Freakscene’s Summer Bummer :: 10 augustus 2014, Zuiderpershuis Antwerpen

Goh, het Zuiderpershuis, dat was lang geleden. Het statige gebouw aan de Antwerpse zuiderdokken heeft er een bewogen geschiedenis op zitten. Na het vroegtijdig pensioen als hydraulische krachtcentrale opgevist als zogenaamd ‘wereldcultuurcentrum’, maar in 2012 bij het oud huisvuil gezet door Joke Schauvliege. Alsof dat niet erg genoeg was, werd het twee jaar lang gekraakt door twee dorpsidioten met een televisiecamera. Godzijdank was er nog Radio Centraal en Sound In Motion, die de oude dame van het Antwerpse Zuid voor één avond weer de krachtcentrale maakten van weleer.

Van een Summer Bummer gesproken: zo rond de tijd dat de deuren openingen, raasde de grootste zondvloed sinds, euh, Pinksteren over de Scheldestad. Druppelsgewijs strompelde de ene na de andere uitgeregende avant-gardeliefhebber het Zuiderpershuis binnen. Nu ja, eigenlijk bleek het aanwezige publiek een wel heel erg bont allegaartje van allerlei slag: een hoopje jazzfanatici (baard, tabaksvlekken op de vingers), een stevig blik Antwerpse hipsters (aansluitende broeken, retro koersfietsjes), de mannen van Radio Centraal (wazige blik, zweem van patchouli), een paar verdwaalde metalheads (paniek in de ogen) en de occasionele stoner (cara pils). Een gevarieerd publiek, da’s wel het minste wat je kon zeggen.

Bij de openingsact kwamen de freejazzliefhebbers meteen aan hun trekken. Plaatselijk gelegenheidscombo De Halve Man, bestaande uit Joachim Badenhorst en het improvisatietrio Sheldon Siegel, trapt de avond af. Of tenminste: Badenhorst en 1/3 van Sheldon Siegel, want alleen Gino Coomans neemt plaats naast Badenhorst, zet een paar glazen op de grond, en laat er speels een microfoon in bengelen. Het geluid van de kletterende regen op het dak krijgt De Halve Man er gratis bij, en het past wonderwel bij het subtiele glazen gekraak uit de speakers. Badenhorst vult het geluidsexperiment aan door een plastieken buis in zijn klarinet te steken, waardoor hij in het schemerdonker iets weg heeft van een freejazzende slangenbezweerder. Verder trakteert het duo ons nog op een krassende cello, een sputterende basklarinet, Colin Stetsonachtige saxofoongeluiden (Badenhorst is net als Stetson een krak in het circulair ademen, dat blijft indrukwekkend) en, zowaar, cymbalen die heimelijk vanachter het videoscherm verschijnen. Kleine, maar aangename verrassing op het einde van een dito concert.

Nog geen twintig seconden na het einde van het eerste concert, floept in de hoek van de zaal een spotje aan, en verschijnt de tweede act van de avond – C. Young – als een duiveltje uit een doosje. Het publiek (één voet in de bar) staat even te kijken, maar neemt snel de draad weer op bij het retrosynthgeluid van Milan Warmoeskerken (Flying Horseman, Condor Gruppe, Beach, Mittland Och Leo). Herkenbaar zijn de invloeden van Suicide en Kraftwerk, maar ook hoor je streepjes Aphex Twin, en zelfs hier en daar wat Newbeat door het geheel gemixt. In een twintigtal minuutjes giet Warmoeskerken een zevental eigenzinnige, maar best lekker in het oor liggende nummers uit zijn synths. Prettig, maar ook een beetje quirky, zo hebben we het graag.

Minder beluisterbaar zijn de twee volgende sets, die meteen ook een serieuze dip in de programmatie veroorzaken. Lieven Martens Moana en ‘het scheepswrak van’ Floris Vanhoof (mmmkay) brengen drie zogenaamde ‘refreshments’ in de vorm van eigenzinnige composities/performances. De eerste refreshment is een compositie voor gong en laserstraal, die met elkaar in het donker resoneren. Tweede is een compositie voor elektronische geluiden en hersengestuurd licht. Met dat laatste zien we Vanhoof met een futuristische zweetband rond zijn knikker die probeert twee hangende lampen te bedienen, maar niet meer verwezenlijkt dat de dingen feller of dimmer te laten schijnen. Misschien is dat een prestatie, wie weet. Derde refreshment is een compositie voor pianet en, euh, nog iets; daar bestond wat verwarring over. Het kan ook zijn dat we dat even gemist hebben. Een power nap is ook een refreshment.

Volgende ‘project’ (hoe noem je dat anders?), heet Aluda Lextherni en bestaat uit drie Radio Centraalveteranen die elk op eigen onnavolgbare wijze een hoop experimenteel lawaai maken. De eerste compositie lijkt daarin aardig te slagen, met een wall of sound (die mag u gerust letterlijk nemen: er stonden maar liefst àcht Korgs als bloembakken in een kast gestapeld; beeld u dat geluid maar eens in) die gradueel opbouwde tot een denderende drone, ondersteund door allerhande bleeps, tweets en ander ongedurig elektronisch geluid. Het tweede nummer daarentegen was heel wat minder inspirerend, met een Casio-bossanovabeat als rode draad, die doorkruist werd door onbestemd gescratch, elektronisch geneuzel en – vooral – een hoogst irritante, toon- en ritmeloze bas. Goed begonnen, jammer genoeg maar half gewonnen.

