Primavera Sound 2013 :: This dance good, yes?

“The Postal Service? In Barcelona?” Meer dan deze vaststellingen hadden uw mannen en vrouw niet nodig om een vlucht te boeken naar de stad van Gaudi en Messi. En dan moest de rest van de affiche nog bekend gemaakt worden. “Is dit hipster city international? Fuck it, we gaan dansen!”

Het is ànders, zo’n festival op beton waar geen camping maar een hostel dient geboekt, en waar je overdag de tijd voor sightseeing hebt als je tenminste op tijd uit je bed raakt. Hadden we immers altijd al gedroomd van een festival waar zowat elke act in het donker kan gedijen, dan blijkt dat in de praktijk iets minder gemakkelijk te verhapstukken. Zei Confucius immers niet ooit “Wie danst tot vijf uur in de ochtend, zal voor de middag geen man zijn”?

Woensdag 22 mei

Dat zijn echter zorgen voor later. Vandaag wordt immers nog maar voorzichtig opgewarmd met één podium en een line-up die voor middernacht klaar is. Het aperitief als het ware, en het eerste hapje daarbij is The Vaccines, een groep die de laatste twee jaar alomtegenwoordig is geweest, en dat blijkt. Van bij de opener — het nogal aan de Strokes schatplichtige “No Hope” — raast de band door een set vol nummers waarvan je wat verbaasd vaststelt dat je ze allemaal kent. Toch maakt het allemaal een wat banale indruk. “Wreckin’ Bar (Ra Ra Ra)” is nog aanstekelijk, “Wetsuit” een heerlijk anthem voor de jeugd, maar bij een vuller als “Melody Calling” krijg je het gevoel dat het allemaal niet meer dan een charmante oplichtingstruc is; gewoon een andere pose om meisjes te versieren. Halverwege zijn de singles op, en verzandt de groep in een moeras van dertien in een dozijn rockers als de Pavementpastiche “Aftershave Ocean” en is de opwinding weg. Geen intelligente opbouw van de set dus, al werkte dat openingsspervuur wel goed als captatio benevolentia om de tweede helft verteerbaar te maken.

Het Spaanse Delorean pakt het dan weer omgekeerd aan, en bouwt zijn set op van hoogtepunt naar hoogtepunt. Met nummers die erg leunen op de ravetraditie van begin jaren negentig, herschept de groep de betonnen vlakte voor de Ray Ban Stage tot een zweterige discotheek met anthems als “Real Love” of “Stay Close”. Ergens ver weg over het water achter het podium ligt het danseiland Ibiza; met Delorean lag het heel even in het openluchttheater van de Rayban Stage.

Donderdag 23 mei

Wat doen we vandaag? Aftellen naar The Postal Service, natuurlijk! “Jongens, er is ook nog wat anders te zien vandaag”, bezweert (mba) ernstig, en hij troont ons mee naar de verste uithoek van het terrein waar het aardig over de koppen lopen is.

Wie bij Poolside wat gefrommel achter een batterij knopjes verwachtte, was eraan voor de moeite. De “Daytime disco”-act uit Los Angeles treedt op de Ray Ban Stage aan als heuse liveband met bas, toetsen en drums. De set ging veelbelovend van start onder de avondzon, maar het gebrek aan variatie begon na verloop van tijd te storen. Vermakelijke disconummers, dat wel, met het hitje “Do You Believe” als uitschieter. De lome housebeat onder afsluiter “Take Me Home” zette finaal aan tot dansen.

Silence Yourself, het fel bejubelde debuut van Savages, wist ons maar matig te bekoren, maar na de doortocht van de groep op de Pitchfork Stage, kunnen we er niet om heen: op het podium weet de band wél te overtuigen. Het is de verbetenheid van zangeres Jehnny Beth, gekoppeld aan de krachtige ritmesectie, die voor heel wat dreiging zorgt. Jammer genoeg krijgt gitariste Gemma Thompson midden in de show een kwartier lang met technische problemen af te rekenen, zodat de set moet ingekort worden. Het euvel haalt de vaart wat uit het optreden, en pas naar het einde toe, tijdens “Flying To Berlin”, vindt Beth haar verbetenheid terug. Desalniettemin: sterk staaltje snedige postpunk.

