Bushman’s Revenge :: Thou Shalt Boogie!

Die ‘boogie’ in de titel zou kunnen doen vermoeden dat je te doen hebt met een dertien-in-een-dozijnband die covers van Status Quo en Foghat afhaspelt, maar dan zit je ernaast. Het instrumentale Noorse trio Bushman’s Revenge haalt de mosterd wel degelijk (vooral) in de jaren zeventig, maar er komt zoveel meer bij kijken dan boogie, ook op hun zesde album in evenveel jaar.

Het trio Even Helte Hermansen (gitaar, was ooit nog even lid van Shining), Rune Nergaard (bas) en Gard Nilssen (drums) startte de band ruim een decennium geleden en had blijkbaar wat tijd nodig om z’n draai te vinden, maar de voorbije jaren volgt dus de ene plaat na de andere. Die laten horen dat de band wel degelijk beïnvloed is door de blues en jams van de power trio’s van de jaren zestig en zeventig (denk Cream, Grand Funk Railroad of de Jimi Hendrix Experience), maar er wordt net iets verder over de muurtjes gekeken, met uitstapjes richting prog-, hard- en jazzrock. Zo speelde het trio o.m. ook covers van Sun Ra, Ornette Coleman en cultgitarist Sonny Sharrock.

Op Thou Shalt Boogie!, opgedragen aan Eirik Tofte, co-organisator van het bijzonder fijne Match & Fuse Festival dat we in 2013 bijwoonden, doet het trio nog eens uit de doeken dat er ook nog altijd gelijkenissen zijn met dat andere, naar de seventies knipogende Noorse trio (Motorpsycho), maar ook dat de band z’n eigen stijl en sound heeft, ook al spelen ze deze keer met een vierde man erbij, keyboardspeler David Wallumrød. Dit zit niet enkel goed geïntegreerd in de bandsound, maar geeft op hammondorgel ook de aanzet tot opener “I Am An Astronaut”, dat aanvankelijk vooral wentelende keyboards en spacy effecten belooft, maar al snel op gang getrokken wordt door de gedreven, galopperende drums van Gard Nilssen. Daarmee wordt de toon gezet, met duidelijk uitgewerkte ideeën die op zich kunnen staan. De sound is vol, maar de song wordt nergens kapot gespeeld. Het zal een constante worden doorheen de plaat.

De hoofdmoot wordt bepaald door twee kloeke excursies van respectievelijk zeventien en veertien minuten. “Baklengs Inn I Fuglekassa” gaat ingetogen van start met orgel en akoestische gitaar, maar komt al snel terecht in een slepend en slopend galeienritme dat de hoofden op een neer doet bewegen. Meteen kan je ook kennismaken met de stijl van de gitarist, die exact tussen rock, blues en jazz te situeren is, hier en daar op het frivole af klinkt, maar altijd gedreven wordt door ongepolijste soul. Mooi om te horen hoe gitaar en orgel verstrengelen in een schier eindeloze jam. Iets voor de helft krijgt die een zinderende, exotische wending, met een Indische shruti box, die het geluid van een sitar voortbrengt en gezien mag worden als een knikje richting Alice Coltrane’s “Journey In Satchidananda”, met een lome baslijn die herinnert aan die van Cecil McBee.

“Kugel Und Kraut” klinkt dan weer een pak rauwer, terend op uitwaaierend riffwerk en pompend, haast funky toetsenwerk. Nilssen laat het nummer ondanks een zeer rechtlijnige aanpak knap dansen met een prominente drive waar Wallumrød opnieuw mooi in ingebed zit. Ergens na halfweg zit er een gespreide benen moment in met knetterend snarenwerk, al kan het niet voorkomen dat de song voortijdig z’n spanning verliest. Wel knap om te horen hoe het vervolgens van antwoord voorzien wordt door het knappe “Hurra For Mamma”, een lieflijk melodietje dat haast in horten en stoten, alsof Ribot er voor iets tussen zit, gedeeld wordt.

Het stuk dat het mooist van al de behendigheid van de band in de verf zet, is misschien wel het zachtaardige “Waltz Me Baby, Waltz Me All Night Long”. Op papier niet veel meer dan een opwaartse beweging met een kleine daling, maar een prachtig voorbeeld van de suggestieve stijl van Hermansen. Het is haast gestotter, dat gitaarspel. Alsof er schroom achter zit om die melodie te delen. Je wacht op een muzikale en emotionele ontlading, die wordt immers aangekondigd door de aanzwellende toetsen, maar die laat op zich wachten en wachten, wordt uitgesteld en als die er dan toch komt, na een goede vier minuten, dan fonkelt die zo hevig dat het meteen weer voorbij is. Een machtig stukje verleiding en een mooi bewijs van de controle en het muzikale meesterschap van de muzikanten.

Bushman’s Revenge is geen band die obscure muziek maakt, maar is vermoedelijk wel een musician’s band. Het trio zou nog veel drukkere en complexere muziek kunnen maken (idem voor meer catchy en poppy), maar heeft duidelijk gekozen voor een manier van werken waar voortdurend een wind door kan waaien en plaatst geduld en vakmanschap boven het kruit meteen verschieten en vervolgens niets meer te vertellen hebben. Een band en album om gestaag en geduldig te ontdekken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × drie =