Marnie Stern :: The Chronicles Of Marnia

Nee, een normale albumtitel zat er duidelijk weer niet in. Na onder andere This Is It and I Am It and You Are It and So Is That and He Is It and She Is It and It Is It and That Is That krijgen we deze keer het weinig uitnodigende The Chronicles Of Marnia voorgeschoteld. Gevoel voor humor heeft de New Yorkse alleszins.

Dat Marnie Sterns bovenkamer misschien niet helemaal functioneert zoals bij u en ik bewees ze al door een concert exclusief voor honden te geven, haar blogposts consequent met ‘Marnie’s Fagina’ te ondertekenen of zich begin dit jaar gewillig te laten gebruiken door haar label in de wedstrijd ‘win a date with Marnie Stern’. Al dan niet prettig gestoord, deze meid wil gewoon rocken. Met groepen als Sleater-Kinney en Hella als meest voor de hand liggende voorbeelden, valt haar stijl het best te omschrijven als experimentele, speelse gitaarrock.

Al met opener “Year Of The Glad” zet Stern een gevaarlijk snelle rollercoasterrit in gang die je met tintelende ledematen en een licht misselijk gevoel terug op de begane grond smakt. Voor het virtuoze, energieke fingertapping gordt Marnie zelf de gitaar om, terwijl Oneida’s Kid Million haar achter de drums op snedige, maar grootse wijze bijstaat. Als een haai die moet blijven zwemmen om niet te verdrinken, raast ze in een woest tempo doorheen het album. Elk refrein klinkt als een strijdkreet. Deze chick on speed is druk, bubbelend en beschikt schijnbaar over een onvermoeibaar optimistische kijk op de dingen. In het zinderende “East Side Glory” motiveert ze met slogans als “Too much hesitation / Just go out and make it”, terwijl ze in het aanstekelijk stuiterende “Noonan” de slacker in ons een mep in het gezicht verkoopt met de woorden “Don’t you want to be somebody”/Don’t you want to be?”.

Even manisch als een riot grrrl spuwt ze haar teksten op de fijne single “Immortals” of op titeltrack “The Chroncicles of Marnia”, terwijl ze in “Year Of The Glad” klinkt als een chimpansee in nood (“o-ee-ee-ee”). Het is net die nogal unieke stijl die ervoor zorgt dat Stern balanceert op de rand van verfrissend experimenteel en ronduit hoofdpijnverwekkend. Bij het grote publiek zal ze om die reden wellicht nooit helemaal doorbreken. Ze is goed, maar net niet geweldig. Een van de weinige rustpunten die Stern zichzelf en de luisteraar gunt, vinden we op “Proof Of Life” waarin ze tussen het pianogehamer door vertwijfeld toegeeft: “All my life is based on fantasy / I am nothing. I am no one/ I’m running out of energy”. Tijd om de gitaar aan de wilgen te hangen? Op de iets minder tedere leeftijd van 37 kan ze immers nog steeds niet volledig van haar muziek leven. In “Hell Yes” dient ze zichzelf meteen van antwoord: “Down and deep I’ll never stop / Won’t give it up”. Blij dat te horen. De muziekwereld kan best wel een getalenteerde gitariste en gediplomeerde rebelse zotte doos gebruiken die de kastdeur inbeukt en Narnia binnenstormt.

Met tien gebalde, wervelende songs klokt dit album af op iets meer dan dertig minuten die je efficiënter en minder pijnlijk wakker schudden dan een adrenalinespuit in de borstkas. Niet beluisteren voor het slapengaan, tenzij je nog enkele uren met wijd opengesperde ogen van de scheuren in het plafond wil genieten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 7 =