Counting Crows :: Somewhere Under Wonderland

De Counting Crows zijn terug. Het leek erop alsof de Counting Crows niet meer de ambitie koesterden om nog met eigen werk over de brug te komen. Nu, veel sneller dan verwacht, is er eindelijk een opvolger voor het aardedonkere, intense Saturday Nights and Sunday Mornings, uit 2008 alweer. Gelukkig mag er deze keer wat meer gelachen worden.

Het lijkt erop dat de Counting Crows sinds hun coverplaat het spelplezier hebben teruggevonden en ook al zijn niet alle liedjes op Somewhere Under Wonderland even sterk, je hoort wel altijd een band die de pannen van het dak speelt en plezier heeft. Dat blijkt uit songs als “Cover Up The Sun”, Adam Duritz in Springsteen jaren 70 modus en de band in country modus terwijl sterkhouder “Earthquake Driver” twee catchy refreinen heeft en Duritz speels en neurotisch zijn eigen psyché te lijf gaat. Heerlijk.

Getuigden de eerste vijf Counting Crows platen nog van Adam Duritz’ persoonlijke psychische problemen en rampzalig liefdesproblemen, schrijft Duritz hier kleurrijkere teksten met meer metaforen en woordspelingen dan ooit te voren. Kijk maar naar vooruitgestuurde single “Scarecrow”: muzikaal is het Counting Crows op automatische countryrock-piloot, maar tekstueel valt er geen touw aan Duritz’ rijmelarij vast te knopen. In het hard rockende “Elvis went to Hollywood” leutert Duritz dan weer over aliens op moto’s en de rampzalige gevolgen van Elvis’ filmcarrière. We verzinnen het niet.

De “nieuwe” tekstuele koers pakt nog het beste uit bij openingsnummer “Palisades Park”, een acht minuten durend rollercoaster van een nummer dat doet denken aan hun uitgesponnen live versies van “Round Here” of “Rain King”, in de vorm van een nieuw nummer. De luie trompet en piano lijken rechtstreeks van één van Bruce Springsteens eerste platen afkomstig, net zoals het verhaal over tienerliefde, verlangen en uiteindelijk verlies (“Rosalita Come Out Tonight”, iemand?). Het nummer roetsjt door een stuk of vijf tempowisselingen (met als absolute hoogtepunt de prachtige samenzang in het exuberante “Come outside” stukje, inclusief “Born to run”-glockenspiel) en is één van de meest vitale, beeldende nummers die ze al gemaakt hebben.

Het is jammer dat Duritz (en de Counting Crows) niet de hele plaat lang zo innovatief geweest zijn. “Palisades Park” is een absoluut hoogtepunt dat ze op de rest van de plaat bijna niet meer evenaren, omdat Duritz zich verliest in onzinnige teksten. Bovendien blijkt Duritz nog altijd te lijden onder de tol van de roem (ook op “Earthquake Driver”), een thema dat hij hij vroeger veel beter en scherper benaderd had: het makke “Dislocation” (wat is dat refrein toch saai) is een tekstuele schaduw van “Have You Seen Me Lately”.

Interessant én goed wordt het gelukkig wel als Duritz diep gaat graven: “God of Ocean Tides” is een mooi, akoestisch folknummer over constant onderweg zijn en nergens aankomen terwijl “John Appleseed’s Lament” Duritz zijn beste Bob Dylan-dagboektekst uit de kast haalt, terwijl de band als de Rolling Stones achter hem rocken. Afsluiter “Possibility Days” is dan weer een typisch Duritz relaas over een verloren liefde en is net zo hartverscheurend als “Anna begins” of “Goodnight Elizabeth” (de ramptoeristen onder u moeten maar eens naar het laatste refrein luisteren, waar Duritz emotioneel de trappen volledig lijkt te verliezen).

Met maar negen nummers is deze plaat voor één keer gelukkig niet te lang en de beste nummers kunnen schaamteloos naast hun allerbeste werk staan. Voor wie eraan twijfelt, meer dan ooit trekken de Counting Crows de kaart van de rootsrock: waar ze vroeger nog wat subtieler hun invloeden verborgen hielden, is het hier vaak (te) duidelijk waar ze de mosterd vandaan halen. Dit is Counting Crows anno 2014: levendig, spontaan, intens, maar niet meer zo consistent als vroeger.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + drie =