Linus & Kaja Draksler :: 16 april 2014, De Singer

Een bekentenis: ik ken niks van muziek. Of beter: ik weet min of meer hoe een paar akkoorden functioneren, kan een schone harmonie herkennen en zal een muzikale verwijzing regelmatig weten op te pikken. Maar hoe muziek nu echt functioneert, hoe de hele machinatie werkt? Nee, niet echt. Liefhebbers van moderne klassiek kunnen gerust in codes spreken zonder dat ik een jota begrijp van die wartaal. Gelukkig is dat niet altijd een voorwaarde om intens te genieten van muziek, zoals woensdag het geval was in De Singer.

Het duo Linus – gitarist Ruben Machtelinckx en rietblazer Thomas Jillings – bracht een tijdje geleden prachtdebuut Onland uit, een plaat als een ochtendritueel: dromerig, ongeschonden en bloedmooi. Een brokje zoete melancholie, afgesloten van de wereld. Muziek die eigenlijk helemaal niet het recht heeft om de slaapkamer of de koptelefoon te verlaten. Te persoonlijk en delicaat. Dat het hen desondanks lukte om de hele Singer stil te krijgen, zegt dan weer genoeg. Over de muziek en het publiek van De Singer.

Net als bij het beluisteren van de plaat leek het wel alsof je getuige was van een conversatie die haast te intiem was om te delen. Het ingetogen, folkachtige snarengestreel van Machtelinckx op zijn baritongitaar en de zachtjes aangeblazen tenorsax en altklarinet van Jillings wentelen voortdurend rond elkaar, subtiel aftastend, ruimte latend, met melodische flarden die soms onopgemerkt verglijden in zijstapjes of, hier en daar, even wat kleine, afwijkende geluidjes, om vervolgens weer hun opwachting te maken met een verrassende impact.

De aanloop van “Wi Sla Wa”, “Schaterhout” (compleet met spookachtige eboweffecten) en “Allemaal Goed” (waarin Jillings even in de zone van Badenhorst kwam), bewandelden paden tussen folk en jazz, hier en daar met een vaag Oosters of gerafeld randje. Vanaf “Tune Out”, met z’n draaiende getokkel en haast kristallijnen blaaswerk, en een intens contemplatief “Dit” was er al helemaal geen weg meer terug. De voorzichtige geluidsmanipulaties breidden het palet uit zonder bruuskeren en voor afsluiter “Früh Stuk”, dat al te horen was op Faerge werd zelfs even een banjo bovengehaald.

Het werken met loops gebeurde niet altijd even vlot en het was misschien nog beter geweest om die banjo (inclusief strijkstok) iets vroeger te gaan gebruiken, zodat het meer zou kunnen worden dan een experiment in de slotsong, maar Linus speelde een pracht van een concert dat je helemaal deed vergeten dat je meer dan 100 kilometer van huis opgesloten zat met een hoop vreemden. Die weliswaar collectief de adem inhielden bij zoveel moois.

Kaja Draksler dan. Eindelijk. The Lives Of Many Others werd op de valreep nog een van onze favorieten van 2013 en het was dan ook uitkijken naar het eerste Belgische soloconcert van deze Sloveense, maar in Amsterdam verblijvende pianiste. Haar comfortzone ligt redelijk ver van die van Linus, in het gebied waar de jazztraditie en de moderne klassiek elkaar tegenkomen. Wat grilliger terrein dus, maar het creëerde een vergelijkbaar effect: vervoering.

Draksler putte daarvoor gretig uit haar album, ook al bestond dit voor een stuk uit geïmproviseerde muziek. Zo vetrok ze vanuit de tumultueuze suite die op haar album terug te vinden is, maar dan zonder zich daar strak aan te houden. De rechterhand startte een struikelend figuur in het hoge register, steeds sneller, terwijl de linkerhand zich er om heen vlocht en er zich een duel leek af te spelen tussen de polen van het klavier. Draksler liet ook meteen zien dat ze niet vies is van een duik in de pianobuik, met kleine geluidsmanipulaties, papiergefrommel en allerhande repetitieve figuren.

Met “Army Of Drops” werd iets sterker naar de jazz gelonkt. Hier en daar leek Monk als referentie op te duiken, een verwijzing die op sommige momenten van tafel geveegd werd met een virtuoze sparring waarbij de handen voortdurend van dominantie leken te wisselen en Draksler zichzelf ook leek te verbazen. Knap hoe die statige,stugge donkere akkoorden een losgeslagen rechterhand aan de leiband hielden. Een stuk met een verbluffende dynamiek, maar dan moest het beste nog komen.

Ook live bleek “The Lives Of Many Others” immers een waar kleurboek van stijlen en sferen, met rauw en hardhandig geschraap en gehamer dat een denderend ritme op gang bracht dat zo uit de hiphop leek te komen en van daaruit een paar gedaanteverwisselingen onderging, om via zachtaardiger wrijfklanken en rinkelende belletjes te belanden bij een lieflijk melodietje dat aan het hinkelen sloeg, en tenslotte een kinderxylofoon en een verzameling kale noten. Daarna bleef die afwisseling een constante: het ene moment speelde Draksler sober en schijnbaar beredeneerd, even later hamerde ze met brute kracht de boel bijna aan flarden.

Noten leken als druppels uit de lucht te vallen, in grillige, onvoorspelbare patronen om van daaruit open te barsten in ronkende bombast en dromerige, haast kinderlijke fantasieën. Na een korte reis door eigen werk, speelde Draksler een versie van Monks “Ruby, My Dear”, die dan weer verrassend dicht bij de oorspronkelijke versie bleef. Met het onvermijdelijke bisnummer keerde Draksler dan weer terug naar haar speeltuin, met handen die dolden als Tom & Jerry en sterke contrasten tussen tumult en ingetogenheid.

Kortom: een avond met jonge muzikanten die elk op hun manier een territorium afgebakend hebben met een eigen vorm van poëzie. Met rijm, zachte klanken en gefluister bij Linus, en vol expressieve uitbundigheid en excentrieke beelden bij Draksler. Een bijzonder geslaagde combinatie, artiesten om te ontdekken. En daarvoor moet je niet eens iets kennen van muziek.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − achttien =