In België verkoopt Tame Impala amper een AB uit, op Primavera krijgt de Heineken Stage een massale toeloop voor de Australiërs te verwerken. Die vinden het allemaal prima, voor een show die naar zeggen van frontman Kevin Parker tal van eerste keren bevat: een eerste keer in Barcelona, eerste keer voor een volle maan, en natuurlijk is het ook het debuut van bassist Cam Avery, die de onlangs vertrokken Nick Allbrook vervangt. Hij kwijt zich aardig van zijn taak, maar toch voelt de trippy muziek van de groep wat belegen aan. Dit is wel héél erg psychedelisch gejam, muziek voor mensen die hun joints nog steeds op de hoes van Dark Side Of The Moon rollen, met wat extra Led Zeppelingitaren. Enkel “Solitude Is Bliss” en “Elephant” weten de eenvormigheid van afgekloven hippieclichés wat te doorbreken. Applaus voor de visuals echter, die de show op zich boeiend weten te houden.

Aan de andere kant van het terrein — ja, wij zullen nogal wat marathons afleggen dit weekend — vinden we Dinosaur Jr. die de reüniefase van zijn carrière blijft aanhouden. Helaas is het vandaag zo’n dag waarop het niet helemaal lijkt te werken. Gek genoeg houdt Jay Mascis het volume van zijn Marshallversterkers op een redelijk niveau, maar erger is dat er iets niet lijkt te kloppen, zelfs al merk je nog steeds hoe de sterkte van deze groep zijn neus voor melodie is, hoe Lou Barlow die in “Budge” op zijn bas kan overnemen. Jammer dus dat de heren er weinig zin in lijken te hebben, en voor een flauwe performance tekenen. Snel weg, dus: post vatten voor — ja! ja! ja! — The Postal Service.

Zeggen dat we afgelopen jaren full-time naar een reünie van Jimmie ‘Dntel’ Tamborello en Ben ‘Death Cab For Cutie’ Gibbard hebben uitgekeken, zou de waarheid geweld aandoen. Daarvoor hadden de heren die boot zelf duidelijk genoeg afgehouden. Niettemin: dubbel zo blij dat het er nu toch van gekomen is, op de kop af tien jaar nadat hun debuut Give Up eigenhandig een nieuw genre tussen elektronica en pop in definieerde. Slechts één bescheiden tour leverde dat toen in 2003 op, vooraleer het duo terugkeerde naar zijn hoofdbezigheden, maar vandaag wordt het project nog één keer de grote podia opgerold.

Dit is wat danspop moet zijn. Van bij de opener “The District Sleeps Alone Tonight” versmelten de beats van Tamborello en de melodieën van Gibbard tot perfecte songs. De frontman smijt zich daarna in de finale van “We’ll Become Silhouettes” voor een eerste keer achter de drums, om de muziek nog wat meer punch te geven. Dat werkt goed. Aan de andere kant van het podium staat nog wat vrouwelijke versterking, waarvan vooral Jenny Lewis op gitaar en toetsen opvalt. Zij is het die het zelfbeklag van Gibbard in het “he said/she said”-duet “Nothing Better” duchtig van antwoord dient. Samen met de zanger maakt ze er een bijna campy Sony & Cheruitvoering van; een zeldzame knipoog in een optreden dat voorts Gibbards liefdesverdriet van jaren geleden herkauwt. Ook in “Turn Around” — één van de twee nieuwe songs die afgelopen maand aan de re-issue van Give Up werden toegevoegd — is Lewis nadrukkelijk aanwezig, met de vanzelfsprekende attitude die haar ook bij Rilo Kiley zo’n sterke frontvrouw maakte.

Eén plaat hebben om een concert lang uit te putten betekent helaas dat ook de flauwe nummers daarvan moeten afgeleverd worden. Niemand zit echt te wachten op “This Place Is A Prison”, noch op het wat flauwe “Be Still My Heart”. Gelukkig is er “A Tattered Line Of Strings”, dat tweede nieuwe nummer, dat met een euforisch refrein Primavera opnieuw richting discotheek trekt.

