Mephiti :: 27 mei 2015, Het Bruggenhuis

Om zijn concertseizoen mee af te sluiten had het Geraardsbergse Bruggenhuis een mooie keuze gemaakt. Altsaxofonist Erik Bogaerts kwam er zijn nieuwe band Mephiti voorstellen en wist zelfs met een man minder te overtuigen. De Belgische jazzwereld is weer een mooi project rijker.

De 33-jarige Bogaerts heeft intussen ook al wat ervaring opgedaan binnen de jazz in vele vormen (Bender Banjax, Score Man, …) en het theater (o.a. tg STAN). In 2014 was hij ook artist in residence in Skåne (Zweden), waar hij muziek componeerde voor een bezetting met twee gitaren, bas, drums en de kankles (een Litouwse harp, vergelijkbaar met een zither) van Indrė Jurgelevičiūtė. Contrabassist Brice Soniano moest op het laatste moment verstek geven door het lamgelegde luchtverkeer, maar het voordeel van een band voor het eerst zien is natuurlijk ook dat je niet meteen weet wat je mist. Dat het met de bassist erbij nog meer uitgewerkt zou zijn, dat lijdt geen twijfel, maar de muziek bleef ook zo overeind.

Bovendien had Bogaerts beroep gedaan op gitaristen Bert Cools en Ruben Machtelinckx, twee exponenten van een generatie snarenhelden die net iets verder kijkt dan de klassieke, op de blues voortbordurende voorbeelden en bovendien muzikale stemmen die prima bij elkaar pasten. Het scherpere spel van Cools, op semiakoestische en elektrische gitaar, en het bedachtzame, intussen uit de duizenden te herkennen spel van Machtelinckx (elektrisch), vormde regelmatig een stroom van dromerige, lyrische klanken, met nu en dan eens een potige uitschieter. Aangevuld met de kankles werd het al helemaal een rijkgeschakeerde weelde, die regelmatig ook wat opschoof naar Noordelijke folktradities.

Door dat dobberende verkeer tussen ingetogen jazz, folk, textuurverkenningen, minimalisme en hier en daar een scheut voorzichtige rock belandde de muziek al snel in Scandinavische wateren, zeker met Bogaerts’ subtiele en melodieuze spel op de altsax erbij. Tijdens z’n meest elegante momenten baadde het bijna in die dromerige ECM-waas, een mysterieuze combinatie van zachtaardige klanken waar de iele, zingende altsax in muzikale vogelvlucht overheen kon scheren. Drummer Stijn Cools, broer van, borstelde geduldig bij met ruisende cimbalen, schuivende brushes en tikkende rods, maar haalde hier en daar toch ook die voorzichtige funkslagen boven, alsof er in die polsen van hem onvermijdelijke minikrampen schieten. Maar het werkte, zorgde voor een eigenzinnig randje.

Het was geen uitbundige of speelse muziek die het moest hebben van catchy thema’s en compacte vertellingen, maar een aaneenrijging van momenten die mooi over elkaar heen schoven. Nu en dan voelde je wel dat het ging om een nieuw project – de muzikanten hielden elkaar nauwlettend in het oog, verifiërend of alles goed liep -, maar dat bracht het resultaat niet in gevaar. En er was trouwens best wel wat variatie. Zo kon de drummende Cools soms uithalen met krachtiger gekletter, kreeg een uitvoering van een oeroude folksong een knappe, sacrale draai en was het sterke “Masker”, dat de eerste set afrondde, opgebouwd rond repetitieve motieven die gaandeweg open bloeiden, net als de opener van de tweede set, die aangespoord werd door een loop van Bert Cools.

Hier en daar leek de muziek soms ook verwant aan die van Giovanna Pessi en Susanna Wallumrød, al neigde dit meer naar lyrische folkjazz of dromerig bijna-droneterrein dan de klassieke kamermuziek. Twee kloeke sets, geen sinecure voor een nieuwe band, maar Bogaerts & co. brachten het er goed vanaf. Met nog wat extra kilometers op de teller en bassist Soniano erbij kan het enkel nog beter worden, en dus meer dan de moeite om eens te gaan bekijken.

… en dat kan op 11 juni in Het Bos (Antwerpen).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + 3 =