Counting Crows :: 17 november 2014, AB

Kun je het jezelf als band te moeilijk maken? Als het aan Counting Crows ligt: met overtuiging. Het is lovenswaardig dat het septet avond na avond een andere setlist brengt, maar als dat een excuus is om twee uur lang eindeloos te blijven spelen, ook als het al lang niet meer boeit, dan stelt zich de vraag of een gefocuste, kortere set niet beter was geweest. Toch: ook mooie momenten gezien, daar in de AB maandagavond.

Plots waren ze terug, die Counting Crows. Plots, omdat je al lang niet meer in hun richting keek vooral. Het was alweer zes jaar geleden dat Saturday Nights & Sunday Mornings een sof was gebleken, en toen was het op een tussen de plooien verdwenen coverplaat na stil geworden. Tot er twee maanden geleden dat Somewhere Under Wonderland was dat — kijk eens aan — een lichte wederopstanding leek in te luiden.

Het is anders niet moeilijk te begrijpen dat het niet altijd makkelijk is om Counting Crows te zijn. Debuut August And Everything After, dit jaar exact twintig jaar oud, moet met die megasingle “Mr. Jones” van bij het begin als een molensteen om hun hals hebben gehangen. Platina platen zijn allemaal goed en wel, maar ze hebben de neiging om wat volgde nogal in de schaduw te stellen. En dus is het niet verrassend wanneer enkel die echt vroege nummers massaal worden meegebruld.

Het kan ook niet anders. Counting Crows was geen band die gemaakt was voor het grote succes. Bekijk de muzikanten en je ziet een zestal brave huisvaders die op hun best bier-en-steakrock spelen: degelijk, weinig vernieuwend, weinig verrassend. Maar dat is dan zonder die frontman gerekend, want Adam Duritz doet hen zonder omzien vergeten, zelfs al zoeken zijn kompanen regelmatig de rand van het podium op om wat te soleren.

Wat een vreemde man ook, die Duritz. Met zijn ontploft hoofd vol dreadlocks heeft ie meer en meer iets van Sideshow Bob uit The Simpsons, sinds hij onthulde dat hij aan een depersonalisatiestoornis lijdt — “I’m a bit of an expert on being nuts” geeft hij toe ter inleiding van de Coby Browncover “Hospital” — lijkt hij zich ook meer en meer de vrije hand te geven als vreemde snuiter. Al van in opener “Round Here” kijk je vreemd op van de bizarre bewegingen en tics, maar ondanks het feit dat hij de zanglijn afbouwt tot een half parlando blijft het ook een nummer over outsiders, niet weten waar naartoe en foute oplossingen, dat doel treft. Het zal de laatste keer zijn dat het zo raak is, helaas.

Al te vaak blijft Counting Crows immers niet meer dan een doordeweeks bandje dat klassieke genres als southern boogie (“Scarecrow”) of M.O.R. (“I Wish I Was A Girl”) goed in de vingers heeft, maar niet echt weet te begeesteren. Dat is wel het geval met het nieuwe, op een countrybeat drijvende “Cover Up The Sun” dat tot huppelen aansteekt. Met een ingetogen “Colorblind” weet Duritz zijn publiek ook nog te begeesteren, maar daarna raken Counting Crows langzamerhand de weg kwijt. Het helpt ook niet dat elke song minutenlang wordt uitgewerkt als de pret er al lang af is, en de groep per sé twee uur wil vol maken.

Goed, “Omaha”, van dat bejubelde debuut, wordt nog luidkeels meegezongen, en dat voelt een beetje gek, tienduizenden kilometers verwijderd van die plek, maar daarna verzuipt de groep in eentonigheid waar zelfs de uptempo rock van “Elvis Went To Hollywood” en “Miami” niets aan kan verhelpen. Heel even is het akoestisch intermezzo met “God Of Ocean Tides” nog een lichtpunt, maar “Goodnight Elisabeth”, waarvoor Duritz achter een inderhaast aangeschoven piano gaat zitten, wordt opnieuw eindeloos gerekt zoals deze groep zo vaak doet.

En zo sukkelt deze veel te lang uitgesponnen set — we zijn ondertussen vijftien nummers ver en het is nog niet gedaan — zich naar zijn einde. “A Long December” moet opnieuw ingezet worden omdat Duritz het tempo te relaxed vindt en dat lacht hij weg met een “zo weet je tenminste dat het niet op tape staat”. “Hard Candy” is daarna eindelijk een stevige uitschieter, misschien wel het meest poppy nummer dat de band heeft, maar helaas ook het orgelpunt; de band gaat af.

Aan de bissen om nog een eindpunt aan dit eindeloze meanderen te breien, en dat wordt gelukkig kundig gedaan met het nogal erg op Bruce Springsteeninvloeden — die verhalende cadans, die alweer uitgesponnen teneur — leunende “Palisades Park”. Maar toch merk je dat het live niet werkt zoals het op die nieuwe plaat doet. Neen, dan is “Rain King” — je raadt het al, van op August And Everything After — overtuigender, zelfs al speelt de band het nummer in deze testosteronversie bijna, maar niet helemaal, in de vernieling.

Counting Crows mag zichzelf dus bedanken dat ze die eerste plaat hebben om op te blijven teren, maar je voelt hoe dat ook de verwachtingen overspannen houdt. Niet dat we het ontbreken van die megahit “Mr. Jones” betreuren, we kregen genoeg oud werk, maar het blijft ook frustrerend hoe het latere werk niet aan de enkels ervan kan tippen. Misschien kan de groep dat dan ook maar beter aanvaarden en uit die twee decennia na het Grote Moment enkel de beste brokken overhouden in een gebaldere setlist. Laten we zeggen dat we dat op een festival nog wel eens willen zien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − vijftien =