Le Guess Who? :: 19 – 22 november 2015

Vier dagen rondhossen in de Nederlandse studentenhoofdstad Utrecht voor het underground-avant-gardefestival Le Guess Who?, er zijn er al voor minder voor hipster uitgescholden. Maar geen nood, tussen de geföhnde snorren, zelfgebreide mutsen en opgerolde skinny’s is Le Guess Who? vooral een ontdekkingsfestival, met een werkelijk gi-gan-tisch programma uitgezaaid over maar liefst 18 verschillende locaties over heel de stad. Team enola trok de hippe sneakers aan, haalde de kam door de baard en trok onverschrokken het Utrechtse nachtleven in, op zoek naar ruwe diamanten in de muzikale mijnen van de underground.

Dag 1: Gebreide truien en paganistische blasfemie

Van zodra je de monumentale concertzaal TivoliVredenburg, het kloppende hart van Le Guess Who?, binnenwandelt, valt je meteen de uitermate losse en vriendelijke sfeer op. Geen controles, geen fouilleringen, amper security en iedereen is vriendelijk, uitgelaten zelfs. Wat een verschil met de supergespannen sfeer die we de laatste week in de Belgische muziekzalen hebben mogen meemaken. En dat doet deugd. Mensen die elkaar vinden in de gezamenlijke liefde voor muziek, daar draait het toch allemaal om, nietwaar?

Bon, genoeg sentimenteel gezwets, op naar de eerste halte van ons vierdaags avontuur, namelijk de historische Janskerk in het midden van Utrecht, waar de Amerikaanse bosnimf Julia Holter haar zweverige artpop door de laatgotische kerk zal laten klinken. Haar optreden begint met een impromptu interpretatie van Karen Armstrongs “My Love, My Love”, dat ze opdraagt aan de slachtoffers van de Parijse aanslagen, wat een ingetogen maar beklijvend moment oplevert. Maar wanneer Holter aan haar eigen set begint, is de magie helaas snel verdwenen. Dat heeft zeker met het geluid in de Janskerk te maken (wie programmeert er ook in godsnaam een band met een drummer in een middeleeuwse galmbak), maar ook de nummers van Holter verzwelgen in een overdaad aan artiness, waardoor de vocalen, viool, bas en drum elk hun eigen zin willen doen, zonder echt de ambitie te hebben om een coherent nummer te maken. Julia Holter duikelt met haar twee voeten in de val van o zo veel middelmatige artpop-artiesten: te veel geneuzel, te weinig body.

Bij aankomst in de prachtige grote zaal van TivoliVredenburg is The Notwist al een goed halfuur aan zijn set bezig en we merken meteen dat de band in bloedvorm verkeert, en het publiek ook. (lh) is geen grote kenner van het oeuvre van deze Duitse band, die al sinds 1989 meedraait en overduidelijk nog altijd grossiert in de indietronica. The Notwist speelt strak, fel en meeslepend. Een van de nummers (na enig opzoekingswerk blijkt dat “Neon Golden” te zijn) heeft een hypnotiserende kracht om u tegen te zeggen en groeit zelfs langzaamaan uit tot een technosong. Indrukwekkend en origineel. De aanwezigen op de middenvloer gaan dan ook compleet uit de bol.

“Gravity” is totaal andere koek en wordt vooral gekenmerkt door een rauwe instrumentale kracht. Maar opnieuw horen we een potpourri van stuwende elektronica, krautrock, jazz en shoegaze. We beseffen goed dat The Notwist een allesbehalve voorspelbare band is, evenmin in zijn setlist. Want het bloedmooie en ontroerende “Consequence”, dat op herkenningsgejuich wordt onthaald, is het volgende nummer in de rij. Het nummer bloeit langzaam open tot zanger Markus Acher “Leave me paralysed / leave me hypnotised” zingt. Kippenvel is dan ook onvermijdelijk. Een hoogtepunt van de eerste verrassing van Le Guess Who?

(bvp) heeft zich inmiddels naar concertzaal De Helling in een uithoek van de stad begeven waar een groot stuk van de door Sunn O))) gecureerde affiche zal aantreden. Stephen O’Malley en Greg Anderson zijn alvast aanwezig en slaan een praatje met vrienden, kennissen en passanten. Er heerst een rustige, gezellige sfeer in de Helling, wat in schril contrast staat met de herrie die vanavond op het podium zal losbarsten, te beginnen met het Franse Chaos Echœs, die een vettige cocktail van death, doom en postmetal brouwen. Van suspense opbouwen heeft het Franse viertal blijkbaar wel Camenbert gegeten, want tot een stuk in de intro van het openingsnummer blijft de band verscholen achter een gigantisch zwart gordijn. Maar zodra dat gordijn opzij schuift, zien we gewoon vier in het zwart geklede kerels op instrumenten rammen. Noem ons cynisch, maar wij hadden toch een paar halfnaakte dansende amazones verwacht. Of op zijn minst een paard. Passons, als de muziek maar meevalt zeker? Helaas, driewerf helaas. De inspiratieloze post-death is technisch uitstekend, maar de in zichzelf gekeerde performance slaat geen vonken met het publiek. Ook de meer eigenzinnige uitspattingen werken voor geen meter, en halen de vaart uit een toch al weinig opzienbarende set. Het geluid in de Helling, dat minstens 10dB te zacht staat, helpt bovendien amper om de goedbedoelde intensiteit de zaal in te jagen. Wij moesten zelfs geen oordoppen dragen. Maak dat mee tijdens een metalshow.

Voor (lh) is het eclectische Avec Le Soleil Sortant De Sa Bouche, afkomstig uit Montréal en geselecteerd door het Canadese label Constellation Records, de eerste ontdekking van het festival. De bandleden zijn naar verluidt allemaal actief in experimentele rockcommunities van Montréal en dat is er aan te horen. “You are welcome to dance with us!”, roept de frontman het publiek toe en dat toont zich meteen gehoorzaam. Eerst toont de band zich als een kruising van tUnE-yArDs en Battles, maar dan worden plots verschroeiende gitaren in de gehoorgang geboord. Het heeft allemaal iets ritualistisch en tegelijk onweerstaanbaar. Het afsluitende nummer bijvoorbeeld combineert een aanstekelijke hoekige groove met poppy samenzang. Heerlijk eigenzinnige band, die ook op Dour volledig tot zijn recht zou kunnen komen.

