Roadburn Festival 2014 :: 10-13 april, Tilburg

De wikipedia-pagina van de stad Tilburg vermeldt onder de rubriek ‘evenementen’, naast het carnaval en de Tilburgse kermis, “Roadburn festival: underground muziekfestival in popzaal 013”. Met zestien edities onder de gordel is Roadburn intussen uitgegroeid tot een jaarlijkse traditie. Niet enkel voor de Tilburgers, maar ook voor de internationale fine fleur van de doom, sludge, psychedelica en aanverwanten. Editie 2014 liet zich kenmerken door een wederom uitstekende affiche, waarvan een dag werd gecureerd door Mikael Akerfeld van Opeth. Resultaat: verrassingen, bevestigingen, een enkele teleurstelling, maar ook een aantal fenomenale concerten, en zelfs eentje voor de geschiedenisboeken. Team enola kwam, zag, en ging volledig plat.

Donderdag

Dag 1 zadelde menig festivalganger op met een aantal verscheurende keuzes. Vier podia volsteken met grote namen is leuk, maar vraagt offers. Vandaar geen Napalm Death en Crowbar, wat ons hart deed bloeden, maar waar we wel heel wat voor in de plaats kregen. Eerst konden we onze sludgespieren opwarmen met Sourvein, die het festival op de mainstage mocht aftrappen. De heren zijn dikke vriendjes met Eyehategod (wiens Mike Williams ook te zien was vandaag), en dat was er ook aan te horen: dikke in moerasdampen gehulde gitaarlijnen, pompende ritmes en de occasionele stoneruitstap. Perfect op maat van Roadburn, en dus ook helemaal op zijn plaats hier en ideaal om in de sfeer te komen.

Sfeer, daarvoor zorgde het Franse Regarde Les Hommes Tomber met hun emotioneel geladen post-black metal. Dat klinkt weer allemaal heel artificieel (er zijn intussen meer labels voor metalgenres dan er effectief metalbands zijn), maar in de Green Room van de 013 klonk het allemaal heel organisch, en vooral ook heel erg goed. Broeiende, zwetende lappen donkere, trage post-metal die gradueel aan intensiteit wonnen en na schier eindeloos opbouwen eindigden in kletterende black metalorgieën. Het klinkt verschrikkelijk cliché, maar verdorie, deze Fransozen speelden dit spelletje met brio. Eén van de verrassingen van het festival, en dit was dan nog maar de tweede band die we te zien kregen.

Wie zin had in iets meer thrashy snelheid, kon terecht bij Lord Dying. De band uit Oregon tourt al drie maanden aan een stuk door, onder andere in het kielzog van Red Fang en dat hoorde je meteen. Lord Dying mag zich gerust de Slayer van de sludge-scene noemen, want de loodzware mix van sludge, thrash en doom metal raasde als een verwoestende bulldozer over het zweterige publiek in Stage01. Enig nadeel: Lord Dying speelt meer een aaneenschakeling van groovy riffs en mid-tempo drums dan echte nummers. Niettemin bracht de band, aangevoerd door frontman-zwaargewicht Erik Olden, een intense metalset waarin beuken centraal stond. En dat doet Slayer ook, nietwaar?

De hype rond Beastmilk zullen we wel nooit begrijpen, en het kleine stukje van het optreden dat we bekeken op de mainstage, deed ons niet meteen van gedachten veranderen. Het is een kunst om vanuit middelmatige componenten een meerwaarde te creëren en Beastmilk heeft die kunst helaas niet onder de knie. Neen, dan liever de party-animals van The Shrine, die zin hadden in een feestje, en er één kregen. De opgefokte stoner van dit Californische trio doet denken aan een kruisbestuiving tussen Fu Manchu en Monster Magnet, en kan rekenen op het verschroeiende gitaarwerk van frontman Josh Landau dat meermaals de show stal, maar ook met een grote dosis spontaniteit en humor het publiek helemaal op zijn hand kreeg. Quote van de dag: “This next song is about a friend of ours who wandered far too far into the abyss, and came back with a single dreadlock. Be careful when you experiment!!”

