Moskus + Black Flower :: 30 september 2014, Handelsbeurs

De eerste jazzavond van het nieuwe concertseizoen in de Handelsbeurs was op papier een speciaal geval. In de praktijk ook, want het Noorse pianotrio en het Belgische Ethiojazzcombo Black Flower bewonen werelden op verschillende continenten. Niettemin werd het een mooie combinatie die zowel het hoofd als de benen bediende.

Amper een jaar geleden stal Moskus nog de show tijdens de oktobereditie van Kraakpand. Best wel straf voor een jong improvisatiegroepje uit het hoge noorden, maar ook wel te begrijpen: de drie muzikanten behoren tot die aanstormende generatie muzikanten die getraind zijn in stimulerend onderwijs en het over de muurtjes kijken met de paplepel meekregen. Zo kan het trio soms best cerebrale muziek spelen, maar dan zonder dat het een droge academische bedoening wordt. De muziek viel maar een keer stil en drummer Hans Hulbækmo moet zowat de meest stuntelige bindteksten van het jaar op z’n naam geschreven hebben, maar ze geraakten er weer mee weg, met charme, inventiviteit en sprankel in de vingers.

Opvallend was ook dat het tot ver in de tweede helft van het concert duurde voor er eigenlijk conventionele muziek gemaakt werd, zonder allerhande vreemde technieken, ritmes die er geen waren en een geharrewar van wrijf-, schraap-, klop- en dempklanken. Want dat is wat er gebeurde. Bassist Fredrik Luhr Dietrichson en drummer Hulbækmo vertoefden in een haast autistische wereld van ratelklanken, waar de fragiele aanslagen van pianiste Anja Lauvdal, eerst in verloren liepen en gaandeweg in ingebed werden. De densiteit nam stil toe, net als het volume, tot je na een klein kwartier beland was bij een soort struikelende, bijna mechanisch roterende muziek waarin niets traditioneel was.

Een sobere drumsolo vormde het luik naar een contemplatief en repetitief klankenspel, met eigenaardige pianogeluiden door het voortdurend gebruik van voorwerpen in de pianobuik. Het hortende en stotende triospel bleef markant, maar verloor ook een beetje van z’n spanning. Die werd pas opgepikt toen het trio “Yttersvingen” uit hun recente paat Mestertyven aansneed. Als uitsmijter plukte het trio ook nog “Tandem Med Sankt Peter” uit dat album. Net als vorig jaar, maar dan deze keer met wat meer franjes, werd het opnieuw een verleidelijk stukje poppy jazz, dat ondanks wat dissonante momenten een lentefrisheid bleef uitstralen. En dat was ook de algemene indruk van dit concert: een fijne (of hernieuwde) kennismaking die doet uitkijken naar wat nog komen gaat.

Black Flower, het kwintet van Nathan Daems waarmee hij in de Ethiojazz van de jaren zestig en zeventig – die van Mulatu Astatke, Hailu Mergia en Getatchew Mekuria – dook, heeft intussen een aardige live reputatie opgebouwd. Nochtans was het even wachten voor de band geraakte waar hij moest zijn. De voluptueuze, sensuele sound en stijlen van het eerder dit jaar verschenen Abyssinia Afterlife kwamen aanvankelijk wat aarzelend tot uiting. Nu ja, het is natuurlijk ook beter verstandig opbouwen dan meteen je kruit verschieten, want vanaf “Solar Eclipse” was het steeds een beetje meer opschuiven naar een kookpunt.

En meteen viel weer op hoezeer Daems (naar goede gewoonte in toepasselijke bell bottoms gestoken) zich een muzikale stijl eigen kan maken. Het zijn immers niet enkel de composities (bijna allemaal van eigen hand) die geworteld zijn in de Ethiopische muziek, maar ook zijn eigen markante speelstijl, inclusief ‘kloppende’ articulatie, de zoemende en snijdende toetsen van Wouter Haest en het fijne samenspel met kornettist Jon Birdsong, die ook nog eens dubbelde op allerhande percussie. Het sluitstuk van de band was de ritmesectie Filip Vandebril (elektrische bas) en Simon Segers (drums), die stonden te spelen alsof ze waren opgegroeid in het keizerrijk van de groove. Reggae, afrobeat, jazz, funk, het kwam allemaal samen in een strakke, ongedwongen en soms sensuele mix.

Van de eigenaardige contrasten en de associatieve sprongen was nu niet veel meer te bespeuren: dit ging over afwisselend bedwelmende en lijfelijke grooves, die in gelijke dosissen over de zaal uitgekiept werden. Het publiek bleef daarbij aanvankelijk verrassend onbewogen, alsof de aanwezigheid van tafels en stoelen de goesting om te dansen onderdrukte. Toch gingen sommigen spontaan dansen op de muziek, die daartoe uitnodigde. De band haakte steeds hechter in elkaar, de lome grooves werden kwieker en voor je ’t wist was je na een wellustige piek beland bij de psychedelische jam van de bis. Black Flower had wat tijdig nodig om te ontdooien, maar demonstreerde z’n kunnen met afgemeten samenspel en memorabele thema’s. Je zou er al van uitkijken naar een nieuwe, bloedhete zomer, met liters, liters zweet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 13 =