Geen metal bij het geestig genaamde Grumbling Furs, maar twee Engelse nerds die allerhande capriolen uithalen met een paar sequencers, heel veel knoppen en allerhande speelgoed zoals belletjes, handklappers, viool, fluit, notaboekje, bas en een microfoon of vier. En de strapatsen die ze daarmee uithalen, zijn intrigerend, opmerkelijk en zelfs erg goed te noemen. De set begint als een sjamanistische ambienttrip, waar gaandeweg rudimentaire beatsequenties, baslijnen en zang in doorsijpelen. Middenin de set kan je zelfs spreken van een dansbaar, zpoppy en melodieus moment. De afwisseling tussen ingetogenheid en plezier zorgt voor een onverwacht sterk optreden, behalve dan voor de die-hard metalheads, die en masse met een zuur gezicht afdruipen. Bonuspunten daarvoor.

Oh ja, tussendoor kunnen we bij Faust nog bijna een nieuwe trui afhalen. Op het podium zitten drie vrouwen doodleuk te breien. Was er ook iets boeiends te horen bij Jean-Hervé Peron en zijn volgelingen? Jawel, maar voor sommigen komt de krautrock van Faust — Radiohead, Sonic Youth en The Flaming Lips noemen hem een invloed — waarschijnlijk over als experimenteel geneuzel. Neen, Faust kan je niet echt muziek noemen, eerder een LSD-trip. Of zoiets. Anyway, we moeten ons alweer haasten naar de volgende afspraak: Last Ex, het project waarmee Simon Trottier en Olivier Fairfield in de Pandora-zaal van TivoliVredenburg aantreden. Last Ex bestaat uit twee leden van Timber Timbre. Hun muziek was oorspronkelijk bedoeld als soundtrack voor een horrorfilm, maar de ongebruikte muziek werd op plaat uitgebracht. Het klinkt live allemaal iets te afstandelijk en te oppervlakkig. Ligt het aan het (iets te) lage geluidsvolume of zijn de mannen gewoon moe? Er heerst geen complete teleurstelling. De rusteloze, dreigende nummers passen als het ware perfect bij het angstklimaat dat vandaag de dag gecreëerd wordt. Trottier laat dan ook de betere psychedelische maar onheilspellende surf uit zijn gitaar komen en Fairfield is een klassedrummer — die ook nog eens de synths voor zijn rekening neemt — maar het mag de volgende keer net dat tikkeltje meer zijn. En eigenlijk hebben wij Belgen met Condor Gruppe een rijker klinkende, door soundtrack geïnspireerde band in huis. Misschien klinkt Last Ex iets te kil voor ons?

Een van de optredens waar we al een hele tijd naar uitkeken, was dat van het Zwitserse Bölzer. Dit duo uit Zürich maakte al enige tijd furore met een aantal extreem goeie EP’s en een klok van een livereputatie. En van zodra het tweetal het podium bestijgt, weten we waarom: zanger/gitarist Okoi Jones is werkelijk een gigantisch afgetrainde, volgetatoeëerde, verwilderde übermensch. Zo’n imposante verschijning kom je niet zo veel tegen, zelfs in de ruigste metalmilieus. Komt daar nog eens bij dat de kerel werkelijk fenomenaal gitaar speelt. Neen, echt, de gigantische arpeggios die Jones uit zijn battle axe sleurt, zijn gargantuesk en monsterlijk. In contrast daarmee staan de spartaanse, maar razende drums van Fabian Wyrsch. De set komt echter eerder aarzelend op gang, wat ook weer te wijten is aan het kinderlijk laag volume in de zaal. Maar in de tweede helft van het optreden wordt de massieve oerkracht van Bölzer duidelijk. Vooral het woeste tweeluik “Entranced By The Wolfshook” en “C.M.A” zijn fucking fantastisch. Verwachtingen ingelost: alles kapot.

Aaah, Om, de zalving voor de geest na de paganistische blasfemie van Bölzer. Dat is ooit anders geweest. Toen Al Cisneros nog vervoegd werd door drummer Chris Hakius, was Om een denderende stonertrein richting spirituele catharsis. Nu Hakius is vervangen door de technisch begaafdere Emis Amos en multi-instrumentalist Robert Lowe, is die trein een paar versnellingen trager gaan rijden, en versierd met Indische sari’s, sitars, belletjes en andere tierlantijntjes. Dat wordt meteen duidelijk gemaakt in openingsnummer “Gethsemane”, dat zweeft op een tapijt van broeierige bas, tribale drums en Oosterse instrumentatie. Op “State Of Non-Return” wordt de distortionpedaal een zeldzame keer ingeduwd, maar zorgt dat ervoor dat het nummer een donkere, bijna viscerale trip wordt. Maar het is de uitvoering van het oudere “Bima’s Theme” vanop het meesterwerk Pilgrimage en tot een slordige twintig minuten wordt uitgesponnen dat voor het hoogtepunt van de avond zal zorgen. De eerste tien minuten worden solo door Cisneros in het bijna pikkedonker gebracht, waarna de voltallige band als een monoliet het tweede deel inzet om langzaam maar zeker het denderende vehikel tot stilstand te laten brengen. En weg waren ze, als een djinn die zelf drie wensen over het publiek in De Helling uitstrooide: innerlijke rust, consecratie van de geest en overstijging van het bewustzijn. Wat meer basvolume had ook gemogen.

Na Om beseffen we dat een dj-duo zo’n onwaarschijnlijk geniale set zeer moeilijk kan overtreffen, maar Demdike Stare valt niet tegen. Wel integendeel, Miles Whittaker en Sean Canty kunnen van begin tot einde boeien met een bij momenten ijskoude en loeiharde set, die zowel doet denken aan Autechre, Underworld als Burial. In De Helling klinken de exotische invloeden, waar het duo zich door laat inspireren, dan wel minder goed door, hun passie voor horror en het occulte overheerst. De beats en samples zijn angstaanjagend en dat effect wordt nog eens versterkt door de indrukwekkende visuals. Koude rillingen sijpelen het ruggenmerg binnen en de haartjes op de armen veren regelmatig recht. Vooraan slaan enkele aanwezigen zelfs aan het dansen. De Helling wordt even omgetoverd tot een tweede Berghain-club. Missie geslaagd dus voor Whittaker en Canty. Het perfecte einde van een zéér geslaagde eerste dag van Le Guess Who?