Eerlijk: wij hadden voor het Europese debuut van het licht gehypete Nothing een overvol Patronaat verwacht. Niet dus, maar het feit dat de voormalige kerk voor één keer geen sauna was, maakte het optreden alleen maar comfortabel. Nothing is op de een of andere manier een a-typische Roadburn-band want de shoegaze metal klinkt ondanks het oorverdovende volume warm en zelfs luchtig, in tegenstelling tot sommige kille, verstikkende doom metal. Slowdive en The Smashing Pumpkins zijn ook de bands die op Youtube rechts verschijnen als je een nummer van de shoegazeband uit Philadelphia beluistert: naast Pixies, My Bloody Valentine en Sonic Youth allemaal bands waar zanger Dominic Palermo, die voor de gelegenheid zijn haar geblondeerd had, naar refereert. Nothing joeg er een kort maar uiterst krachtige set in een halfuurtje door. Gelukkig kwamen “Dig”, “Bent Nail”, “Hymn To The Pillory” aan bod; de sterkte nummers van debuutplaat Guilty Of Nothing. Omwille van de korte set was Nothing net geen hoogtepunt, wel ongetwijfeld voor wie de band niet kent. We blijven dus bij onze mening: wat een band, wat een band.

Omwille van het korte optreden van Nothing was er nog tijd om een stukje Corrections House mee te pikken. Deze verzameling undergroundhelden (Scott Kelley, Mike IX Williams, Sanford Parker, Bruce Lamont) vormden enige tijd geleden deze industrial-superband, en brachten eind vorig jaar het misantropische, maar heftige Last City Zero uit. Op de mainstage was het stoïcijnse, licht fascistoïde logo van Corrections House op de zwarte achtergrond overal aanwezig (projectie, vlaggen, uniformen), en deze look werd onverwijld verdergezet in de muziek. Het publiek kreeg een snoeiharde, oorverdovende industrialklap om de oren. We hoorden een meedogenloos “Party Leg and Three Fingers”, met een verwoestende Scott Kelley-riff, een snoeihard “Bullets And Graves” en het old school “Dirt Poor And Mentally Ill” vooraleer we naar het Patronaat moesten hollen voor één van de meest geanticipeerde optredens van deze donderdag. Maar, toegegeven, we hadden toch spijt dat we er zo snel de brui aan moesten geven. Maar die spijt zou al héél erg snel uit ons hoofd worden geblazen.

Een concert van het Engelse Conan staat traditioneel garant voor een plaatselijke aardbeving, maar met het nieuwe album Blood Eagle (wat een naam!) kwam die al thuis uit onze speakers knallen. Het Patronaat was gewaarschuwd, maar kreeg waar het om vroeg: immense, brutale, rücksichtlose doom. Het waarlijk kolossale volume van deze drie Liverpudlians deed het hele gebouw daveren, met kanonschoten als “Foehammer” en “Altar Of Grief” op kop. Het middenrifscheurende gebrul van nieuwkomer Chis Fielding op bas blijkt een meerwaarde aan het bottenkrakende geluid van Conan, maar vooral het elegante, vloeiende drumwerk van Paul O’Neil — dat mooi contrasteert met het ultralog gitaargeluid — was een absolute winner. (bvp) verliet het Patronaat met enkele spierscheuren en een paar geëxplodeerde tandvullingen. Maar jongens, wat een verpletterende show.

