De vrouwen van Clean Feed (1) :: Angelica Sanchez, Sara Serpa & Lotte Anker

Vrouwen hebben altijd een belangrijke rol gespeeld binnen de jazz, maar terwijl ze vroeger vooral als zangeres mochten excelleren, en later als pianiste, lijken ze de laatste decennia veel sterker vertegenwoordigd, zeker binnen de experimentele vleugel. Het Portugese Clean Feed, een van de meest productieve en veelbesproken Europese jazz- en improvisatielabels van het moment, is een van de spelers die hen een stem geeft. We brengen hier een eerste greep uit hun releases van het voorbije jaar.

Bij vrouwen en jazz wordt nog altijd eerst gedacht aan Ella Fitzgerald, Billie Holiday, Sarah Vaughan en misschien Anita O’Day. De stemmen. De dag van vandaag zijn dat ook Diana Krall, Melody Gardot en Madeleine Peyroux. Maar ze waren er al bij van het begin, want in Louis Armstrongs eerste klassieke opnames met zijn Hot Five zat zijn toenmalige echtgenote Lil Hardin achter de piano. Ook in de vrije vleugel van de jazz ging het vooral om pianistes, denk maar aan Irène Schweizer, Alice Coltrane, Carla Bley, Marilyn Crispell en Aki Takase. Tussendoor kreeg je nog een buitenbeentje als bassiste Joëlle Léandre.

Anno 2013 is dat wel even anders. Je hebt nog steeds een aantal opvallende vocalisten, maar het gaat breder. Viool, trompet, saxofoon, bas, ze hebben allemaal hun afvaardiging. De meest bejubelde gitaarexpert van de voorbije jaren is niet toevallig een vrouw: Mary Halvorson. Maar er is meer, denk maar aan Sylvie Courvoisier, Susie Ibarra, Christine Abdelnour, Magda Mayas, Eri Yamamoto, Silke Eberhard, Alexandra Grimal, Okkyung Lee, Lina Allemano, Ingrid Laubrock, Jessica Pavone, Matana Roberts, etc. Stuk voor stuk opvallende figuren die hun eigen terrein verworven hebben of het volop aan het afbakenen zijn. En dan heb je ook nog deze recente releases, waarop een vrouw de hoofdrol speelt:

Angelica Sanchez Quintet – Wires & Moss

Sanchez maakte in het midden van de jaren negentig samen met echtgenoot Tony Malaby de overstap van Arizona naar New York. Haar carrière ontvouwde zich niet met zo’n rasse schreden als die van de saxofonist (die een verbluffend lange discografie kan voorleggen), maar ze behoort stilaan toch tot de meest gerespecteerde muzikanten van de scène. Ze was te horen aan de zijde van grootheden als Wadada Leo Smith en Rob Mazurek, maakt deel uit van Harris Eisenstadts September Trio (met Ellery Eskelin) en heeft toch al een handvol releases uitgebracht. Wires & Moss is na het kwintetdebuut Life Between (2008) en de solorelease A Little House (2011) haar derde album voor Clean Feed.

Meteen wordt duidelijk dat Sanchez niet de vrouw van het Grote Gebaar is. Haar pianostijl is relatief ingetogen, doordacht en lyrisch, terwijl haar composities voortdurend op subtiele wijze spelen met compositorische elementen en improvisatie. Ze bevindt zich op het kruispunt tussen mainstream en avant-garde, waar muziek meteen fascineert, maar pas na een tijdje z’n geheimen vrijgeeft. Stukken als “Loomed” en “Soaring Piasa” nemen verschillende gedaanten aan, maar die gedaanten schuiven vaak ongemerkt in elkaar. Mooi om te horen hoe het stekelige spel van gitarist Marc Ducret en dat van Malaby voortdurend onderhevig zijn aan koerswissels die laveren tussen abstractie en directere focus, met soms verrassend melodieuze ideeën die helemaal niet zo ver verwijderd zijn van de werelden van pop en rock.

Een veelzeggende titel is misschien wel die van het afsluitende “Bushido”, dat verwijst naar de gedragscode van de samoeraikrijgers, die gebaseerd is op een aantal kernwaarden. Het lijkt wel alsof de integriteit en sereniteit die daarmee doorgaans verbonden zijn ook in deze muziek terugkeren. Er wordt soms onverwacht gekronkeld en de virtuoze ritmesectie Drew Gress/Tom Rainey bewandelt soms erg vrije paden, maar zelfs in de schijnbare desintegratie lijkt een vastberadenheid te schuilen die voortvloeit uit een speels ingeklede, maar ijzeren controle. Ultra-expressief en vurig gaat het er niet aan toe, maar dat samengaan van een vrij toegankelijk geluid en een sterke diepgang maakt van Wires & Moss een plaat die de luisteraar overtuigt van meerdere luisterbeurten.

