The Afghan Whigs :: 7 februari 2015, Cirque Royale

Een dikke twee jaar is Afghan Whigs ondertussen opnieuw bezig, en meer dan een ererondje lijkt dat een tweede leven te worden. Met een songcatalogus die een topconcert verzekert, en een frontman die zich niet meer aan uitspattingen waagt, is het een huis van vertrouwen geworden. Eentje dat garant staat voor goeie concerten, maar de routine daarbij niet weet te onderdrukken. Zaterdag, een dag na een naar verluidt straffe show in Brugge, zagen we die tussen de hoogtepunten toch af en toe doorschemeren.

“Always happy to make it to the end of the Brussels show. Still standing!”, grijnst Greg Dulli voor vast afsluitnummer “Faded”. Twee keer moest hij de afgelopen jaren dan ook een optreden in de AB afbreken omdat hij ziek was. Vanavond is daar niets van te merken. Professioneel zet het nieuwe Afghan Whigs, waarvan enkel bassist John Curley naast Dulli nog origineel lid is, een set neer waarop weinig valt af te dingen. Dulli mag zich de afgelopen twintig jaar dan regelmatig hebben verloren in drugs en alcohol, dezer dagen lijkt hij alles netjes op een rijtje te hebben. “It’s getting better, all the time”, citeert ie The Beatles dan ook, na een set die opvallend hard uit het een jaar oude Do To The Beast put.

Een nostalgie-act wil The Afghan Whigs duidelijk niet zijn, al valt het natuurlijk op dat het publiek niet een beetje, maar een pak uitbundiger reageert wanneer de groep nog eens naar Gentlemen, de klassieker die vorige herfst 21 kaarsjes uitblies en netjes opnieuw uitgebracht werd, teruggrijpt. Dat gebeurt al vroeg met “Fountain And Fairfax”, waarin drie gitaren elkaar aanjagen en aanvullen, terwijl de zanger bezweert “Angel, I’m sober / I got off that stuff, just like you asked me to”.

Het is het slotstuk van een opzwepend openingstrio dat begon met de elektrische viooldrone van multi-instrumentalist Rick Nelson die door de band wordt afgebroken met het kortaangebonden “Parked Outsided” en de al even hard aan de leiband gehouden droge funk van “Matamoros”, allebei van Do To The Beast, een comebackalbum uit 2013 dat de hoogtijdagen van de band geen oneer aandeed. Met drie gitaristen wordt dan ook een muur van geluid opgetrokken die maar één missie heeft: platwalsen.

Dat lukt aardig, maar toch krijg je tijdens “The Lottery” en “Turn On The Water” het gevoel dat Dulli zelf weinig betrokken is. Dit is een avondje werken, en met een stem die altijd al op “in het rood” staat is passie zo wel gesuggereerd, zonder dat je echt iets moet voelen. Het is een onverschilligheid die soms jeukt, maar gelukkig nooit irritant wordt. Daarvoor speelt de band te goed, en klinkt ook die ophitsende riff van “Debonair” – nog zo’n Gentlemen-uitschieter – te sterk. Dat Dulli vocaal even niet meer mee kan? Ach, schoonzingen is nooit zijn discipline geweest.

Niemand weet overigens beter dan hij hoe de eigen songcatalogus op te leuken met andermans werk. Dulli is een levende muziekencyclopedie, die “Algiers” laat voorafgaan door een flard “The House Of The Rising Sun”, terwijl “Royal Cream” uitloopt in een stukje “Tusk” van Fleetwood Mac, en we na het oude “Son Of The South” nog een streep “Roadhouse Blues” van The Doors krijgen. “Morning Theft” van Jeff Buckley wordt vollediger aangepakt, en ook uit de eigen nevengeschiedenis wordt al eens iets opgedolven: “All God’s Children” van The Gutter Twins, een project dat de frontman bijna tien jaar geleden met Mark Lanegan had, en “Teenage Wristband” van het Twilight Singers waarmee hij de periode tussen de split van Afghan Whigs en de reünie overbrugde.

Maar het zindert dus niet echt. Dat zie je ook aan de manier waarop Dulli zich tijdens eerste bis “Every Little Thing She Does Is Magic” – alweer een cover — een weg baant door het publiek. Het is een verplicht nummertje dat zonder emotie wordt afgelegd. Waarom dan eigenlijk? Wanneer “Somethin’ Hot” losbarst maakt het alweer niet meer uit. Wie niet op de zanger let – die met zijn geest al bij God weet wat zit – hoort een potige, opzwepende versie, maar geen bezielde. En dat maakt – zeker bij Afghan Whigs – het verschil uit tussen “goed” en “onvergetelijk”. Wie de groep vorige zomer Cactus Festival zag platbranden proefde het verschil, maar laten we vooral niet klagen: een Afghan Whigs op gewoonte speelt nog altijd de gemiddelde hedendaagse band naar huis. En zo was het ook zaterdag. Zullen we anders nog eens van “onvergetelijk” proberen deze zomer, Greg?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − zeven =