(lh) daarentegen wou bijna tegelijkertijd meer muzikale ademruimte en koos voor ASG, dat in 2001 begon als All Systems Go. Op zijn minst een opvallende band in de Relapse-catalogus, die normaal gevuld is met extreme metal. Deze band rond zanger en voornaamste songschrijver Jason Shi brengt voornamelijk stonerrock met een zware psychedelische- en grungestempel. In een volgestouwde Green Room pakten ze niet alleen uit met de relatief poppy nummers “Avalanche” en “Blood Drive”, waarin zijn droge zang opviel. Er was echter ook plaats voor beukers als “Castlestorm”. De band speelde een goeie set, maar niet zijn beste of de meest indrukwekkende van de dag. Na vijf platen — en zeker het vorig jaar verschenen Blood Drive — bewijst het viertal wel dat meer aandacht aan deze kant van de oceaan verdiend is.

Hoge — nee, torenhoge! — verwachtingen voor de Texaanse stonegazers van True Widow. Het oude kerkgebouw lijkt de perfecte locatie voor een band wiens optredens bijna religieuze rites zijn. Galmende gitaren, repetitieve drums en monotone doch emotionele samenzang zorgden voor een hypnotiserend optreden, dat aanschurkte tegen shoegaze, slowcore en drone rock. True Widow bracht een perfecte set met vooral nummers van Circumambulation, een van de beste platen van 2013, maar laat de niet-specialisten ook kennis maken met enkele oudere nummers, die niet minder bezwerend zijn. Vooral “Fourth Teeth”, waarin Nicole Estill een hoofdrol zingt, en het donkere “HW:R” waren de onbetwiste hoogtepunten. True Widow is zo goed live dat je oren gaan wenen van tevredenheid. Ga dat zien op zaterdag 26 april in Trix!

Dag 1 werd afgesloten met Graves At Sea, dat ook hier weer luide, logge, en vooral smerige doom en sludge ten beste gaf. Vocalist Nathan Misterek schreeuwde als een gewond roofdier en gaf daarmee een indrukwekkende présence ten berde, ondersteund door het gargantueske geluid dat de rest van de band produceerde. Met deze knalshow keerden we, kapot maar tevreden, huiswaarts na een eerste topdag. Dat beloofde voor de volgende twee dagen.


Vrijdag

Dag twee is Mikael Åkerfeldtdag. Na Neurosis, Tom G. Warrior, Sunn O))), Voivod en Jus Osbourne bleek de Opeth-frontman een eerder ongewone keuze, die her en der op nogal wat scepsis kon rekenen. Åkerfeldt is, naast een death metalgrootheid ook een enorme progfanaat, en programmeerde vooral geestesverruimende en lichtjes geschifte rock met af en toe een middelgrote streep folk, en filmmuziek. Een ontdekkingsdag, met andere woorden.

Schandalig vroeg geprogrammeerd, maar eentje waar we reikhalzend naar uitkeken: het eerste optreden van de dag op het hoofdpodium is Magma. Deze Franse weirdo-scifi-prog rond drummer Christian Vander bestaat ongeveer veertig jaar en is in die jaren uitgegroeid tot een klein fenomeen. De band die Vander rond zich verzamelde, bestond stuk voor stuk uit klasbakken, die de complexe, gelaagde muziek van Magma tot in de puntjes beheersten, en ook het trio vocalisten vertolkten de soms kierewiete taalconstructies van het imaginaire Kobaïaans met glans. Maar het was vooral Vander zelf die met de show ging lopen, met bevlogen drumwerk op een licht komisch piepkleine jazzkit met een werkelijk enòrme hoeveelheid cymbalen, en enkele surrealistische zangpartijen die compleet kierewiet, maar onvervalst indrukwekkend waren. Ook op dag 2 weer een vroeg hoogtepunt, het begon een goede gewoonte te worden.

Retro rock is hip tegenwoordig en ook IJsland spring nu op de kar. Na Graveyard, Kadaver en Uncle Acid And The Deadbeats pakte Roadburn uit met een nieuwe, frisse naam in het circuit: The Vintage Caravan. Het publiek ging wild tekeer op de (h)eerlijke riffs en solo’s, groovende drums en psychedelische passages. De talentvolle, piepjonge IJslanders lieten dus met veel overtuiging en charisma horen waarom ze ondanks hun jeugdige leeftijd verdiend bij Nuclear Blast getekend zijn. De stijl is best te omschrijven als een opzwepende mix van heavy blues, psychelische rock, hardrock en af en toe een verdwaalde stonerriff. Stijlvol afsluiten deed het trio met “Cocaine Sally” en “Graving”. Checken dus, die debuutplaat!

