Muse :: Drones

Groter is niet altijd beter; een stelling die moeiteloos rijmt met zowat alles dat Muse de laatste jaren heeft verwezenlijkt. De jongste plaat van het drietal uit Devon lijkt wat meer aansluiting te zoeken bij het geluid dat de band ten tijde van Absolution wist te produceren, maar toch lijdt ook dit album onder het gewicht van een bijzonder creatieve frontman die het roer wat kwijt lijkt te zijn.

De uitstap naar dubstep voor beginners die de band voor de productie van het vorige album maakte, zorgde voor algemene oproer in de muziekwereld. Elektronicadraken zoals “Follow Me” en “Unsustainable” waren net niet genoeg om de opnamestudio van de Britten te bestormen, maar de algemene teneur rond The 2nd Law sprak boekdelen; de onbedwingbare drang van Matthew Bellamy om haast stuurloos te blijven experimenteren, leidde de band steeds verder weg van de pompende riffs en de symfonische arrangementen die Muse richting absolute wereldtop katapulteerden. Op Drones wordt er alvast minder creatief gerommeld; het album lijkt voornamelijk bedoeld om fans van het eerste uur in slaap te wiegen met een voorzichtige en eerder beperkte terugkeer naar de hoogdagen van de band, en dat zonder het paranoïde wereldbeeld dat de groep al een aantal jaar naar buiten toe projecteert aan banden te leggen. De conceptuele rode draad doorheen album nummer zeven? Het verval van onze huidige maatschappij in een totalitaire staat waarin zowat alles en iedereen gecontroleerd wordt door onbekende machten van bovenaf. In ieder geval, allesbehalve kattenpis.

Muse heeft altijd wat weg gehad van een zwalpend schip. Geen enkel album koos een duidelijke muzikale richting. Dat zorgde ervoor dat de output keer op keer afgestemd werd op een semiharmonieus evenwicht tussen stadionrock pur sang en een onderdeel dat je gemakkelijkheidshalve kan omschrijven als apocalyptische operettes. Die evenwichtsoefening sloeg vaak aan dankzij de hoge graad van vernieuwing die je ogenblikkelijk kon horen; een idee dat op Drones ook naar boven komt. Het nadeel bestaat er echter in dat haast niets op het album ook maar in de buurt komt van de geniale vindingrijkheid uit het verleden. In dat opzicht moet je Drones omschrijven als een halfbakken poging om een verdeeld publiek tevreden te houden. Fans die klaarkomen bij de gedachte aan Muse als festivaltopper zullen duimen en vingers aflikken bij “Psycho” en “Dead Inside”, twee nummers die moeiteloos de dode momenten tijdens elke show kunnen opvullen. Gierende riffs en pompende bassen worden aangevuld met net genoeg likjes elektronica om beide nummers zowel claustrofobisch als opzwepend te maken. De link naar “Uprising” en “Unnatural Selection”, twee van de openingsnummers op The Resistance, komt zo wel erg dichtbij.

“Mercy”, een van de tracks waarin de falset van Bellamy te nadrukkelijk wordt uitgespeeld, trekt zich op gang aan de hand van pianospel dat zo uit “Starlight” lijkt weggelopen. Bovendien vernietigen de bruuske gitaarsalvo’s tijdens het refrein elke nuance die tijdens de strofes wordt opgebouwd. Het kopieer- en plakwerk komt tot een hoogtepunt tijdens “The Globalist”, een van de pot gerukt nummer dat elk muzikaal pad dat Muse al heeft bewandeld samenvat in een tienminutendurend onding dat voor iedereen buiten de groepsleden simpelweg niet te vatten moet zijn. De openingsminuten zijn een ongeïnspireerde variatie op “Knights of Cydonia”, de pompeuze dreiging naar het midden van het nummer toe is dan weer een kruising tussen “The 2nd Law: Unsustainable” en “Exogenesis: Part 1”. Naar het einde raak je de pedalen helemaal kwijt wanneer de groep zichzelf verliest in een draaikolk van half uitgevoerde ideeën waarvan je de basis al eerde hoorde in het even absurde “United States Of Eurasia”.

Als geheel past Drones perfect in het plaatje dat Muse schildert, maar het feit dat een van de grootste bands ter wereld een album maakt waarop oude ideeën openlijk gerecycleerd worden, doet de wenkbrauwen fronsen. De genietbare en complexe gelaagdheid uit het verleden wordt eens te meer brutaal overboord gegooid en vervangen door arrangementen die zelfs Wagner jaloers zouden maken. Goed; subtiliteit was nooit het hoogste goed bij het Britse drietal, maar het gros van de plaat laat zich beluisteren als de soundtrack bij een slechte pornofilm. Het volume gaat naar beneden terwijl het ene geforceerde hoogtepunt het andere opvolgt. Leuk voor een aantal minuten, maar je wordt er niet meteen hard van.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 4 =