Dag 2: Alles opslokkende vulva’s en noise-explosies

Na een aperitief met een overheerlijke La Trappe en de obligate kroket uit de muur zijn (lh) en (bvp) klaar voor dag twee, die in het teken staat van het hardere gitaarwerk. De eerste kampeert de hele avond in het reusachtige Tivoli-gebouw, de tweede ontsnapt ruim op tijd naar De Helling voor zijn bij voorbaat favoriete act van de dag: Chelsea Wolfe.

Onder het motto: het moet niet altijd black metal zijn, steekt (bvp) zijn oren in Tivoli Ronda eens binnen bij The Besnard Lakes. En hij ontdekt daar een hoogst aangename indieband met sterk gearrangeerde songs, die opvallen door de knappe zangpartijen met bij momenten vierstemmige harmonieën. De band uit Montréal oogt gerodeerd en perfect op elkaar afgestemd. Dat hoeft ook niet te verwonderen als je weet dat zanger/gitarist Jace Jasek en bassiste Olga Goreas naast het podium ook een trouwboek delen. Ook muzikaal zit het snor: gitaararrangementen met genoeg bijt, keyboards met net genoeg pit en een ritmesectie met net genoeg punch om de soms zeemzoete melodieën kracht bij te zetten. Perfect gedoseerd optreden. Dat moet een fantastisch huwelijk zijn.

Na The Besnard Lakes is de tweede aangename verrassing van de dag een feit: de pletwals genaamd Titus Andronicus. Met The Most Lamentable Tragedy heeft de band rond zanger, gitarist en frontman Patrick Stickles onlangs een vijfdelige rockopera verspreid over 29 tracks, twee schijfjes en meer dan 90 (!) minuten uitgebracht. Om met de deur in huis te vallen: de drive die de band op plaat tentoon spreidt, is live van bij het eerste nummer voelbaar — wat een energie! “I Lost My Mind” kan je alvast letterlijk interpreteren, want Stickles gaat wild tekeer op het podium. De band, met drie gitaren en een keyboard in zijn gelederen, raast aan een rotvaart door zijn set. (bvp) moet bij momenten aan Social Distortion denken en is ook overtuigd. De pompeuze rock-’n-roll doet ook erg aan Hüsker Dü, The Pogues en The Clash denken, maar de band heeft wel een eigen smoel met warmhartige samenzang (“Fatal Flaw”), straffe, harmonieuze gitaren (“Fear & Loathing in Mahwah, NJ”) en een stevige portie energie (in elk nummer) als opvallendste troeven. Naarmate de set vordert, klinkt Titus Andronicus steeds leuker én luider. Het publiek vooraan raakt ook steeds meer opgehitst. En terecht. Een band die volgend jaar wel eens furore zou kunnen maken op de zomerfestivals.

Bij sommige bands hoor je haast meteen de stad waar ze vandaan komen. Protomartyr is er zo een. Het viertal is afkomstig uit Detroit en de tristesse van de in verval geraakte industriestad druipt ervan af. Maar er is meer, veel meer. Protomartyr is niet dat type postpunkband die de gitaren en drums eindeloos laat doorrazen. De spanning wordt onderhuids opgebouwd zoals je bij weinig genregenoten vandaag hoort. Soms klinken de gitaren subtiel (zoals in “Cowards Starve”), soms boren ze venijnig in de oren (“Dope Cloud”). Bij dat laatste, superieure nummer gaat het publiek in een eivolle Pandora-zaal volledig, maar dan ook volledig los. Dan is er ook nog zanger Joe Casey, die nonchalant over het podium dwaalt maar met zijn Nick Cave-achtige stem wel de aandacht weet te trekken. De teksten “Why does it shake? / The body, the body… / Why does it move? / The fear, the fear…” blijven als een mantra in het hoofd rondspoken. Protomartyr zet met andere woorden een rauw en intens optreden neer en zou zeker niet misstaan op Pukkelpop. Hallo, Eppo?

In de reeks “de heropstanding van de shoegazebands” zijn we intussen aangekomen bij Swervedriver. Als een van de meer melodische bands in het genre hebben deze mannen uit Oxford zich gespecialiseerd in korte, puntige en goed in het oor liggende nummers met dromerige vocalen en een stevige ruggengraat. En de band lost aan het begin van het optreden de verwachtingen feilloos in. Vooral de ritmesectie, waarin we ex-Supergrassbassist Mick Quinn herkennen, staat sterk te spelen. Uiteraard komt de nieuwe plaat I Wasn’t Born To Lose You aan bod, zoals met het sterke “Autodidact”, maar ook klassiekers als “Rave Down” uit het gelauwerde Raise passeren de revue tot grote vreugde van het oudere publiek in de zaal. Naarmate het optreden vordert, verliest de set echter aan spankracht door een aantal uitgesponnen jams die niet echt ergens naartoe lijken te gaan, maar over het algemeen is dit een erg tof optreden. Alleen die typische shoegaze-wall of sound, die was nergens te bespeuren. Maar in de jaren negentig waren er natuurlijk nog geen geluidsnormen.

Veel minder subtiel gaat het er vervolgens aan toe in de Pandora-zaal, want de vandalen van METZ betreden het podium. Ze zijn met slechts één missie naar Utrecht gekomen: zichzelf én het publiek de vernieling in spelen. Wie METZ eerder dit jaar al aan het werk zag, weet dat elk nummer een nietsontziende brok noiserock is waarin de geest van het vroege Nirvana rondwaart. Dat is meteen ook het grootste zwaktepunt van de drie wildemannen. Dus een hele set boeien, lukt niet.