Veel zwaarder en eigenzinniger ging het er aan toe bij The Body, maar daarom was het nog niet beter. Grooven doet het duo niet. Deze experimentele sludge moet het vooral hebben van zijn fysieke agressie. De in Roadburn-kringen populaire band — getuige de lange wachtrij buiten het Patronaat — zweeft tussen alles verzengde noise en monotone drone en wil daarmee chaos en hypnose teweegbrengen. Maar heel trance-opwekkend klinken dat repetitieve drumgekletter, de onaardse gitaarklanken en de feedback niet. Misschien moet het geluidsvolume (nog) hoger? Meest overschatte band van de dag.

Vooraleer we weer naar de mainstage trippelden, staken we nog even ons hoofd binnen in de Green Room, waar het Zweedse Änglagård, dat zich al twintig jaar specialiseert in ‘klassieke’ prog met een stevige seventies-vibe en een folksausje. Ook hier was het technische meesterschap imponerend (vooral de toetseninst/saxofonist is in bloedvorm), en dat zonder de drive en muzikaliteit uit het oog te verliezen. Leuke verrassing, maar wij hadden nog een afspraak met een levende legende.

Claudio Simonetti’s Goblin heeft intussen de mainstage ingenomen. Het toetsenwonder Simonetti specialiseerde zich in de jaren zeventig en tachtig in het scoren van Italiaanse en Amerikaanse horrorfilms, en verwierf undergroundfaam met de muziek voor cultklassiekers als Sleepless, Profondo Rosso en vooral George A. Romero’s Dawn Of The Dead. Het publiek kreeg dan ook een uitgebreide muzikale horrorshow, met heel erg knap uitgevoerde stukken filmmuziek, visueel ondersteund door bijpassend beeldmateriaal (Zombies! Monsters! Nog meer zombies!!!). Maar ook de ‘normale’ nummers van Goblin mogen er wezen. Tussen de proguitbarstingen door ontwaarden we vleugjes italo-disco, proto-techno, dikke strepen seventies- funk en de occasionele metal-uitbarsting. Op zijn gekst klonk de band, met Simonetti’s bevlogen toetsenspel, als een op hol geslagen atari-console die het op een jammen heeft gezet. Conclusie: lichtjes fenomenaal optreden, en een intussen zoveelste hoogtepunt halverwege deze driedaagse.

In de Green Room staat wat later op de avond (een mens moet ook eten, nietwaar) het Noorse Obliteration, dat zich in zijn relatief jonge bestaan heeft toegelegd op het zorgvuldig, maar gepassioneerd brengen van vuile, heftige, old school death metal, en dat met veel overtuiging ook doet. Het is één van de zeldzame ‘snelle’ optredens van Roadburn, maar de afwisseling is zeer welgekomen. De riffs zijn woest, het drumwerk verschroeiend en de vocalen en de teksten druipen van goorheid en verderf (“Black Death Horizon”, “Sepulchral Rites”, “The Worm That Gnaws In The Night” en meer van dat moois). Ideale energie- en misantropieboost na al dat opbeurend proggeweld.

