Henry Blacker :: Summer Tombs

Ook al gedacht dat er de dag van vandaag te weinig zweterige rock-‘n-roll met kloten te rapen valt? Of dat die gewoonweg te weinig aan bod komt? Of ook al zitten miljaren bij het overwicht van springerige indiepoppers met hun perfect in de tijdsgeest passende, en daardoor overmorgen alweer vergeten nietszeggenheid? Die fucking belegen gimmicks? Dat behaagzieke? Die skinny pants? Dat huiveringwekkend correcte? Ja? Probeer Henry Blacker eens.

Het Britse trio, een zijtak van het zeskoppige livemonster Hey Colossus, keert immers terug naar de rock in z’n meest primitieve vorm, inclusief okselvijvers, korsten in de mondhoeken en een onverantwoord hoog volume. Denk aan de oude Queens Of The Stone Age (toen die band nog niet was getransformeerd in de plompe machine die hij nu is), maar verplaats het hele zootje naar het werkmansmilieu van een moderne Engelse industriestad. Dat staat net iets meer met een been in een herkenbare realiteit. Geen escapisme, geen schone verhalen over veelwijverij en andere luxeproblemen, maar een kopstoot die aankomt.

Begin 2014 was eersteling Hungry Dogs Will Eat Dirty Puddings al een eerste aanzet. Met acht songs in een goed half uur werd daarmee een knoert van een statement gemaakt. Henry Blacker zoekt het ergens tussen stoner- en bluesy bikerrock, heeft een vuile drive die aansluit bij de lawaaierige noiserock van de Amphetamine Reptile-stal uit de vroege jaren negentig en een ontaarde bluesrand die nog het best te vergelijken is met die van Harvey Milk, maar dan zonder de labiele, gesjeesde waanzin van die band. Op de tweede plaat, Summer Tombs, komt die al net zo goed tot zijn recht als op het debuut.

Opener “Cold Laking” wordt voortgeduwd door een boertige, lompe groove, terwijl de zang herinnert aan het quasiongeïnteresseerde gemompel van Josh Homme bij Kyuss en QOTSA. Die vergelijking wordt meteen ook voortgezet op “Million Acre Fire”, dat zich perfect inschakelt in stonerrocktraditie, maar dan niet geneugten van wiet en woestijn bezingt, maar poelen van stedelijk verderf en geweld oproept. De productie is gepast droog en rauw, met een bas die gromt als een bronstige bosaap met een hongerke. De songs zijn misschien net ietsje complexer en hoekiger dan die op het debuut, maar de impact is identiek.

Het ploeterende “The Grain” neigt aanvankelijk iets meer naar de uithoek van The Jesus Lizard, al mankeert Henry Blacker misschien wel nog de scheermesjesvinnigheid waarmee die band soms kon uithalen. “Landlubber”, opener van de B-kant, is wel een luid klinkend antwoord op de cool van Girls Against Boys, terwijl “A Plague” zowaar naar de poppy kant van QOTSA neigt. Heel wat verwijzingen naar die voorganger, inderdaad, maar het slepende titelnummer zorgt met die kerkerkreten dan weer voor een vergevorderde dementie die je bij de Amerikanen nooit zou aantreffen.

Henry Blackers songs en sound zijn (nog?) niet sterk en origineel genoeg om te kunnen spreken van een band die de voortrekker van een nieuwe generatie bands zou kunnen zijn, maar de attitude, moddervette riffs en no nonsense-sound van Westminster Brown (Part Chimp) volstaan ruimschoots om Summer Tombs boven het maaiveld te laten uitsteken. Een verademing. OK, met een geurtje eraan, maar nog altijd een verademing.

Het wordt intussen zoeken naar de vinylversie die op Record Store Day verscheen in beperkte oplage van 300 stuks. Goed nieuws: er is ook een cd-versie, en die bevat het complete debuut als bonus. Dubbel prijs.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =