Richard Thompson is één van die buitengewone artiesten die geen slechte platen maakt en geen slechte shows geeft. En dat voor een artiest met bijna vijftig albums en zestig jaar optredens op de teller. De man is bijna tachtig, maar zodra hij het podium op stapt, de eeuwige baret op het hoofd, en hij zijn akoestisch versterkte gitaar inplugt, besef je onmiddellijk: 27, 77 of zelfs over tien jaar 87, die man kan gewoon nooit teleurstellen.
Hoewel je van zijn volledige oeuvre kunt houden, blijven de platen waarmee je hem ontdekte vaak het dierbaarst. Toen hij opende met “I Misunderstood” van op Rumor And Sigh (1991, het hoogtepunt van zijn door Mitchell Froom geproduceerde platen), kon het concert al niet meer stuk. Heel even, tijdens het eerste refrein, leek het alsof er in de hogere folky noten iets scheef zat. Maar vanaf de tweede keer had hij zichzelf volledig in de hand. Twintig nummers lang viel er geen slipper of fout meer te bespeuren. Hooguit worden zijn bindteksten op zijn leeftijd eerder gemompeld dan dat ze altijd verstaanbaar zijn. Maar dat is verwaarloosbaar. De man blijft desondanks een heerlijke kurkdroge stand-upcomedian.
Van 1991 sprong hij naar het prachtige protestlied “Genesis Hall”, de perfecte opmaat voor een eerste hoogtepunt: “Valerie”. De albumversie uit 1986 werd indertijd door enggeestige folkpuristen negatief onthaald: te glad, te commercieel en te Amerikaans. Maar live, in zijn eentje, is dit nummer puur dynamiet. Thompson brengt solo meer energie over dan een vijfkoppige stadionband, en bewaart ondanks die venijnige, agressieve gitaartwang toch alle intimiteit. Zelfs in een uitverkochte Roma.
De rest van de soloset bewandelde hij verschillende decennia, steevast ingeleid met een droge witz. Na een verrassend, fraai gearrangeerd “Pharaoh” en het recentere “Johnny’s Far Away” (een “cruiseship shanty”), eindigde hij met een dubbele knock-out. In “Walking These Long Miles Home” beschrijft hij hoe hij als tiener midden jaren zestig de laatste bus miste na optredens van huisbands The Who en The Yardbirds in The Marquee Club, om vervolgens tien kilometer door een slapend Londen naar huis te wandelen. Afsluiten deed hij met “1952 Vincent Black Lightning”, een van de allermooiste, meest breekbare songs ooit geschreven. Een meesterwerk waar elke artiest nederig voor hoort te buigen.
Na de pauze stapte zijn wederhelft Zara Phillips het podium op. Haar stem leent zich prima voor de oude Richard & Linda-nummers en ze doet het zeer degelijk. Maar het hapert ook. Het heeft iets ongepasts om zo’n supervirtuoos bezig te zien naast een vrouw die wat licht heupwiegend meedeint en bescheiden een tweede stem verleent. Dat visuele contrast marcheert anno heden gewoon niet helemaal meer.
Ze startten de tweede set met het geslaagde nieuwe nummer “Cocaine Walkin’ Booze Talkin’” (de nieuwe plaat verschijnt in oktober). Het eveneens nieuwe “Pipe Dreams” bleek eerder een middenmoot; hopelijk komt dat op de opname beter tot zijn recht. Daartussen sprongen ze naar de jaren zeventig en tachtig met “Withered And Died” en “She Twists The Knife Again”. De rest van de set klonk goed, met sterke songkeuzes als “The Rattle Within” en “I Want To See The Bright Lights Tonight”, maar een uitverkochte Roma bij broeierig heet weer maakt het lastig om de focus erbij te houden. Zeker toen er vlak achter ons een luide ventilator werd aangezet die je pardoes uit de magie sleurde. Jammer, want in tegenstelling tot de optredens met elektronische beats die ze er maar blijven programmeren, is De Roma voor dit soort intieme muziek wel een uitermate geschikte zaal.
Gelukkig was er een prachtige bisronde. Eerst met het onverslijtbare “Down Where The Drunkards Roll”, een song die linea recta in de Singer-Songwriters Hall of Fame mag. Daarna volgden “Tinker’s Rhapsody” en “Wall Of Death”. Toch voelde dat na het eerdere hoogtepunt als een einde in mineur, al valt de keuze voor dat laatste nummer thematisch als uitsmijter te begrijpen, als een mooie ode aan risico’s en de “road less traveled by”. Maar mijn god, “Down Where the Drunkards Roll” is een absolute evenknie van “1952 Vincent Black Lightning”. Hij had daar simpelweg mee moeten eindigen.
Nuja, Thompsons songtas bevat zoveel parels dat hij tien dagen op rij een andere set zou kunnen spelen. De man is een levende legende. Die moet dus helemaal niets.