Eén van de knappe dingen aan een toch wel heuse onderneming als het Roadburnfestival, is de strakke timing van het hele gebeuren. Zelden begint een optreden te laat, en al even zelden loopt een concert uit. Wij begaven ons dus tijdig en plichtsgetrouw naar het Patronaat voor Terra Tenebrosa, dat aan ons verkocht werd als Zweedse avant-gardemetal. Onze verbazing was dan ook groot toen we op een gezapige, nogal lusteloze soundcheck binnenvielen, waarna de band van het podium afdroop om het publiek in totaal om en bij het half uur in het Patronaat met de vingers te laten draaien. Niet bijster sympathiek, en toen het vijftal in uitgebreide kostuums en maskers het podium betrad, hadden al behoorlijk wat toeschouwers het hazenpad gekozen. Een voorbeeld dat we volgden na twee nummers, die deze groep door de mand deden vallen als een niet bijster geïnspireerde, hooguit wat smeriger incarnatie van Ghost. Voor de fans, maar niet voor ons. Prettige avond verder, heren.

Grappen maken over dronken festivalgangers en het feit dat de band misschien zal tegenvallen, omdat het laatste optreden van september vorig jaar geleden is: dit moest wel een optreden van Opeth zijn. Gelukkig voor het talrijk opgekomen publiek speelde Opeth een snedige show van anderhalf uur, waarin oude en nieuwere nummers, rustiger en beukend materiaal mooi afgewisseld werden. Zo werd er stevig geopend met “The Devil’s Orchard” en “Ghost Of Perdition”, waarin de gutturale, diepe growls van Åkerfeldt weer te horen zijn. Aangename verrassingen waren “White Cluster” (Still Life), het melancholisch zachte “Hope Leaves” (Damnation) en de progrocktopper “Atonement”. Daarna werden we weer van onze sokken geblazen met “Heir Apparent” en het mega heavy “Deliverance”, dat ons na de zoveelste keer naar adem doet happen. Opeth zou Opeth niet zijn als het die heavy lijn zou doorbreken met een soft nummer van Heritage, “The Lines In My Hand”: “Whether you like or not, fuck you”, aldus Åkerfeldt. Het afsluitende epos is minder verrassend, maar des te indrukwekkend. Beter dan “Blackwater Park” kan een kruising van prog en death metal toch niet klinken? Opeth was met een krachtige best-offset een mooie afsluiter van de tweede Roadburn-dag. Nu is het uitkijken geblazen naar die nieuwe plaat (Pale Communion) die verschijnt op 17 juni. Of gewoon naar zaterdag, natuurlijk.


Zaterdag

Na een topdag en een ontdekkingsdag: kleppersdag! De laatste dag van het reguliere festival deed ons al maanden op voorhand water lossen van anticipatie. En reken maar dat de verwachtingen zouden worden ingelost.

Het Patronaat werd geopend door het raar genaamde 11 Paranoias, dat vooral onze aandacht trok door de aanwezigheid van leden van doomgrootheden Rameses en Bong. En, o verrassing, we kregen een onvervalste lap doom op ons bord, opgeleukt met een pertinente spacey gitaar die heel het concert aanwezig was. We kregen er zowaar een saxofoon bij: een normaal gezien afwezig instrument op Roadburn, maar deze keer kregen we er al elke dag eentje voorgeschoteld. Op een doomshow. Het kan verkeren, zei Bredero, en hij ging tevreden een pint halen aan de mainstage voor het volgende optreden.

Want daar stond Richmond’s Windhand klaar om zijn geconfedereerde doom op het publiek los te laten. Het brommende gitaargeluid van Windhand liet zich opmerken door een weergaloze groove en de opmerkelijke zang van Dorthia Cottrell, die opmerkelijk goed bij stem was. Deze vrij ongewone kruising tussen zwaarte en vloeiende elegantie staat als een huis op de mainstage, en met knappe vertolkingen als “Orchard”,“Woodbine” en “Cassock” van op topplaat Soma, maar ook intense uitvoeringen van “Libusen” en “Winter Sun” uit het debuut. Alleen jammer dat Cothrell voor het laatste nummer het podium verliet en het werk aan de rest van de band liet. Een instrumentale afsluiter voor dit toch knappe optreden was niet meteen de beste keuze, maar niettemin: Windhand liet haar eerste Roadburn-passage een sterke indruk na. En dan moesten de échte hoogtepunten nog komen.

