Loren Connors :: Live In New York

In het eindeloos uitzettende oeuvre van Loren Connors – het lijkt wel een zwart gat dat alles rond zich opslorpt – is het soms zalig ronddwalen, al is het dan niet zozeer om van de ene verrassing in de andere te vallen, maar om steeds opnieuw geconfronteerd te worden met die unieke sound en eigenzinnige stijl in een lichtjes bijgestuurde gedaante. Live In New York, uitgebracht bij vaste thuisbasis Family Vineyard, laat ook geen nieuw geluid horen, maar is voor de liefhebbers weer onderduiken in de abstracte spookblues die de laatste jaren zijn territorium is.

Je vindt binnen de omvangrijke discografie van Connors, waar we eerlijk gezegd slechts een greep uit kennen, wel verschillende geluiden en stijlen, maar daarvoor moet je soms al grote sprongen maken in de chronologie, want het duurt soms jaren voor de man een duidelijke verschuiving binnen zijn methodes laat horen. Zo is het bvb. wel boeiend om recente reissues van i>Blues: The Dark Paintings Of Mark Rothko (oorspronkelijk verschenen in 1990) of The Departure Of A Dream (2002) naast recenter werk te leggen, zoals Red Mars (2011), deze Live In New York (met opnames uit New York) of de samenwerkingen met Aki Onda en Bill Orcutt die hier niet zo lang geleden passeerden.

Het is trouwens wel een verdienste van labels als Family Vineyard dat artiesten er jarenlang kunnen werken aan een parcours en zo’n compleet verhaal vertellen. Het label uit Indianapolis heeft wat dat betreft een belangrijke rol gespeeld in het verspreiden van het werk van Connors, maar ook verwante figuren als Jim O’Rourke, Chris Forsyth, Alan Licht, Chris Corsano, Paul Flaherty en heel wat anderen. Deze opnames uit november 2014, opgenomen op twee locaties (maar binnen dezelfde week), bieden alweer een inkijk in de gehanteerde stijl van Connors, en daar is geen vlekkeloze studioproductie voor nodig.

Meer nog: Live In New York bevindt zich duidelijk in het lo-fi einde van het spectrum, maar dat heeft niet zo’n invloed op de luisterervaring, want ’s mans stijl moet het ook niet zo hebben van technische volmaaktheid. De improvisaties draaien rond texturen, fantoommotieven, volume- en effectenwisselingen, en daar is geen cleane productieomgeving voor nodig. Al is het wel opvallend hoeveel omgevingsgeluid er opgepikt wordt aan het begin van de opnames, van wauwelend publiek, stoelengeschuifel en dichtklappende deuren, tot de bonkende beats van een nabijgelegen café of club (?). Het gitaarwerk trekt zich echter onverstoorbaar op gang.

In “Webster Hall, Part 1 & 2” (Manhattan) levert het een lange exploratie en een compact stukje op waarin vooral de abstracte, uitwaaierende klank centraal staat. Connors speelt met huilende feedback en stilte en stuurt zijn verbasterde blues naar drone-terrein. Duidelijke melodieën komen er niet echt aan te pas, het zijn meer metalige klankgordijnen die in cirkels rond een tonaal centrum wentelen: kaal, duister en (soms) sinister. Soms ook noisy, met een stijl die het midden vindt tussen die van, pakweg, Keiji Haino, Alan Licht, Thurston Moore en Gary Lucas in z’n meest ontregelde momenten.

Het derde stuk, “The Wick”, opgenomen in de gelijknamige locatie in Brooklyn, bevat hetzelfde ruisen, de gruizige texturen en geladen, suizende stiltes, met hier en daar iets dat verwant lijkt aan een antiek folkschema, maar zich eigenlijk het best laat omschrijven als uitvoerige klankschilderijen, een stream-of-consciousness van zachtjes opborrelende en wegdeemsterende gitaargolven. Voor wie Connors wil ontdekken zijn er vermoedelijk heel wat andere platen die geschikter zijn (de bovenvermelde, bijvoorbeeld, of het prachtige 9th Avenue), omdat ze eenvoudigweg wat meer behapbaar zijn, maar voor de liefhebbers is dit een zoveelste voorbeeld van zijn ongrijpbare, maar meteen herkenbare universum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 20 =