Dit is hipster city international: hier kent men woord voor woord het werk van Postal Service, en meer, zo blijkt bij hoogtepunt “Such Great Heights” waar zelfs de gitaarbrug luidkeels wordt meegebruld. Deze groep is gemist geweest, jawel. Gibbard en Tamborello hebben duidelijk nog steeds de optie om dan toch die tweede plaat te maken en Postal Service zo groot te maken als zou moeten. Maar nog steeds lijkt dat niet de gemaakte keuze. “Don’t get your hopes up” is het vaste commentaar van de frontman, en is de laatste zin van het concert niet een alweer massaal meegezongen “Everything Will Change” (uit “Brand New Colony”), als wilde Gibbard nog maar eens benadrukken “Dit was toen en hiermee is dit ook weer afgelopen”? Het zijn vandaag zorgen voor later, want dit optreden pakken ze ons nooit meer af.

Was het in november nog toetsenman Andy Morin die thuis was gebleven, dan past dezer dagen drummer Zach Hill voor de lentetour van Death Grips. Wel immer aanwezig: de imposante frontman MC Ride die in zijn eentje — Morin verstopt zich helemaal links — het lege podium moet vullen, en dat ook doet. De beats van “Get Got” suizen en cirkelen, “I’ve Seen Footage” beukt en hamert bijzonder functioneel luid.

Four Tet schuwt het experiment aan het begin van zijn set niet. Het publiek krijgt een fikse lading clicks ‘n cuts, in ware Mille Plateaux-stijl, in de maag gesplitst. Na een kwartier neemt de vierkwartsmaat het over. “Moth”, de samenwerking met Burial, komt voorbij, en afsluiten doet Hebden in stijl, met “Love Cry”.

Ondraaglijk hard staat het geluid bij Fuck Buttons. Dit is geen festival waar Joke Schauvliege iets te zeggen heeft. In ons hoofd maken we alvast de mental note om zaterdag zeker onze oordopjes niet te vergeten voor My Bloody Valentine. Vanavond verwonderen we ons echter vooral over de transformatie van Fuck Buttons. Waar de groep vroeger tekende voor indrukwekkende golven noise, die de luisteraar optilden en overrompelden, dan krijgen we op de ATP Stage een banaal beukend zootje. Laat maar dus, zeker aan dit volume. Er valt immers een goed plekje te veroveren aan de Primavera Stage voor Animal Collective.

Drie uur lijkt ook voor de band rond Avey Tare en Panda Bear echter te laat te zijn om nog goed te functioneren. Voor dit soort publiek van hipcats en andere muziekliefhebbers optreden zou nochtans een gewonnen thuismatch moeten zijn, maar de groep heeft de fut niet om de bal dat open doel in te trappen. Saai en ongeïnspireerd begint de groep met “I Think I Can”, maar ook een “Today’s Supernatural” iets later klinkt ongeïnspireerd en zonder de oprechte waanzin die het nodig heeft. Even is er een opflakkering met het aangenaam laidback “What Do I Want? Sky” en een ietwat traag opgebouwd, maar uiteindelijk puik “My Girls”. Het is echter duidelijk dat de nummers van het recente Centipede Hz repetitiever werken, en hun draai niet vinden in deze set. Het is wachten tot een afsluitend “Purple Bottle” — met flard “I Just Called To Say I Love You” van Stevie Wonder — van op doorbraakplaat Feels uit 2005 om eindelijk de energie-explosie te krijgen die er van bij het begin had moeten zijn. Een ontgoochelend einde van deze dag.

Vrijdag 24 mei

De temperaturen namen vandaag een duik, het waait daar aan de rand van de zee nogal stevig, maar al bij al moeten we in Barcelona niet vrezen voor Belgisch weer. De aangekondigde regen blijft uit, en zelfs met pinten aan vijf euro zit de sfeer er snel in.