De Texaanse old school hardrockband Scorpion Child was een beetje de vreemde eend in de bijt op Roadburn. Gewapend met pure onversneden seventies rock-‘n-roll in de traditie van Led Zeppelin, Rainbow en Deep Purple leek het viertal in bloedvorm om het hardrockhart van de Roadburners sneller te doen kloppen. Bovendien hebben de stoere rockers met Aryn Jonathan Black een charismatische zanger met een stembereik waar Deep Purple’s Ian Gillan op zou jaloers zijn in hun gelederen. Er is echter ook een maar: ondanks de gebalde sound en sterke anthems (“Polygon Of Eyes” en “Liquor” om er twee te noemen) leek Roadburn niet het geknipte festival voor deze band. Ook de Roadburn-bezoeker lijkt zijn of haar grenzen te hebben. Volgende keer misschien ander festival graag.

Yob en Roadburn: het is een romance die al heel wat edities meegaat, en die dit jaar bestendigd wordt met twee optredens. Op de Afterburner speelden de heren een ‘gewone’ set (mét nieuwe nummers), maar vandaag was het de beurt om hun album The Great Cessation uit 2009 integraal ten berde te brengen. We wisten op voorhand dat we ons aan een fiks oplawaai konden verwachten, maar het uur en een kwartier dat het trio uit Portland op de main stond, was even meedogenloos, massief en nietsontziend als een denderende gletsjer. Zanger/gitarist Mike Scheidt verontschuldigde zich voor zijn stem en het feit dat de nummers al heel lang niet meer live waren gespeeld, maar daar viel helemaal niks van te merken. Vooral het ontiegelijk zware “Silence Of Heaven”, ondersteund door knappe visuals van een dreigend opkomende golf, kwam aan als een kruisraket. Roadburn zit Yob even comfortabel als een op maat gemaakt kostuum, wat bewezen wordt door de kwaliteit en intensiteit van deze epische show. Een home run, op het op zijn Amerikaans te zeggen.

En dan is het de beurt aan Old Man Gloom, wiens eerste Europese tournee hier ten einde liep. We zagen dit viertal reeds de Brusselse Beursschouwburg afbreken, maar merkten toch een gebrek aan ‘rodage’ op. De band was dan ook oorspronkelijk louter als studioproject geconcipieerd, en speelde in zijn bestaan slechts een handvol concerten. Een week na Brussel is van de onwennigheid gelukkig helemaal niks meer te merken en stond Old Man Gloom zelfverzekerd als een hechte eenheid op de mainstage. En hoe!! Vanaf de monumentale opener “Gift” is het duidelijk dat Turner, Scofield, Newton en Montano alle systemen op ‘vernietigen’ hebben gezet, en kolkt een waanzinnige sludgegolf als een pyroclastische vortex door de grote zaal van de 013. De stroom was waarlijk onstopbaar met knallers als “Sleeping With Snakes”, “Skullstorm” “Regain/Rejoin”, “Hot Salvation”, het deconstructivistische “Common Species”, het schitterende “To Carry The Flame” en zelfs enkele nieuwe nummers. Vooral de gigantische intensiteit waarmee het geheel de zaal onverbiddelijk in werd geslingerd was ronduit fenomenaal.