Opnieuw gewelddadige gitaren, maar dan uitermate boeiend dankzij de Limburgse helden van Evil Superstars. Vanaf de intro van een oorverdovend “Satan Is In My Ass” tot de laatste noten van het waanzinnige “I”m On A High” heeft het vijftal het publiek in de greep. Na passages op Pukkelpop, in Luik en De Kreun in Kortrijk is Utrecht de laatste halte voor duivel-doet-al Mauro Pawlowski en co. Die trekt volgende maand weer de hort op met dEUS voor een semi-akoestische tournee. En God weet met wat hij volgend jaar weer gaat uitpakken. In de Ronda-zaal van TivoliVredenburg mag de flamboyante gitarist nog even zijn krankzinnige zelve uithangen. De aanwezigen staan er met open mond naar te gapen. Maar ook spitsbroeder Tim Vanhamel, die “If You Cry (I’ll Go To Hell)” naar een hoger niveau tilt, verdient alle lof.

Een vroeg hoogtepunt is “B.A.B.Y.” en vervolgens maken “Cosmic Dance” en “Hail The Rectangle” de waanzin compleet. Het eerste nummer, gevormd door dikke lagen gitaarnoise en elektronica, is werkelijk overrompelend. “Hail The Rectangle” kan je gerust stoner-doom met injecties van noise, kraut en spacerock noemen — de wolvengeluiden krijgen we er gratis bij. Na een door Pawlowski aangekondigd “ontspanningsmoment” wordt nog een bommetje (“I Can’t Seem To Fuck Things Up”) gedropt. Dan hebben we nog niets gezegd over de beelden die op een reusachtig scherm geprojecteerd worden. Die zijn op z’n minst bizar te noemen: we zien niet alleen veel naakt (vrouwelijk) vlees, maar ook schedels, oogkassen en alles opslokkende vulva’s. En zo is er geen ontspannen aan in het onaardse universum van Evil Superstars. Met minder vuur wordt de verplichte encore “Sad Sad Planet” afgehaspeld; eigenlijk het minste nummer van een waanzinnig goede set. Mijn dag is goed, denkt (lh). Hij vraagt zich tot slot nog af wanneer die verdomde reünie van Millionaire er eindelijk komt.

(bvp) heeft intussen zijn adres laten wijzigen naar De Helling, waar duistere walkure Chelsea Wolfe aan haar set gaat beginnen. De zaal staat al afgeladen vol met mannen van meer dan middelbare leeftijd die nog staan uit te hijgen na de show van hun jeugdidool Arthur Brown, maar die vluchten in drommen naar de uitgang wanneer de eerste duistere tonen van “Carrion Flowers” uit de magistrale LP Abyss door De Helling dendert. Godzijdank is het volume hier geen spelbreker: de pikzwarte gitaar- en baslijnen blazen als een kolkende vortex door de zaal, waardoor topzware nummers als “Dragged Out” en “Iron Moon” als giganteske stromen kokend lood over het publiek worden uitgegoten.

Wolfes oeuvre is globaal gesproken erg gevarieerd, met uitstapjes naar folk en indie, maar vandaag is daar in geen velden of wegen iets van te bespeuren. De ganse set is één en al duisternis, desolaatheid en zwartgalligheid, en sleurt je meedogenloos mee de diepte in. Absolute climax is “Survive”, dat door Wolfes gitaarlijn een reële dreiging meekrijgt. De ontlading die erop volgt, is even gruwelijk als cathartisch, met de tribale drums en oorverdovende baslijn die het nummer aan flarden rijt. De set wordt afgesloten met een ziedend “Pale On Pale” vanop Apokalypsis, waarna Wolfe op haar knieën een verscheurend gekrijs door haar gitaar laat jagen. Na de kletterende noise-explosie als coda, blijven we verdwaasd en weerloos achter met de daver op het lijf. Gelukkig hoeven we even niet de donkere en koude nacht in, want de zin van het leven is ons even ontglipt, en we hebben nood aan wat menselijke warmte en gemoedelijkheid om hiervan te bekomen.

Nauwelijks hersteld en nog wat verweesd, strompelt (bvp) door De Helling, waar hij het optreden van Virus aanschouwt, de progband van Noorse metallegende Carl-Michael Eide, die in de jaren negentig vooral furore maakte als drummer in de prille Noorse black metalscene bij bands als Dødheimsgard, Satyricon, Ulver en zelfs Dimmu Borgir. Na een ongeval verloor Eide het gebruik van zijn voeten, waardoor zijn muzikale output zich beperkt tot Virus, waar hij gezeten op een bureaustoel de gitaar bestiert. Dat doet hij trouwens uitstekend met knappe, gecompliceerde riffs die qua stijl aanleunen bij zowel prog als black metal, maar qua toon een eerder klassieke, bijna country-achtige sound hebben. Dat geluid blijft constant doorheen het ganse optreden (Eide kan natuurlijk ook geen effectpedalen bedienen), wat niet bevorderlijk is voor de variatie. Gelukkig zijn Virus’ drummer en bassist van uitstekende kwaliteit, waardoor het ganse optreden voor techniciteit alleen al een dikke voldoende haalt. De ritmische drive die het gitaarspel ondersteunt maken dat dit optreden van begin tot eind wel kan boeien, maar nu niet meteen onvergetelijk zal worden. Toch groot respect voor Eide, die na afloop uiterst moeizaam, maar zichtbaar apetrots het podium verlaat. De menselijke warmte die ons bij Chelsea Wolfe had verlaten, is er weer.

Alsof al die gitaren nog niet genoeg waren, sluit (lh) in de bovenste zaal van TivoliVredenburg af met A Place To Bury Strangers. In De Kreun en op Dour bevestigde het verschroeiende trio uit Brooklyn wel al zijn status als een van de luidste bands van deze aardkloot, dus waarom zouden we hen nog eens checken — en daarvoor voor de zoveelste keer de roltrap naar de top van het concertgebouw nemen? Omdat de post-punk van frontman Oliver Ackermann, bassist Dion Lunadon en drummer Robi Gonzalez telkens opnieuw een hypnotiserende ervaring is. Maar ditmaal gaan ze er ferm over. En niet alleen op het vlak van decibels. In tegenstelling tot de voorgaande concerten horen we geen nummers meer, maar véél noise. Gecombineerd met de epileptische lichtshow wordt het concert als het ware een fysieke ervaring. Het is echter ook een weinig verrassend concert dat meer weg heeft van een spoedcursus hoe-ram-ik-mijn-gitaar-net-niet-kapot. Kleine teleurstelling dus.