Verantwoordelijk daarvoor: Nick Waterhouse, een olijke Amerikaan die vastbesloten is te blijven doen alsof de jaren vijftig nog niet voorbij zijn. Het is zo retro als de pest, maar op een podium dat met veel enthousiasme de laatste volle zon vangt, werkt het. Bij deze willen we het nog een laatste keer benadrukken: de arena van de Rayban Stage — waar op de achtergrond de golven tegen de Catalaanse rotsen slaan alsof het niets is, godbetert — wordt zwaar onderschat. Met schwung en power, maar ook met de vrolijk zwiepende rokjes van de in stijl geklede danseressen en vooral aanstekelijke rock-‘n-roll als “Say I Wanna Know” is dit een zonnig begin.

De zusjes Deal hadden een beetje strategische make-up aangebracht en zagen er misschien frisser uit dan tijdens de eerste Last Splash-tour. Good for them, maar dat wilde niet zeggen dat The Breeders al hun slacker-manieren plots hebben afgeleerd. Statisch en met een verwaaide glimlach om de lippen gaan ze op zoek naar hun poprock roots. Het 20-jarige Last Splash vertegenwoordigt het leeuwendeel van het concert, maar de volgorde moet eraan geloven en debuutalbum Pod levert met Beatlescover “Happiness Is a Warm Gun” en “Limehouse” extra speerpunten aan een vlot concert. Omsingeld door afgeknipte jeans, Converse sneakers en hemden met ruitjesmotief zou dit evengoed 1993 kunnen geweest zijn, maar of The Breeders vanavond in Barcelona zieltjes hebben kunnen winnen, valt te betwijfelen, het was recht voor de raap old school-ninetiesrock die geen centimeter afweek van de overbekende vibe en songs. Wie al een ondergekraste Last Splash in de platenkast had staan, mocht van Kim en Kelley gewoon nog eens bij hen op bezoek op de Memorielaan 93. Gezellig.

Perfect uitgekiend of niet — manager/vader Knowles moet zowat de pa Lukaku van de muziekbusiness zijn –, maar het plaatje bij Solange klopt volledig. Van haar afrokapsel over de maatpakken van de muzikanten tot het achtergrondkoortje; alles aan de show ademt funky jaren zeventig. De slow jams uit haar EP True krijgen een pittige, bruisende uitvoering en ook het nieuwe “Looks Good With Trouble”, vanavond helaas zonder Kendrick Lamar, weet te overtuigen. Gezien dit nog steeds de Pitchfork Stage is, sluit Solange slim af met haar cover van Dirty Projectors’ “Stillness is The Move”. Laat dat debuut nu maar komen. Watch the throne, Beyoncé!

Overgrown, het nieuwe album van James Blake is iets minder experimenteel (lees: geëvolueerd richting echte songs) dan zijn debuut, maar daar valt vanavond weinig van te merken. Het moment dat de Brit het podium opkomt, gehuld in een lange vest, en vervolgens onder de volle maan een basdreun waar onze kiezen nog van natrillen op het publiek afvuurt, zal ons nog lang bijblijven. “The Wilhelm Scream” en “CMYK” zetten meteen de toon: het is de bas die het vanavond voor het zeggen heeft. En kijk, in deze viriele, doortastende versies weten vele nieuwe nummers (“Overgrown”, “Digital Lion”, “Voyeur”) ons wel te bekoren. Jammer dat rapper RZA, die hier morgen met zijn Clan aantreedt, niet even langskomt voor “Take A Fall For Me”. Maar verder geen opmerkingen.

Headlinertje zien? Headlinertje zien. Naar de Heineken Stage dus, waar Blur na een knallend openend “Girls & Boys” een half uur lang voor het wat minder evidente werk als het punky “Pop Scene”, “Trimm Trabb” en “Caramel” kiest. “Tender” zorgt voor een eerste moment van bijna religieuze samenzang, geleid door Damon Albarn en een viertal achtergrondzangers, “This Is A Low” opent vervolgens het Britpopfeestje dat ontploft met een stevig hobbelend “Country House” en verder gaat met “End Of The Century” en natuurlijk “Parklife”; een feest van herkenning.