Sara Serpa & Ran Blake – Aurora

Met Aurora begeeft Clean Feed zich even in minder vertrouwde wateren, al was het nu ook geen wilde gok, want Camera Obscura (2010), het vorige album van de 34-jarige zangeres en de intussen 78-jarige pianist, kon rekenen op aardig wat enthousiaste kritieken. Dat is ook te begrijpen, want ondanks hun sterk uiteenlopende afkomst — Serpa is een Portugese die omhoog klom via de rangen van muzikanten als Greg Osby, Blake een New Englander die altijd de schemerzones tussen jazz, gospel en klassiek opzocht — en leeftijd, was het samengaan van die twee aparte stijlen een vanzelfsprekendheid. Deze keer waagt het duo zich aan “The Great American Songbook”, al moet je al een behoorlijke stevige kennis van vocale jazz en oudere muziek hebben om hier meer dan een handvol nummers van te herkennen.

Zo is introductie “Saturday”, misschien wel het meest ‘klassiek’ klinkende nummer van de plaat, eentje dat ooit opgenomen werd door de jonge Sarah Vaughan, maar krijg je ook een stuk dat werd gecomponeerd voor een film van Fritz Lang (“Dr. Mabuse”, gezongen in vocalese) en twee composities – “When Autumn Sings” en “Love Lament” – die op maat van Abbey Lincoln werden geschreven, maar ook wat bekender spul als “Last Night When We Were Young”. Die songkeuze werd doorgaans overgelaten aan de encyclopedische expertise van Blake, die er ook “The Band Played On” uit Hitchcocks Strangers On A Train bij sleept. Serpa’s vibratoloze, wat ‘vlakke’ stem klinkt nog altijd wat meisjesachtig, maar vormt een mooi samengaan met Blakes sobere, filmische speelstijl.

Op zich moet je hier dan ook geen forse statements verwachten. Dat zich net het omgekeerde voordoet – een performance die zich niet te buiten wil gaan aan extraverte gimmicks, maar aan nuance en evenwicht – zorgt er net voor dat het album z’n identiteit krijgt. En hoewel het blijft wringen om “Strange Fruit” te horen in zo’n kale versie door zo’n ‘onbeschadigde’ stem, is het nog altijd een pak interessanter dan de dik aangezette emokrakers die je elders vaak zal horen. Soms vloeit de muziek, fleemt ze, verleidt ze, maar zo’n “Moonride” is dan weer een en al struikelende hoekigheid, terwijl Blakes solomoment “Mahler Noir” nog eens verwijst naar z’n reputatie van vooraanstaande ‘Third Stream’-pianist. Prima plaatje.

Lotte Anker, Rodrigo Pinheiro & Hernani Faustino – Birthmark

Net zoals heel wat anderen gingen we een paar jaar geleden compleet overstag bij het horen van Floating Islands van het trio Lotte Anker, Craig Taborn en Gerald Cleaver. Dat was muziek met een minimalistische aanpak, een gestaag ontvouwende overmeesteroperatie, maar die dreef op een monumentaal klinkend ritualisme. Het was de transcendente spiritualiteit van Coltrane en Sanders, maar dan in een verschroeiend eenrichtingsverkeer. Het betekende voor de toen 51-jarige Deense saxofoniste een kleine doorbraak. Sindsdien was ze ook in België te horen (met die muzikanten, plus bassist Thomas Morgan), en hier in het gezelschap van twee aanstormende talenten van de Portugese scène.

Pinheiro en Faustino zijn namelijk tweederde van het RED trio (met Gabriel Ferrandini), dat recent twee bejubelde albums opnam met John Butcher (Empire – No Business, 2011) en Nate Wooley (Stem – Clean Feed, 2012). De stijl die daarbij gehanteerd wordt is van een heel andere orde, ook al is ze net zo instinctief als die van Anker (op sopraan-, alt- en tenorsax): abstract, hoekig en onvoorspelbaar, spelend met details, resonanties en onwerkelijke geluiden. Het mooie is dat de muzikanten erin geslaagd zijn om de geconcentreerde intensiteit van Ankers vorige platen te combineren met het haast pointillistische van RED trio. Dat leidt hier tot een samengaan dat even herkenbaar als bevreemdend en donker impressionistisch aanvoelt.

Gaat het nu eens om een heen-en-weer-gekaats van ideeën (“Upper Bound”) of gestaag toenemende ernst met een verbeten onderhuidse passie waarin elk instrument vecht voor een plaatsje (“Golden Spiral”), dan vang je hier en daar een glimp op van een lichtvoetiger, parallelle wereld (“Theorem”) of de gecontroleerde vurigheid van Ankers werk met Taborn en Cleaver (“Rise”). Het mist de overkoepelende meeslependheid en de nauwere focus van Floating Islands en vergt door de voortdurend verschuivende ondergrond een grotere inspanning, maar de taal die hier gesproken wordt, is die van schaduwrijke verfijning, elastische interactie en nu en dan verrassende schoonheid.

Binnenkort deel 2 met Kris Davis, Sophie Agnel en Susana Santos Silva.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + negen =