Aluk Todolo maakt gelukkig heel veel goed. Het trio is al jaren dikke maatjes met Sunn O))) (we zagen ze al voor hen openen in het fort van Hoboken enkele jaren geleden), dus het was dan ook geen toeval dat het eigenzinnige Franse trio op het door O’Malley en Anderson gecureerde event verschijnt. De drie Fransozen zien eruit als echte black metalbosberen, maar klinken muzikaal als een denderende krauttrein die de psychedelische muzikale kosmos doordraaft. Wat Aluk Todolo fabriceert is bevreemdend, energetisch, occult en volstrekt uniek. De primitieve omkadering met enkel het logo en een grote hangende lichtpeer geeft het geheel een mystieke toets. We zijn niet zeker of het trio in een soort van trance speelde, maar vooral drummer Antoine Hadjioannou speelt de ganse set aan één verschroeiend stuk door met zijn ogen naar achter in zijn hoofd gerold, wat hem de meest spookachtige verschijning van het festival maakt. Veel kunnen we, bij gebrek aan referentiepunt, niet kwijt over de set, maar we hebben er van begin tot eind met open mond naar staan kijken. Afsluiten op een hoogtepunt, het begint hier al een goede gewoonte te worden.

Dag 3: Zweten, zweten en nog eens zweten

Hoera, weekend! Na een verkwikkende nachtrust van toch zeker vier uur bereiden we ons voor op dag drie van Le Guess Who? Terwijl het vaderland in een collectieve paniekaanval verzuipt, huppelen wij verder door de Utrechtse muziektempel TivoliVredenburg, want de rode draad is ook op zaterdag kwaliteit, kwaliteit en nog eens kwaliteit. Om die reden moeten er opnieuw dilemma’s opgelost worden. Op welk festival spelen Kamasi Washington en Sun O))) gelijktijdig? Juist ja: Le Guess Who?.

Door het afzeggen van de Russische tantrismestemkunstenaars van Phurpa, wordt het openingsslot van zaal Ronda ingenomen door de gelegenheidstandem van Dylan Carlson & Rogier Smal. Nu ja, in 2013 verscheen van beide heren het album Elephanto Bianco, waarin Carlson en Smal in vijf composities elkaar aftasten om drums en gitaar. We kunnen slechts een dik kwartier van de set meepikken, maar dat is ruimschoots voldoende om geïntrigeerd te geraken door Carlsons herkenbare bezwerende riffs, aangevuld door het rijke geïmproviseerde drumwerk van Smal. Het is niet zo straf als het gelijkaardige, weergaloze optreden van Stephen O’Malley en Steve Noble een jaar geleden, maar het komt genoeg in de buurt. Dikke meevaller als opener van deze dag.

And now for something completely different: deel twee. (lh) begeeft zich naar zaal Leeuwenbergh aan de rand van de stad, een prachtige locatie overigens. De perfecte opwarmer van een alweer regenachtige dag is ditmaal de breekbare folk van The Weather Station; een perfecte naam voor de band rond folkzangeres Tamara Lindeman. Moest het Stubru-programma duyster nog bestaan, zou The Weather Station er zeker gedraaid worden. De neerdwarrelende noten in het openingsnummer doen denken aan Sun Kil Moon, mede door de spaarzame begeleiding door bas en drums. Lindeman is verkouden en verontschuldigt zich daarvoor, maar op haar ijzersterke performance heeft dat geen negatieve impact. The Weather Station is met andere woorden herfstmuziek en kan dan ook de hele zaal drie kwartier lang stil krijgen.

Helemaal bovenaan in de indrukwekkende TivoliVredenburg (here toch, wat een kolossaal bouwwerk) in zaal Herz — die normaal gezien wordt gebruikt voor kleine, intieme vooral klassieke concerten — vinden we de ietwat begaaide geluidskunstenaar Charlemagne Palestine: vestje in luipaardmotief, slobberbroek, hoed én pet op en de piano behangen met knuffels en veelkleurige stukken stof. En “veelkleurig” is het minste wat je van Palestines performance kan zeggen: de truc met de glazen brandy gaan we niet helemaal uitleggen, maar ze is behoorlijk hilarisch. Echt interessant wordt het wanneer de duidelijk stevig aangeschoten Palestine achter de piano plaatsneemt, voor een half uur durende, in vier bewegingen opgedeelde minimalistische, repetitieve compositie die nauw aanleunt bij het oeuvre van Philip Glass. Niet iedereens meug, maar als je je in het bezwerende geluid laat onderdompelen, zorgt dat voor een intense, psychedelische ervaring. Een van de ontdekkingen van het festival, die mafkees.

Van mafkezen gesproken: in de Ronda staat het buitenaardse progorkest Magma. Opgericht door de Parijse jazzdrummer Christian Vander eind jaren zestig, specialiseert Magma zich al bijna een halve eeuw (!) in jazzy spaceprog met koorzang gezongen in het zelf uitgevonden Kobaïaans. Ze noemen het Zheul, bij gebrek aan een andere term, en gelukkig maar, want dat bespaart ons een hele trits termen om toch maar te beschrijven wat we gehoord hebben. In het begin blijft het optreden in een nogal zweverig sfeertje steken, maar wanneer de band in vitesse schiet, en de progmachine onder stoom komt, zien we een topoptreden, uitgevoerd door klasbakken van muzikanten die hoogstaande composities feilloos en met bezieling uitvoeren. Kunnen we daar iets op aanmerken? Hell no! Topentertainment van de bovenste plank, of beter, van het buitenste melkwegstelsel.

Liefhebbers van Cloud Nothings, Guided By Voices en — waarom ook niet — Beck zijn intussen massaal afgezakt naar concertclub Ekko voor Car Seat Headrest. Will Toledo, het prototype van een indienerd, en de zijnen spelen typische Amerikaanse indierock. We horen ook kwaliteit — vooral de gitaarmelodieën mogen er zijn. De zang klinkt echt verschrikkelijk vals. Een nummer als “America (Never Been)” is gelukkig muzikaal straf genoeg om te blijven boeien. Op het einde van de set wisselen frontman en drummer nog van instrumenten. Toleda maakt al vijf jaar muziek onder die vreemde bandnaam en heeft sinds kort het best wel puike Teens Of Style uit, maar live is er dus duidelijk nog veel werk aan.

