Billy Nomates :: Billy Nomates

Soms is niet meer nodig dan persoonlijkheid. Als Billy Nomates een nummer maakt, klinkt dat niet als een song, maar alsof iemand toevallig net de juiste backing track heeft opgezet terwijl ze aan het tafeltje achter je haar vriendin bijpraat over de week. En alsof dat geen afluisteren is, kun je niet anders dan aan haar lippen gekleefd blijven.

“I made a run for it once / I just end up back at square one, ‘cos they could smell me from a mile away”. Er was een moment dat Tor Maries geloofde dat ze zichzelf uit haar arbeidersachtergrond kon opwerken, die leugen van het neoliberalisme was snel doorprikt: “I was born with a fork not a spoon, and things fall through”. Het was terug naar uitzichtloze nulurenbaantjes, een leven van eeuwig ploeteren. Een relatiebreuk zond haar helemaal de dieperik in. Maar het was toen, op een Sleaford Modsconcert als zeldzaam uitje, dat ze Billie Nomates werd: zelfbewuste artieste, vrouw met een mening, allround franke teut.

“No”. Dat werd haar devies, en dat voelde als een bevrijding. “No, I won’t shave everything off / I’m not twelve”. Ze zegt het deadpan; als het feit dat het is, vooraleer ze in een zeldzaam swingend refreintje uitbarst. Maries ziet er niet alleen uit als uw lastige, dwarse nichtje, zo klinkt ze ook. Het nektapijt mag dan “hipster” spellen, de afkeer voor de “Hippie Elite” druipt van de gelijknamige single. “Well i wanna save the whales too / But it’s a fucking Wednesday afternoon / So a canvas bag and a smile is the best I got for you”. Refrein? “Hug a tree for me”.

Maries heeft meer last met het einde van de maand dan het einde van de wereld, en dus zijn haar prioriteiten navenant. Overleven is al heel wat, vindt dit product van tien jaar austerity, voor wie de klassenmaatschappij nooit een theoretisch concept was. Het zijn de “FNP”, “forgotten normal people”, die haar songs bevolken. En daar hoort ze ook toe. In “Call In Sick” kronkelt ze als de gladste paling om toch maar niet te moeten gaan werken in een serie instant-citeerbare bon mots: “See Iʼve been up all night with one of the worst cases this town has ever seen. And if I come in, Debbie, Iʼm gonna take down the whole team. And then I’ll have blood on my hands. (…) you know it’s for the greater good. And I’m thinking of you, and your children’s children’s future. It’s the only decent thing to do.”

Stop ons voor we niet meer te houden zijn, en blijven citeren.

Muzikaal mag u aan Sleaford Mods denken. Als Portishead-opperhoofd Geoff Barrow zich ondertussen ontpopt heeft tot producerende peetvader en labelbaas, dan zijn Jason Williamson en Andrew Fearn op zijn minst goedkeurend knikkende nonkels. De manier waarop Billy Nomates genoeg heeft aan wat droog geprogrammeerde beats en minimale inkleuring heeft ze geleerd van de laatste, de eerste mag opduiken in het melodieuze “Supermarket Sweep” waar het avontuur begint met een geërgerd “Clean up in aisle seven! Barryʼs spilt his guts out again. Heʼs all over the cereal and people are starting to complain”.

Sorry. Nog eentje anders?

Misschien “Fat White Man” waarin machtsverhoudingen op scherp worden genomen? “She looked at him, he looked at her I looked at you. Well you’re a damsel in that dress, Lisa, and neither of us are getting any younger. Iʼm an executive and your games hunger.” Het oordeel is genadeloos: “Seriously, buy the most expensive car you want: You’re goin’ bald”. Het klinkt overigens alweer anders dan wat voorheen kwam. Hoe minimaal Maries haar begeleiding ook houdt, eentonigheid ligt niet op de loer. De donkere bluesgitaar van “Fat White Man” is niet de gortdroge funk van “FNP” of de droge punch van “Wild Arena”, laat staan de prettige synthpop van afsluiter “Escape Artist”.

Een visitekaartje van net iets meer dan een half uur; soms is dat genoeg om de wereld te veranderen. Billy Nomates heeft zich aangemeld, en gaat niet meer weg; dat is wel duidelijk. U bent gewaarschuwd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − 8 =