Een machtig trio in de bissen maakt de pret compleet. Eerst dat sterke “Under The West Way”, het eerste nieuwe teken van leven in jaren van Blur, daarna “For Tomorrow” en afsluitend “The Universal”; alweer een feest van samenzang. Een scheurend “Song 2” volgt uiteindelijk nog, als ultieme uitsmijter en als beste bewijs dat de verloren jaren na de split in 2003 best zo snel mogelijk worden ingehaald met een nieuwe plaat. Deze groep is nog lang niet over zijn hoogtepunt heen.

We trekken opnieuw een spurtje, want het is weer aan de andere kant van het terrein te doen. Eerder deze maand zorgde The Knife voor heel wat controverse met de optredens ter promotie van het nieuwe opus Shaking The Habitual, aan de Primavera Stage lijkt daar geen sprake van. De erg conceptuele performance vindt hier wel een vatbaar publiek, dat niet begint te mekkeren over het ontbrekende “live”-aspect maar accepteert dat deze groep ook maar gewoon een manier zocht om zijn elektronische muziek visueel boeiend te houden. En en passant een paar statements over de leegte van de klassieke concertposes te maken; zo zijn ze ook wel weer, die Zweden.

Je vraagt je meteen af waarom niet meer elektronische groepen deze route verkennen. Niets is immers saaier dan een muzikant ingetogen over zijn laptop gebogen te zien, liever deze show dus, waarin een troep dansers een loopje neemt met traditionele optredens: plaats nemen achter een piano voor “Ready To Lose”, een nummer waarin geen toetsen te horen zijn, stilstaan op “Full Of Fire”,… Het zijn groteske uitvergrotingen van vermoeide clichés. “Networking”, waarbij de groep het podium een nummer lang leeg laat, is echter van de setlist geschrapt.

Het zorgt voor een meer gecondenseerde versie van de show die we begin mei in de AB zagen, en dat werkt wonderwel vanavond. De bijna amateuristisch aandoende dans op het podium zet aan tot mee bewegen, en dat is de bedoeling. “We dansen niet om de perfectie te bereiken, maar omwille van de vreugde die het te weeg brengt. Het is gewoon leuk”, vertelde de groep onlangs in een verhelderend interview op The Quietus, en dat is het ook. Wanneer het optreden zijn climax vindt met een beukend “Silent Shout” is het half vijf voorbij, maar de nacht voelt nog jong. De zin om alsnog een discotheek in te duiken is groot, maar het lijf wil niet meer mee. Wij moeten morgen nog een Sagrada Familia beklimmen, dus het bed wenkt. Taxi!

Zaterdag 25 Mei

“This is our European house music song,” roept Bradford Cox tegen de wind op zaterdagmiddag “It’s gonna be a fucking huge hit… I think.” Hij heeft een drumcomputer vast waarmee hij systematisch een lege dancebeat laat versnellen richting 200 BPM en meer. “Do you like this? Yeah? Do You?” Deerhunter staat op het ranzigste-bier-ooit-podium ter vervanging van Band Of Horses. Niet iedereen in het publiek weet wie de band is en er mag wat gelachen worden vandaag. Dit is Deerhunter op halve snelheid nadat ze op donderdagavond al het hipster-zonnebrillen-podium tot een kolkend rocktheater hadden herleid. Zwarte pruiken, geïmproviseerde haute couture en een set die het midden hield tussen hoogtepunten uit Halcyon Digest en het nieuwe rauwere werk van Monomania.

“Send my heart to the sea! And send me an angel!” krijste Cox, terwijl zijn introverte tegenpool, gitarist Lockett Pundt, nauwelijks voorbij de puntjes van zijn sneakers durft te kijken en wanneer hij daar toch in slaagt heeft hij de blik van een man die uitkijkt over een veld van tienduizend dode Bambi’s. Ok, we zagen er niet meer zo fris uit op dag drie, maar niet overdrijven hé Lockett. Pundts’ “Desire Lines” was op beide optredens een hoogtepunt. Anyways, Deerhunter klokte af na één killeroptreden en eentje los uit de pols en alles wat ze doen is op één of andere manier prachtig want ze zijn die rare disfunctionele familie van de indierock die we samen altijd graag zullen zien. Amen!