Voor (lh) is Widowspeak de ontdekking van de dag. Molly Hamilton en Robert Earl Thomas vormen de spil van dit dromerige gezelschap. Naar eigen laten ze zich beïnvloeden door Ennio Morricone, Tom Verlaine (Television), The Sundays, George Harrison en Robbie Robertson. En we kunnen ze geen ongelijk geven, want Widowspeak klinkt eerlijk en oprecht. Zowel de door surf beïnvloedde gitaren als de zwoele stem van Hamilton zijn best wel verleidelijk te noemen. De dromerige folknummers komen nooit echt tot een uitbarsting. “Leve de traagheid’” lijkt wel het motto van de band. Hier en daar slaan mensen dan ook aan het heupwiegen. Ook de cover van Chris Isaaks “Wicked Game” is geniaal in al zijn eenvoud. Als deze bende hippies uit Brooklyn in uw buurt komt spelen, ga zeker kijken. U zal het zich niet beklagen, of je nu fan bent van shoegaze, dream pop, slowcore, psychedelica of country noir.

(bvp) heeft vandaag écht zin in afwisseling, en schuifelt binnen in de Grote Zaal, waar *even adem happen* Tout-Puissant Orchestre Poly-Ritmo De Cotonou een afrobeat-feestje aan het brouwen is. Het tienkoppig orkest uit Benin bestaat al meer dan veertig jaar, maar de kernmuzikanten laten van hun gevorderde leeftijd nauwelijks iets merken. Ze schuifelen, shaken, dansen en wiebelen als jonge gezwinde zebra’s over het podium. De muziek is aanstekelijk, uitstekend uitgevoerd en sfeervol. De nogal stuurse, plechtstatige grote zaal verandert voor een uurtje in een paradijselijk feestoord, en even is het hoogzomer in het grauwe Utrecht.

Over Suuns & Jerusalem In My Heart kunnen we relatief kort zijn: we hadden een op zijn minst geniale set verwacht, maar wisselvalligheid is troef. Nochtans brachten het Canadese viertal en de Libanese geluidskunstenaar eerder dit jaar een superbe plaat uit. We horen in de Pandora-zaal van TivoliVredenburg echter te veel luide gitaarrifs en wilde drumlijnen en te weinig arabeske elementen. We hebben soms het gevoel dat we gewoon bij een optreden van Suuns staan. Graag de volgende keer wat meer synths, ritmische momenten en buzukisolo’s. En waarom heeft JIMH-frontman Radwan Ghazi Moumneh in het holst van de avond een zonnebril op?

Dan maar curator Sunn O))) meepikken. Meepikken zeiden we? Eerder verplicht ondergaan, ja! In de tot de nok gevulde Ronda is (lh) getuige van een verpletterende fysieke ervaring. De band, wiens naam komt van het gitaarversterkermerk Sunn, stapelt extreem langzaam de lagen gitaardrones en audiofeedback op elkaar tot trance-opwekkende soundscapes ontstaan. De haren op de armen veren als de wiedeweerga recht, de broekspijpen beginnen zelfs te fladderen door de oorverdovende en extreem lage tonen. Naar het einde toe schakelt Sunn O))), gehuld in zwarte monnikspijen maar zonder zanger Attila Csihar, pokketraag over naar ambient. Ronduit overweldigend naar goede gewoonte, dit Sunn O))).

Met pijn in het hart laat (bvp) na een kwartier (lh) alleen achter in de Sunn O)))-geluidsvortex, en davert hij naar de Grote Zaal voor die andere headliner van de dag, namelijk Kamasi Washington, de grootste jazzbelofte van zijn generatie. Met een magnum opus als The Epic als debuutplaat heeft de vierendertigjarige Washington zichzelf in capslock en tien uitroeptekens meteen bovenaan de lijst van jong jazztalent. En dat is dan ook helemaal terecht: The Epic is niet alleen ambitieus, maar ook fantastisch gearrangeerd, bulkend van technisch vuurwerk, en groots uitgevoerd. De reacties op het dubbele concert doen het beste vermoeden. Gelukkig worden de enorm hooggespannen verwachtingen zonder de minste moeite ingelost. Voorbeeldje: drummer Ronald Bruner Jr. (in het verleden nog lid van hardcoreband Suicidal Tendencies) zit tijdens een niet al te simpele drumroffel even zijn gsm te checken. Zo op het gemak zitten deze jonge honden te musiceren.

Openingsnummer “Change Of The Guard” illustreert meteen de grandeur van Washingtons composities, en wordt vlekkeloos uitgevoerd door een bezield spelend septet The Next Step. De solo’s variëren van uitstekend tot ronduit verbluffend, zoals de bassolo van Miles Mosley die de hoogtelimieten van zijn übercoole dubbele bas test. “Henrietta Our Hero” wordt opgedragen aan Kamasi’s grootmoeder, en wordt mee uitgevoerd door zijn vader Rickie Washington (die een half uur daarvoor gewoon merch stond te verkopen). Het is het enige rustige en ontroerende moment van de set, maar krijgt de hele bomvolle zaal muisstil. Met de rest van het optreden wordt hoofdzakelijk op de dansbenen gemikt, met een funky arrangement van trombonist Ryan Porter genaamd “Oscalypso” (oorspronkelijk van Ryan Fuller), een ontketend “The Magnificent 7” met als hoogtepunt de waanzinnige dubbele drumsolo’s van Ronald Bruner Jr. en Tony Austin. Afsluiter “The Rythm Changes” plant alleen maar een gigantische kers op de taart van dit waarlijk fenomenaal concert dat barstte van de vriendschap, liefde en levenslust. Je moest al een chronisch gedeprimeerde pombaksmoel zijn om dit niet het optreden van het festival te vinden. Al een geluk dat Bart De Wever niet in de zaal zat.

