Fish-Scale Sunrise :: 8 februari 2015, Bimhuis (Amsterdam)

Zowat gelijktijdig met het verschijnen van twee nieuwe albums (eentje met zijn vaste Trio en eentje met een kwintet dat we enkele jaren geleden live zagen), stelt rietblazer Ab Baars een nieuw trio voor met de Sloveense, maar in Amsterdam gevestigde, pianiste Kaja Draksler en bassist/wereldreiziger-met-Canadese-roots Joe Williamson. De poëzie in Baars’ composities kwam prachtig uit de verf.

Dat Baars niet enkel houdt van muzikale poëzie, maar ook een liefhebber van het geschreven woord is, is al langer bekend. Doorheen zijn carrière deed hij al vaker inspiratie op bij dichters, terwijl albumtitels als Krang (een plaat met als openingsnummer “Glorpjes”) en Sprok (met daarop o.m. “Lakschoen”, “Lamoen”, “Kuin” en “Knets”) ook al een indicatie zijn van zijn liefde voor de taal en klanken. Voor deze nieuwe band, naar verluidt Baars’ eerste trio met een piano, haalde hij de naam bij het gedicht “A Fish-Scale Sunrise” van de Amerikaanse modernist Wallace Stevens (1879-1955).

In dat compacte gedicht, amper tien regels waarin wordt teruggeblikt op een avondje uit met vrienden, wordt afgesloten met “The sun rises green and blue in the fields and in the heavens. / The clouds foretell a swampy rain.” De rijke kleuren van de zonsopgang herinnerden de dichter aan het iriserende van visschubben; het vermogen om, afhankelijk van het perspectief van waaruit je waarneemt, een andere kleur aan te nemen. En dat zou je eigenlijk best kunnen doortrekken naar de muziek, want het concert liet doorheen negen composities en één vrije improvisatie een imponerende kleurenweelde horen, van verfijnde fluistermomenten tot rauwe uitspattingen en de brede zone van moderne klassiek tot complete vrijheid ertussen, met frivole sprongetjes, strenge wendingen en muzikale hellingen bij valavond.

“Lamoen”, een compositie die intussen ook al een tijd meegaat, was meteen een straffe binnenkomer, met Baars die op tenorsax meteen dat herkenbare, jankende timbre liet horen; dwars en nukkig, soms ontzet hortend en stotend, jammerend met een verschroeiende emotionele intensiteit. Terwijl Williamson aanvankelijk ingetogen speelde met die strijkstok, kreeg Baars gaandeweg meer weerwerk, ook van de immer attente Draksler, die voortdurend observeerde, bijstuurde, muzikaal commentaar leverde en spiegelde. De verrassing en verwondering die haar overvielen kon je bij heel wat passages van haar gezicht aflezen. “Leiblauw” klonk na de start meteen heel anders. Speels als een kinderlied, maar ook sober en met een piano die bij momenten klanken leek te druppelen.

In “Instruments Of Straw” (uit de prachtzin “Dew lies on the instruments of straw that you were playing” uit hetzelfde gedicht van Stevens) ging het er heel wat grilliger aan toe, met kamermuziek die het ene moment vederlicht en zachtjes sloop en trippelde, maar soms ook een neurotisch randje aannam. “Asor”, nog zo’n Baarsklassieker, was er eentje die de adem benam. Aanvankelijk ongrijpbaar, vol sireneachtig gepiep, gedempte inside pianoklanken en een grove basdrone, terwijl Baars vervolgens staccato sputterde en in alle richtingen schoot, een spanning creëerde die bleef toenemen en culmineerde in krijsend gegil.

“Is That Dutch Writing?”, waar een mooi verhaal aan voorafging over een 16de eeuwse Japanse dichter die het Nederlandse handschrift vergeleek met een vlucht ganzen (“Snapt u dat?”, vroeg de leider droog), was fragiel, als een amper waarneembare verluchting bij een oud geschrift, terwijl “Gammer”, Baars’ ode aan Misha Mengelberg alle kwaliteiten in zich droeg die hij ook zijn mentor en collega toedichtte (“Koppig, ezelachtig,…alle variaties die er maar te bedenken zijn”). De set was, zoals steeds bij Baars, mooi uitgebalanceerd, ook wat instrumentatie betreft. In totaal vier stukken op tenorsax, vier op klarinet, en eentje ertussen op shakuhachi, de Japanse bamboefluit die een aantal jaren geleden zijn intrede maakte.

Dit stuk was volledig geïmproviseerd en een minimale, abstracte klankschets die voortdurend balanceerde op de grens van het waarneembare en vloeide (of eerder: zachtjes ruiste) als een ingetogen folkritueel. Het werd gevolgd door een tweede uitzondering: “Fanfare”, dat geïnspireerd werd door Messiaens “Catalogue d’oiseaux” (geen toeval, want op basis van al die titels moet er ook een amateur-ornitholoog in Baars schuilen), dertien solostukken voor piano. Bij zijn eigen Trio speelde de man deze compositie ook al, maar deze keer nam hij plaats naast het podium, om Draksler en Williamson een prachtige duoversie te laten uitvoeren, die na al het voorgaande verrassend afgelijnd klonk. En bloedmooi.

Afsluiter “Wake Up Call”, intussen al goed voor prachtuitvoeringen van het Ab Baars Trio en het ICP Orchestra, was ook hier een hoogtepunt, als een hinkstapsprong op gloeiende kolen, en prikkend en druppelend toetje “De rode wurger” was de kers op de taart. Het was het einde van een bijzonder geslaagd concert dat Baars’ unieke stijl van musiceren en componeren op weer een andere manier belichtte. En daar zat het uitmuntende gezelschap natuurlijk voor iets tussen. Vaak bevlogen en zelfverzekerd, maar net zo vaak schetsend en zoekend, intiem en emotioneel geladen. Het is dan ook te hopen dat dit trio nog een tijdje verder kan, met concerten en/of opnames.

Het concert kan voor beperkte tijd online beluisterd worden.

Fish-Scale Sunrise (08-02-2015) by Bimhuis Radio on Mixcloud

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 + zes =