Bij Wu-Tang Clan is het altijd bang afwachten welke leden precies zullen komen opdagen. Helaas geeft Method Man vanavond verstek, en wie de clan de laatste jaren aan het werk zag, weet dat dit live een serieuze aderlating is. Huisfavoriet Ghostface Killah is wel van de partij, maar rapt alles samen misschien twee of drie verses mee. Zonde. Het is RZA die de show draagt, onder meer met een freestyle over “Come Together” van The Beatles.

Dat er dit jaar nog een nieuw Wu-album zou verschijnen, is nauwelijks op te merken. Het zijn de klassiekers die elkaar in snel tempo opvolgen: “Bring Da Ruckus”, “C.R.E.A.M.”, “Wu-Tang Clan Ain’t Nuthin’ Ta F’ Wit”, “Reunited”, “Shame On A Nigga”, … Omdat RZA tijdens “Gravel Pit” zijn verhoopte moshpit niet te zien krijgt, breidt de clan er finaal

“Protect Ya Neck” aan, waarop het publiek wel helemaal wild gaat.

Het is verbazend hoeveel lof Nick Cave & The Bad Seeds begin dit jaar kreeg voor Push The Sky Away, in essentie immers niet meer dan de zoveelste gelijk klinkende plaat van Nick-de-ambachtsman. Ook op het grote podium van Primavera krijgen we deze Cave te zien: het is allemaal verschrikkelijk goed gebracht, maar nooit bekruipt je het gevoel dat je de oude songs niet al eens beter hebt gehoord. Wat we willen zeggen: Cave zet al zo lang een geperfectioneerde versie van zijn eigen personage neer, dat we er geen persoonlijkheid meer in proeven. Het is het betere acteerwerk, evenwel wat vermoeider geworden met het slijten der jaren waardoor een “Red Right Hand” of een nochtans dreunend “Tupelo” bijlange niet meer zo dreigend aanvoelen als ooit.

Wanneer Cave het duet “The Weeping Song” in zijn eentje brengt, wordt ook snel duidelijk wie hier ontbreekt: voormalig Bad Seed Blixa Bargeld (Einstürzende Neubauten). Zonder zijn vaderrol mist het nummer alle drama die het nodig heeft, en ook zijn dwarse gitaarspel wordt sinds zijn vertrek in 2003 hard gemist. En dus krijgen we rustig en ingetogen nieuw werk als “Jubilee Street” of “The Skyway” dat Cave een lange oude dag in theaters allerhande zal garanderen als de tijd daar rijp voor is.

Tot dan moeten we het doen met dit: een erg degelijk optreden van Nick Cave & The Bad Seeds. Want begrijp ons niet verkeerd: de oude kraai is nog steeds een showman van het zuiverste water, hij smijt zich als een krolse sater in het publiek voor “Stagger Lee” (“SUCK MY DICK!”), laat “The Mercy Seat” oudtestamentisch donderen en beuken, … maar nooit heb je het gevoel dat het echt ter plekke gebeurt: het is droog gerepeteerd doorheen de jaren van touren, tot het niet meer werd dan dat: show, geen concert.

Op papier leek de grote ATP Stage een trapje te hoog voor Phosphorescent, maar Matthew Houck veegt dat soort bedenkingen van bij aanvang met een stevig gebaar van tafel. “Is het podium met uitzicht op zee nogal weids? Dan zetten we de echoknop gewoon een paar streepjes naar rechts”; dat idee. Uiteindelijk brengt de band waarmee de songschrijver tourt de smachtende countrysongs op zich al behoorlijk wat steviger dan op het dit jaar verschenen Muchacho. “Tell Me Baby (Have You Had Enough?)” smijt de armen dus weid open, en smacht en zucht. Het klinkt geweldig zoals het zich tot ver over de golven kan ontvouwen. We zouden zelfs durven zeggen dat deze setting de man beter afgaat dan de kleine en intieme rotonde van de Botanique waar we hem eerder deze maand zagen.

