, de zang doet af en toe aan het zweverigste van Nicolas Jaar denken, om uiteindelijk elke keer weer met een spacey climax te eindigen. De security knijpt hier een oogje dicht en de handen mogen alsnog de lucht in: een broodnodig momentje euforie op dit door corona ietwat gefnuikte festival.

Zaterdag 25 september

Zaterdag. Slotdag. Dag van uitkijken. Dag van ontgoocheling. De coronaversie van Reeperbahn loopt vandaag finaal op zijn grenzen en eindigt met een fikse kater.

Want ja, het verhaal dat vandaag al spannend begint, zal niet goed eindigen. We verklappen u een weetje: tot vandaag hadden uw (lt) en (mvs) als journalist nog een soort ‘priority boarding’ aan alle zalen. Dat was vaak al kantje boord – uw duo staat in die aparte rij nu eenmaal óók niet alleen – maar vandaag, na een lawine aan (terechte) klachten van het betalende publiek, is dat privilege ingetrokken. We maken dus een strakke – lees: ruime – planning op, waarin we voor elk optreden een uur aanschuiven uittrekken. Dat blijkt meteen al niet genoeg.

Boundaries zal beginnen om kwart na zes, om kwart na vijf staat het publiek voor de Molotow al aan te schuiven op de Beatles Platz – dat is al goed zo’n zeventig meter en evenveel man. Meedoen, dan maar, omdat het de achtertuin is en niet die vermaledijde club. (lt) stelt zich op ter hoogte van het olijke standbeeld van Ringo, (mvs) spurt vlug heen en weer voor wat pita en ‘warte-pilsner’. En dan komt de rij in beweging. Om weer te stoppen tien man voor uw verslaggevers binnen mogen.

We wachten geduldig onze kans af, zien het volk voor ons ontgoocheld afdruipen, collega’s met hun pasje in de hand tevergeefs van hun oren maken – zeg niet dat ons leven niet avontuurlijk is – en raken uiteindelijk een kwartier voor eindtijd binnen. Genoeg om het Deense gezelschap indruk te horen maken met luid, maar kortaangebonden lawaai. Noem het post-hardcore: iets hard, abstract, bruut, vinnig in de bochten, zelden écht melodieus, maar altijd meeslepend. Dat zanger Mads Gustav Grene er niet eens door komt, maakt niet uit; de gitaren voeren hier sowieso het hoogste woord.

En daarmee zijn we begonnen. (mvs) gaat alvast postvatten in een nieuwe rij, terwijl (lt) met de fiets richting Drauβen im Grünen trekt. Dat is geen band, maar een OLT-achtig podium in het gigantische park Planten un Blomen, een aangenaam eindje weg van de Reeperbahn. Is het die setting die ons milder maakt, of ligt het toch gewoon aan de warme indiefolk van Black Sea Dahu zelf? Want wat is dit mooi, zo ongelooflijk mooi: de lage, androgyne stem van de Zwitserse Janine Cathrein doet ons vanaf de eerste zinnen van “Big Mouth” de oren spitsen, en als ook de rest van deze zeskoppige band invalt, zijn we helemaal verkocht. Meteen daarna volgt de dubbelslag “White Creatures” – twee prachtnummers voor de prijs van één – zachtjes gloeiend, dankzij dat een lichtvoetige Graceland-baslijntje dat de song doet openbloeien en het soort samenzang waar broers en zussen (de helft van de band) toch altijd net iets beter in zijn.

Dit moet overigens wel de liefste groep van deze vierdaagse zijn: de gitariste die op haar sokken staat te spelen, het nummer voor hun dementerende oma, de zachtjes zoemende backing vocals, en zelfs hoe ze hun bindteksten vertalen naar het Duits voor wie geen Engels begrijpt. Het grootste bezwaar dat je dus kan hebben, is dat er erg weinig randjes aanzitten – en net wanneer we dat bedenken, zetten ze “The Core” in: een donkerder nummer, met meer effecten, gezamenlijke uithalen en een slot dat van Big Thief had kunnen zijn. “Hoe is dit nog niet doorgebroken?”, schreven we in ons notitieboekje. Laat het een aanmoediging zijn.

Ondertussen is (mvs) aan een kort blokje Duits toe. Uurtje Schlange, twintig minuten Mia Morgan; zo is de verhouding. Want hoe populair de emotioneel fragiele zangeres ook bij haar jonge seksegenoten is, wie ooit al eens de Duitse output van ruwweg vijfendertig jaar geleden heeft gehoord, ziét het al in de bombastische intro aan de muzikanten. Zwarte oogschaduw hier, nektapijtje daar, … Yup, dit grijpt terug naar de goeie oude stadionrock van de jaren tachtig. De stem van Nina Hagen heeft ze niet, maar de trashy bubbelgumlook – weinig verhullend slaapkleedje, staartjes, rode oogschaduw – van Morgan hengelt naar de vergelijkingen, net als titels als “Waveboy” of “Gothgirl”. Ja, zo plat, maar meezingbaar klinkt het wel. Zo onnodig ook. Wij weg dus.

Achteraf eens setlist.fm gecheckt, en die Marina-cover “Bubblegum Bitch” hebben we dus gemist, maar we zijn tenminste binnengeraakt in de geweldig genaamde club Übel und Gefärlich. We kijken onze ogen uit wanneer we in de gigantische voormalige luchtafweerbunker naar boven worden geleid. Een sigaretje in de rookruimte geeft het gevoel alsof je nog altijd in het salon tussen de Offiziere van het Dritte Reich vertoeft.

Wanneer de laatste rook is geïnhaleerd, staat Betterov op het podium, maar daarmee zijn we niet écht beter af. Manuel Bittorf klinkt een beetje als Morrissey als die Goethe in de originele taal had kunnen lezen en is heel erg blij dat hij eindelijk weer op een podium mag staan. Voor ons voelt het een beetje alsof we een Duitse journalist zijn die begin jaren negentig naar Gorky of De Mens staat te kijken: afgaand op het publiek zal het wel goed zijn, maar waarom? Die erg beperkte zanger moét wel een poëet zijn, niet? Want van de competente, maar wat belegen rock zal het toch niet komen. Neen, we zijn niet echt onder de indruk, of het zou moeten zijn van de imposante traphal die ons wegleidt uit deze zo onverwoestbare bunker dat men er dan maar doodleuk een hotel op aan het bouwen is. Pragmatiek; het blijft het Duitse levensmotto.

En dan stond er dus nog iets helemaal bovenaan ons lijstje in de Nochtspeicher waarvoor anderhalf uur aanschuiven nóg niet voldoende bleek. Neen, we willen het daar niet over hebben, maar ja, het was King Hannah, en die hebben wel degelijk meer dan 65 fans. Laat ons dus maar gewoon bier hijsen bij Rosi en ons verdriet verdrinken, en dan denken we nog eens na over dat hele Reeperbahn Festival volgend jaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 2 =