Tijd voor de hoofdvogels van de avond, te beginnen met een hoogst interessante samenwerking tussen droneopperhoofd Stephen O’Malley (Sunn O))) ) en freejazzdrummer Steve Noble. Beide heren werkten in het verleden reeds samen als het St. Francis Duo, en gingen dat deze avond eenmalig en exclusief nog eens overdoen. Velen in het publiek waren duidelijk voor O’Malley gekomen (heel wat Sunn O))) -shirts in de zaal), maar zagen met groeiende verbazing dat het vooral Noble was die alle aandacht naar zich toezoog. En hoe! Noble deed monden openvallen met werkelijk onnavolgbaar drumwerk dat raasde van abstracte freejazzuitbarstingen, over tribaal tromwerk, cymbaalgeratel, powerplay, naar dreunend stompwerk en headbangwaardig gebeuk.

O’Malley van zijn kant begon de set met abstract geschraap op zijn (botergeile) plexi ECG-gitaar en typisch free-improvgeneuzel. Niet bepaald het handelsmerk van O’Malley, maar hij brengt het er niet eens zo onaardig vanaf. Maar pas wanneer de linkerhand naar de bovenkant van de hals verhuist, en de laagste regionen van de gitaartonaliteit worden aangesproken, is O’Malley duidelijk meer in zijn element. Het is dan ook vanaf dan dat het optreden als een Saturn 5-raket van de grond komt. Misschien niet zo indrukwekkend als tijdens Sunn O)))-shows (O’Malley had ocharme maar drie versterkers bij), maar met nog steeds genoeg punch om uw trommelvliezen eens goed te laten klapperen. De combinatie tussen donderende, dreigende gitaren en het onnavolgbare drumwerk bereikt een denderende climax, om nog een vijftal minuutjes het publiek te laten rechtkrabbelen. Maar niettemin: weergaloos, verpletterend optreden.

Alsof dat nog niet genoeg was, had de organisatie nog drie andere professionele anarchisten/lawaaimakers uitgenodigd. Brian Chippendale (Lightning Bolt, Black Pus, Mindflayer), Massimo Pupillo (Zu) en Mats Gustafsson (als het herrie is, staat hij er waarschijnlijk op) hadden hun instrumenten mooi synchroon op ‘vernietigen’ gezet, en leverden een vrij korte, maar loeiharde set af. Het begon nochtans rustig, met Chippendale die vanachter zijn drumkit vogelgeluidjes produceerde in de microfoon, maar die al gauw de nek werden omgewrongen door de noise uit de knoppen van Gustafsson. Wanneer Pupillo zijn bas in het verhaal zwiert, is de chaos compleet en vervelt het trio definitief tot een bloeddorstige lawaaimachine. Vooral Chippendale reageert zijn tomeloze energie af op zijn vellen. Raad van het huis: als u binnen afzienbare tijd door een of ander malheur komt te versukkelen, en u van de Allerhoogste een tweede kans krijgt om terug te komen als eender wat, reïncarneer dan NOOIT als de drumkit van Brian Chippendale. Hij geeft zijn kit dan ook zo’n onverholen pak slaag, dat we meerdere keren denken dat-ie het ding gewoon aan gruzelementen zal slaan. Tussendoor trakteert hij het publiek nog eens op beestachtig geblaf, gegrom, en het occasionele woordje tekst, hoewel het onderscheid tussen dit alles zo goed als onbestaande is.

Wanneer Gustafsson zijn saxofoon omhangt, en zowat dezelfde behandeling geeft als Chippendale zijn drums (jongens toch, die man blaast hárd), is het hek helemaal van de dam. Het spelletje wordt een keer of drie herhaald, maar gaat nooit vervelen: de capriolen van Chippendale, het gebrom van Pupillo en het gebekkentrek van Gustafsson alleen al zorgen voor het nodige entertainment, en muzikaal wordt er genoeg afgewisseld tussen neurotisch gefröbel, manische improvisatie en rücksichtlos beukwerk dat de set voorbijvliegt. Gelukkig maar, want een half uur langer had geen mens kunnen volhouden. Het publiek moest duidelijk bekomen van dit optreden: net voor het begin van de hoofdact was al het bier op.

Die hoofdact was – gelukkig genoeg – Earth. Geen sonische atoombommen of onhoudbaar geraas, maar een dankbare oase van rust. Opperhoofd Dylan Carlson heeft eind jaren negentig zijn droneverleden aan de wilgen gehangen, en houdt zich nu vooral bezig met het componeren van ingetogen, maar ook weidse en verlaten muzieklandschappen waar het woestijnzand permanent doorblaast. Het blijft een fascinerend zicht om Carlson op een podium te zien staan: een oude, gehavende man die traag en bezwerend zijn gitaar bestiert als een wat onstabiele sjamaan. De telecaster gaat meermaals de lucht in als een afgodsbeeld, terwijl Carlson met veel gevoel de snaren beroert. Fascinerend spul.

Het optreden put uit zowel bekend werk, zoals het dreigend bezwerende “Old Black” uit het tweeluik Angels Of Darkness, Demons Of Light of “The Bees Made Honey In the Lions Skull” uit het gelijknamige meesterwerk. Ondersteund door drumster en echtgenote Adrienne Davies en bassist Don McGreevy deint Carlson zich een weg door de lange, trage, bezwerende maar intens mooie nummers. Het publiek krijgt ook nieuw werk voorgeschoteld, zoals “There Is A Serpent Coming” uit het in september te verschijnen Primitive And Deadly. Het optreden kruipt als een betoverende gletsjer naar zijn einde, met als afsluiter een waarlijk prachtig “Ouroboros is Broken”, dat leunt op een uitgepuurde, verstilde droneriff, maar voorzien werd van een melancholisch kleurenpalet, en zo het publiek gezalfd de Antwerpse nacht instuurde. Want blijven hangen met een pintje, ja, dat was niet meer mogelijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 5 =