(lh) gaat van het ene extreme naar het andere. Ho99o9 (lees: horror) wordt de missing link tussen Death Grips, Odd Future en Bad Brains genoemd. U begrijpt dus goed dat het er bij dit spraakmakende underground-trio hypersnel aan toe gaat. Zanger TheOGM betreedt het podium in een bruidsjurk (!), ook collega-brulboei Eaddy en drummer Ian Longwell geven meteen een opgefokte intro in Ekko. Hun wapens? Een drummer, een sample pad en twee versterkers. Dit is hiphop voor mensen die daar normaal nooit naar luisteren, maar wel Bad Brains en Black Flag in hun platenkast hebben. De vloer van de concertclub wordt na een paar minuten beuken omgetoverd in een waar slagveld. Nummers als “No Regrets”, “Hated In America” en “Bone Collector” beluistert u best niet in uw woonkamer, of heel het meubilair gaat voor de bijl. Ho99o9 is live een zweterige energiebom en de perfecte preparty voor noise-band Lightning Bolt, die in het holst van de nacht in Pandora mag aantreden. Bassist Brian Gibson en drummer Brian Chippendale — met microfoon in masker verstopt — zorgen al 21 (21!) jaar lang voor sonische terreur. Wat we ons nog van de passage herinneren? Een kolkende orkaan die passeert en Team Enola zit er middenin. En dan wordt alles zwart…

Dag 4: Bezwerende ritmes, groovende postpunk en een gestroopte muskusrat

Dag Vier, de Dag-Teveel-dag? Niets van! Ondanks de vermoeidheid na drie korte nachten en pijnlijke gewrichten (nogmaals bedankt, Lightning Bolt) zijn we zelfs vroeger op het appel voor de betere Turkse muziek, psychedelische grooves, beukende metal en andere curiosa.

De improvisatieset van Dirar Kalash is echter geen goede keuze om de dag mee aan te vangen. Zijn gepingel op een bouzouki (of dat denken we toch) is meer een langdradige vinger-oefening dan wat anders. Dan is de frisse Turkse pop van Gaye Su Akvol duizend keer interessanter. Vorig jaar overtuigde ze in eigen land al met Develerle Yaşıyorum, nu lijkt ze klaar om ons, westerlingen, te verleiden. Want sensueel klinkt haar stem wel. Voeg daar nog be-zwerende ritmes, een vleugje psychedelica en een krachtige ritmesectie aan toe, en je krijgt een eclectisch, warm geheel dat een optreden lang blijft boeien. Soms horen we zelfs wat surf bij de gitarist, net als de andere muzikanten gehuld in een zwarte pij en maskers. Ook straf hoe de bassist zijn virtuoos spel combineert met het betere keyboardwerk. “Nothing has changed since 40 years”, sneert ze naar de Turkse machthebbers en daarop kondigt de zangeres het strijdlied “Yaz Gazeteci Yaz” van Selda Baglan (vorig jaar een van de hoogtepunten op het festival) aan. Ze steekt haar vuist de lucht in en speelt energiek zoals bij alle voorgaande nummers. Gaye Su Akvol, het was aangenaam kennismaken, maar we hadden je liever in een kleinere zaal aan het werk gezien.

Na een dagje plakken in TivoliVredenburg, keert (bvp) terug naar de oude vertrouwde stamkeet De Helling voor de laatste loodjes van het door Sunn O))) gecureerde programma. Het programma is ietwat door elkaar geschud door het afzeggen van het Italiaanse The Secret (jammer, want dat was een van de redenen om te komen), waardoor het eveneens Italiaanse Grime last mi-nute aan de affiche wordt toegevoegd. Maar anders dan bij The Secret, die altijd in zijn voor een feestje, heeft Grime met zijn vuile, maar eendimensionale sludge geen interesse in gezelligheid. Dat treft, wij zijn ook niet in hen geïnteresseerd.

Neen, dan liever het nieuwe geluid van BIG|BRAVE (dat is ‘big brave’, niet big-i-brave, slimmerik). Het Canadese post-doomtrio is de nieuwste aanwinst van Greg Andersons Southern Lord-label, en liet hun eerste plaat producen door GY!BE’s Efrim Menuck. Alles dus om drommen hipsters met black metalshirts richting De Helling te sturen, en warempel, de zaal zat goed vol, en zag een wat aarzelend begin van de band die twee gitaren, primitieve drumritmiek en vrouwelijke zang opfokt tot gigantische proporties. En dat komt eerst wat monotoon over, maar van zodra er wat meer subtiliteit in de set sluipt (niet in het minst te maken met de introductie van een viool), gaat het geheel meer intrigeren en krijgt de muziek meer emotionele diepgang, waardoor de echt heavy stukken ook serieus beginnen inhakken op het publiek. Het laatste nummer van de set blinkt uit in intrinsieke, woeste schoonheid, en knoopt een eind aan een sterk optreden van een van de ontdekkingen van het festival.

Eerder dit jaar vertoefden we dankzij III van het Chileense psych/kraut pop-gezelschap Föllakzoid nog even op een andere planeet, in concertclub Ekko komen de nummers eer-der ongeïnspireerd over. Van al dat zweven naar een andere wereld komt dus niet veel in huis. We horen een ronkende bas, metalig klinkende gitaren die subtiel van melodie veranderen, en repeti-tieve drums. De ritmes doen de hoofden meteen op en neer bewegen, maar het zijn er maar enke-le. De eerste twee songs kunnen nog boeien, we denken dan ook dat ze van de nieuwste worp van de krautrockers komen. Vooral het derde nummer klinkt tot onze grootste verbazing echter meer shoegaze-achtig en komt te kil over. Weg aandacht, tijd om iets te eten dan maar. En wat blijkt? In Ekko serveren ze overheerlijke hamburgers! De wandeling is dus toch niet voor niets geweest.

Geen eten in De Helling, maar gelukkig is er het Zweedse Martyrdöd om ons een stomp in de maag te verkopen. De woeste, compromisloze D-Beat crustmetal dendert als een op hol geslagen gletsjer door de zaal. Jammer genoeg heeft het meeste publiek na BIG|BRAVE het hazenpad gekozen, en staat Martyrdöd voor een slordige honderd man te spelen, wat qua sfeer natuurlijk niet echt helpt. En dat is enorm spijtig, want als dit voor een volle zaal enthousiastelingen wordt gespeeld, zullen er gegarandeerd tandjes op de vloer belanden. De rauwe energie van de band is primitief en eerlijk, de riffs zijn dan weer onverwacht harmonieus, helder en best complex, wat een aangenaam contrast oplevert met de loeiharde, maar efficiënte blokkendoosritmes. Extra outfitbonus trouwens voor het rode sjaaltje van de zanger. Wie zei er dat metal niet stijlvol kon zijn?