Met “Song For Zula” heeft Houck misschien wel de song van het jaar geschreven, en ook vandaag is het een hoogtepunt. De songsmid laat de gitaar even aan de kant om zich over een elektronische bas- en drumsound helemaal als zanger te tonen. Het is ver van wat in talentenjachten als “The Voice” zou worden beschouwd, maar net door dat gebroken stemgeluid, dat elk moment uit elkaar lijkt te kunnen vallen, weet Houck te raken. Conclusie? Phosphorescent verdient dit grote podium.

Dan Deacon had een onverwachte gast had meegebracht. Een van formaat en die werd met gepaste grandeur geïntroduceerd: eerst vroeg Deacon aan het publiek van de Pitchfork Stage om naar het podium te wijzen en dan om zachtjes 180 te graden rond te draaien. “Do you see that thing you’re pointing at?” Nachtwolken met een witte glinstering. “That is the moon, the real headliner of this festival.” Een duizendtal hipsters staan als onschuldige kinderen te wijzen naar het wolkendek boven de Middellandse Zee. “Now the moon is shy tonight, but if you all just point straight at it and call him, he might come out, come on everybody, yell ‘come on moon’,”.

Iedereen schreeuwt richting maan op het moment dat de wolkensluiers wegschuiven. Een magisch moment en een zeldzaam ogenblik waarop Primavera niet aanvoelt als een showcase van Cool, maar een echt gemeenschapsgevoel ontstaat. De van de pot gerukte danswedstrijd moest toen nog komen. Er werden kapiteins aangesteld, andere mensen werd opgedragen om te dansen zoals T-Rexen. Met een heel brede smile danste iedereen mee richting My Bloody Valentine. De Amerikaanse dance, door een liveband opgestuwd, was op zich niets al te bijzonder, maar wel een tribaal feestje dat wérkte als een Zwitserse koekoeksklok en dat ook de Oezbeekse DJ naast ons perfect begreep. “This dance good, yes?” Jazeker, Alexei!

Is dat het brandalarm dat daar in gindse verte afgaat? Neen, het is My Bloody Valentine dat “Only Shallow” inzet, en — Joke Schauvliege nog aan toe! — dat zelfs op aanvaardbaar geluidsniveau doet. Het duurt zo even vooraleer het optreden zijn draai vindt, maar wanneer de volumeknop gaandeweg iets meer wordt opengedraaid, kunnen we ons alsnog onderdompelen in wat niet minder is dan een zuiverend geluidsbad.

Er zit reliëf in de wall of sound die My Bloody Valentine vanavond optrekt. Zo wordt “Loomer” met veel gevoel voor melodie gebracht. Kevin Shields wisselt geen woord met het publiek, maar houdt de touwtjes stevig in handen. Op het einde van de set trekt de band echter alle registers open. Terwijl we onze dan toch verschroeide oordoppen terugzoeken, beloven we plechtig de woorden “withete noise” niet meer in de mond nemen als het niet over deze band gaat. Anders krijgen we klappen van de cliché-politie van The Knife.

Het is bijna vier uur, het einde van het festival wenkt, maar Primavera is nog niet uitverteld. Want wat doet een mens op zaterdagnacht? Dansen, verdorie, en vanavond ligt de discotheek voor de Primavera Stage waar Hot Chip voor de zoveelste keer toont waarom het de strafste liveband van het dance-circuit is. Van bij opener “How Do You Do It?”, een naadloos aansluitend “And I Was A Boy From School” tot de dubbele piek “Ready For The Floor” en “I Feel Better” stampt en davert dit als een met industriële precisie afgestelde machine. Geen spoortje van vermoeidheid bij Joe Goddard, Alexis Taylor en de andere groepsleden; zij werken zich in het zweet. Ook wij slaan nog een laatste keer de benen uit en dansen de slaap en het besef dat het vliegtuig straks veel te vroeg wacht nog even weg. Primavera; we zien u graag volgend jaar terug.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + 9 =