Ray LaMontagne :: Supernova

Bijna vier jaar na het geur- en kleurloze God Willin’ And The Creek Don’t Rise keert Ray LaMontagne terug met een plaat die uit elkaar spat van de kleuren. Met dank aan Black Key Dan Auerbach dompelt hij zich niet zonder succes onder in sixties psychedelica.

Dat we op een nieuwe plaat van Ray LaMontagne zaten te wachten zou een grove leugen zijn. In de vier jaar die liggen tussen Supernova en zijn voorganger God Willin’ And The Creek Don’t Rise hadden we ons verzoend met de gedachte dat LaMontagne de belofte van zijn geweldige debuut Trouble nooit zou waar maken. Gossip In The Grain was degelijk, zelfs uitstekend bij vlagen, maar allesbehalve de semi-classic die zijn debuut wel was.

Dat zijn volgende plaat niet opnieuw een countryplaat zou worden stond in de sterren geschreven. LaMontagne is en blijft nu eenmaal een rusteloze ziel. Een gesprek met mentor Elvis Costello gaf hem het nodige zelfvertrouwen om zijn oude liefde voor onder meer vroege Pink Floyd achterna te gaan. Die invloed lijkt op het eerste gezicht nauwelijks hoorbaar te zijn, maar aan een opgedreven tempo zou “Smashing” zowel muzikaal als tekstueel niet eens zo ha rd uit de toon vallen op The Piper At The Gates Of Dawn. Of wat dacht u van “Smashing red and yellow teacups/Tripping over clover/”Have another pull” cries the Piping Plover”? Joint iemand?

De song in ”Pick Up A Gun” lijkt zich door een waas van weed te moeten wurmen om aan de oppervlakte te komen, maar het is lang niet alleen zweverig groovende flowerpower dat de klok slaat op Supernova. Het titelnummer is frisse pop zoals we dat van LaMontagne nog niet hadden gehoord en “She’s The One” rockt een flink eind weg.

Naast Pink Floyd klinken er dus nog heel wat andere invloeden door op Supernova. Voor opener “Lavender” — dat klinkt zoals je dat op basis van z’n titel zou kunnen verwachten: zomers en licht bedwelmend — leent LaMontagne de cadans van “No Man Can Find The War” van Tim Buckley en voor “Julia” dan weer een groove die bij Them in de kast is blijven liggen. “Ojai” steunt dan weer op de west coast sound van Buffalo Springfield.

Ondanks de vleugjes Britse psychedelica die her en der te ontwaren zijn, is Supernova vooral een trip doorheen een hoofdstuk van de Amerikaanse muziekgeschiedenis. Het is dan ook niet meer dan toepasselijk dat LaMontagne met “Drive-In Movies” de plaat afsluit met een ode aan dat oer-Amerikaanse fenomeen.

Als Supernova nooit verzandt in een sixties-pastiche dan ligt dat niet alleen aan de veelvoud aan invloeden maar ook aan de goesting waarmee LaMontagne staat te spelen. En natuurlijk helpt het ook dat LaMontagne zich laat bijstaan door Dan Auerbach, want er is momenteel niemand die muziek zo oprecht vintage kan laten klinken als Auerbach. Maar anders dan bij zijn productiewerk voor Valerie June het geval was, houdt hij zijn Black Keys-gitaar nu netjes op stal en behoedt hij zich er gelukkig voor om vettige vingerafdrukken achter te laten op de muziek.

Dat Ray LaMontagne een groot talent is, was al vanaf dag één duidelijk. Jammer genoeg miste hij in het verleden al te vaak de focus om dat talent tot zijn recht te laten komen. Met Supernova neemt hij meer dan waarschijnlijk een koerswijziging die fans van het eerste uur zal afschrikken, maar het is zonder meer de bevestiging van zijn kunnen waar we al zo lang op zaten te wachten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − zeven =