Er stond werkelijk geen maat op Old Man Gloom: Aaron Turner sleurde de noten als bij een kettingzaag uit zijn gitaar, en brulde als een wilde holenbeer, Nate Newton en Caleb Scofield speelden als een roedel uitgehongerde wolven, en drummer Santos Montano denderde als een bataljon panzertanks over het publiek. Er werd slechts een tweetal keer gepauzeerd om de gitaren te stemmen, maar voor de rest was het enkel genadeloos uithalen, de ene mokerslag na de andere. Met een zinderende, slopende finale waar maar geen eind aan leek te komen, diende de band het finale kanonschot toe, om het publiek voor de mainstage verweesd, gebrandschat en verpulverd achter te laten. Old Man Gloom was overweldigend, kolossaal, grandioos, fenomenaal, onvergetelijk. Ultiem hoogtepunt van deze Roadburn-editie, en eentje dat nog lang zal blijven nazinderen in de annalen van het festival. Een uur na het optreden werd (bvp) strompelend aan de merchandise-standjes gesignaleerd, met een verweesde blik in de ogen, een exemplaar van Meditations in B in de hand en iets onsamenhangend stamelend over een atoombom boven Tilburg. Als u hem tegenkomt, wijs hem de weg naar huis. Zijn kinderen missen hem.

Een woord dat wellicht al vaker gebruikt werd in een Roadburn-verslaggeving maar ongetwijfeld ook van toepassing op Indian: onaards. Niet onlogisch als de band bestaat uit ex-leden van Wolves In The Throne Room, Nachtmystium en Lord Mantis: bijna een supergroep naar Roadburn-normen. Indian speelt sludge/doom van de ruigste, luidste en meest opgefokte soort. Vooral de krijsvocalen klinken zie-ke-lijk. Nummers als “Rape” en “Clarify” van de nieuwste, bottenbrekende plaat From All Purity lieten dan ook een blijvende indruk op de oren na. Missie geslaagd voor Indian dus.

Bij het binnenkomen was de grote zaal van 013 opvallend goed gevuld voor de reünie Loop, de legendarische psychedelische rockband rond Robert Hampson. De zanger-gitarist stond vorig jaar nog op hetzelfde podium én hetzelfde festival, maar dan met industrial band Godflesh, dat zijn klassieker Pure integraal bracht. Dus zo’n verrassende naam is Loop nu ook weer niet: de Britten inspireerden met ronkende drone gitaren zelfs grootheden als Neurosis en Sun O))). Des te opmerkelijker is hun optreden wél. Hampson en de zijnen lieten met verve horen waarom ze in het duistere hoekje van Slowdive en My Bloody Valentine thuishoren. Met meeslepend, repetitief gitaarwerk brachten ze het publiek anderhalf uur in een dromerige roes en gaven ze tegelijk de gemiddelde doom-fan een geschiedenisles shoegaze. Dit was geen stoere stoner en verwoestende doom, maar wel een psychedelisch hoogtepunt van de editie. Vooral “Collision” is een pracht van een nummer. Loop als headliner was een gedurfde zet van de organisatie én tegelijk één van de aangenaamste verrassingen van Roadburn.

Laatste wapenfeit van de dag, en meteen ook van deze Roadburn-editie, is weggelegd voor Inter Arma: stadsgenoten van Windhand, maar bedreven in een heel ander variant van het zwaardere werk. Dit vijftal specialiseert zich in een stinkende potpourri van Mastodon-achtige math, zwartgeblakerde doom met de occasionele evil gitaaruithaal, zonder daarbij de neus op te halen voor sfeer en melodie. Opvallend is wel de feilloze en technisch bijna perfecte uitvoering van de nummers: hier waren duidelijk een paar klasbakken aan het werk. Inter Arma imponeerde zonder enige twijfel, maar moest op deze met hoogtepunten beladen laatste festivaldag toch de duimen leggen voor het andere geweld dat reeds was gepasseerd. Een festivaldag afsluiten kan op die manier ook een vloek zijn, natuurlijk.

Vloeken is echter het laatste waar we aan dachten toen we na drie slopende, maar muzikaal intense dagen weer de grens overstaken. Zondag stond er nog een Afterburner gepland, maar na die bij momenten waanzinnige zaterdag, was het goed zo. Roadburn 2014 was een echte grand cru, die eruit sprong op gebied van variatie, aangename verrassingen en optredens met een hoog seek and destroy-gehalte. Volgend jaar nemen we een kogelvrij vest, een helm en een familiepak Xanax mee. Je weet maar nooit…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 2 =