De prijs voor underdog van de dag gaat naar Mustafa Ozkent, die net als zijn landgenoot Gaye Su Akvol in de Grote Zaal van TivoliVredenburg mag aantreden. Hij voert er voor het eerst in 40 jaar zijn vergeten meesterwerk Gençlik Ile Elele uit en dat met het zevenkoppige Belçika Orkestrasi. Hij is duidelijk een ongewone gitarist en energiekeling, ondanks zijn gezegende leeftijd. Van op zijn stoel zwaait hij tussen zijn gitaarspel mee met enkele enthousiastelingen vooraan het publiek. Een aandoenlijk zicht, al is zijn muziek — een mix van Anatolische folk en psychedelica — niet altijd even toegankelijk. Maar zoals bij Gaye Su Akvol is het muziek die zich op het kruispunt van de oosterse en westerse cultuur bevindt, en dat komt zeker vandaag de dag enorm hartverwarmend over.

De prijs voor ronduit teleurstellende set van Le Guess Who? gaat dan weer naar Ariel Pink, en de koning van de low-fi psychedelica is de enige die deze twijfelachtige eer deze editie te beurt valt. Klonken de nummers van zijn laatste plaat pom pom eerder dit jaar in de Vooruit nog haast verschroeiend, dan is (lh) ditmaal getuige van een rommeltje. Hij had al een slecht voorgevoel toen de zanger himself opvallend sober — deze keer geen verkleedpartij, maar enkel een Magma-shirt — en straalbezopen het podium betrad. In het anders zo spacy “Put Your Number In My Phone” verknoeit de veel te luide elektronische beat alles en “White Freckles”, normaal een van zijn gekste nummers, klinkt ronduit steriel. Wanneer Ben Shemie (Suuns) komt meezingen, is het kalf al half verdronken. “Dinosaur Carebears” zet evenmin zoden aan de kijk. Een dikke nul voor deze Ariel Pink.

De award voor meest teleurstellende set van Desertfest vorige maand stond nog te blinken op de schoorsteen van Goatsnake. We gingen dan ook maar met een halve goesting kijken naar het herrezen kwartet uit Californië rond Sunn O)))’s Greg Anderson dat speciaal voor deze show naar Nederland kwam gevlogen. Tien minuten voor het begin van de show zit Anderson nog gezellig te keuvelen in de bar. Ook geen goed teken; vorige keer deed het gezapige, zelfingenomen sfeertje op het podium het optreden volledig de das om. Maar we konden er gelukkig niet genoeg naast zitten. Vast startschot “Slipping The Stealth” schiet als een raket uit de startblokken, met Pete Stahl die godzijdank zijn verbetenheid en tomeloze energie heeft teruggevonden. Daardoor trekt hij per ongeluk enkele keren de gitaarkabel van Anderson uit, maar wanneer dat euvel verholpen is, vuurt de band op alle cilinders zowat de volledige nieuwe plaat Black Age Blues op De Helling af. Nummers als “House Of The Moon”, “Black Age Blues”, “Graves”, “Grandpa Jones” en “A Killing Blues” staan als een huis en worden met de nodige panache, bevlogenheid en volume door de speakers geramd. Om het in vaktermen te zeggen Goatsnake pullen a solid. Een mooier afscheid van De Helling konden we ons niet indenken, dus we laten de oppervlakkige brutaliteit van Today Is The Day aan ons voorbij gaan, en trekken naar waar het begonnen is, de TivoliVredenburg

(lh) beslist de laatste energiestoten er uit te pompen met The Pop Group. En eerlijk: met zo’n energieke en groovy band lukt dat zeer goed. Nochtans zijn deze postpunkers uit Bristol geen drie maal zeven meer. The Pop Group bestond in een eerste leven van 1977 tot 1981 en is sinds 2010 weer samen. Er werd zelfs dit jaar nog een nieuwe plaat uitgebracht. En wat ons betreft zijn ze de echte headliner van zondag. Mark Stewart is een heerlijke frontman, die nog altijd als een wilde tekeer gaat op het podium. En wat een tegendraadse sound toch: funk, soul, jazz en punk worden in de blender gegooid. Het resultaat is een bij momenten verschroeiende sound, waar veel jonge (post-)punkbands vandaag een puntje aan kunnen zuigen. De band opent met een uiterst energiek “We Are All Prostitutes”, andere vroege hoogtepunten zijn “Citizen Zombie” en “Thief Of Fire”. Vocale uithalen, drumsalvo’s, afwisselend vlijmscherpe funky gitaarlijntjes van Gareth Sager en een tweede gitarist volgen elkaar in een sneltempo op. Ook moddervet zijn “Nowhere Girl” en “She Is Beyond Good And Evil”. Tot en met de afsluiter is het genieten geblazen. Good job, Pop Group!

(bvp) en (lh) worden eindelijk herenigd in de Grote Zaal van TivoliVredenburg, waar avantgar-delegende Annette Peacock aan het laatste optreden van het festival begint. Gezeten aan een piano met enkel nog een synth en een laptop, begint dit magere vrouwtje met een hoed van (denken we) gestroopte muskusrat zodat haar gezicht niet zichtbaar is moederziel alleen haar intu-itieve composities de zaal in te strooien. Peacock is goed bij stem, ze speelt foutloos en efficiënt, maar slaagt er niet in om veel bezieling in haar instinctieve muziekstukken te steken. Mooi is het allemaal wel, maar alles naar een niveau hoger tillen lukt helaas niet. Niet dat we dat erg vinden: na vier dagen muzikaal geweld is dit nog wel een mooi, rustgevend sluitstuk van deze ongemeen sterke editie van Le Guess Who? Le What’s Next? Volgend jaar gewoon terugkomen!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × drie =