Primavera Sound 2016 Porto :: Een nieuw lief

“Ze hebben daar gras!” “De sangria is niet te versmaden!” “Je moét de pastéis de nata geproefd hebben!” Zeggen dat (lh), onze vooruitgeschoven pion, de laatste jaren dolenthousiast was over de Portugese variant van het Spaanse hipsterfestival Primavera, is een understatement. Wat doen wij dan? We checken dat zelf eens uit, want beton is ook maar beton.

Donderdag 9 juni

Toegegeven: de affiche van Primavera Porto is net iets minder epoustouflant dan die van Barcelona. Hier géén LCD Soundsystem, laat staan Radiohead, maar het is een kniesoor die daar op let. En bij enola zitten geen kniesoren, no sir! Wij duiken recht in de actie en omhelzen de eerste act die we tegenkomen. Of toch niet helemaal.

Want zijn dat de gitaartjes van Real Estate? Zo lijkt het wel, maar achter die aanstekelijke jengel gaat vandaag Wild Nothing schuil, en die lijken het recept niet helemaal beet te hebben. De melodieën pakken niet, de songs bieden net te weinig, en wij doezelen veel te voortijdig weg, zo in deze lentezon. Misschien moeten we eerst iets eten, oppert iemand. Wij zijn van het gemakkelijke type: we geven haar gelijk. Uiteindelijk checkt dat gigantische voedselaanbod zichzelf ook niet.

Welgevoed vinden we onszelf terug op de aangenaam hellende — lees: altijd goed zicht –- hoofdwei, waar oude bekenden voor spanning zorgen. Want met Deerhunter is het altijd weer afwachten wat je krijgt. Hoewel de band met elke plaat weer een stukje toegankelijker werd, konden hun zaalshows nogal eens ontaarden in nukkige, hermetische chaos. Maar vandaag schijnt de zon, is frontman Bradford Cox goedgezind –- inclusief luchtvioolspel en onnozele praatjes met het publiek — en krijgen we een set met Deerhunters meest poppy songs. “Duplex Planet” is er zo eentje, met een glansrol voor de rinkelende gitaar van Lockett Pundt, en ook Halcyon Digest-lievelingetjes “Desire Lines” en “Helicopter” koppelen dromerige zweverigheid aan magistrale gitaarpartijen.

Het feedbackende duo “Cover Me (Slowly)” en “Agoraphobia” grijpt even terug naar het lawaai van vroeger, maar lang mag dat niet duren: géén uitgesponnen galmoutro’s, geen verpletterende geluidsmuur, alles wordt vandaag uitzonderlijk strak gehouden. Wie wil, kan zich zelfs aan een voorzichtig dansje wagen, dankzij het eightiesgeluid van “Living My Life” (van op laatste plaat Fading Frontier), waarin een paar conga’s bovengehaald worden én een sax die ook later nog het groovy, haast naar disco neigende “Snakeskin” mag inkleuren. Deerhunter heeft zichzelf nog maar eens heruitgevonden, en dat bevalt ons wel.

Dresden Dolls zonder de Weimarfixatie: zo presenteert Julia Holter zich vandaag, en dat blijkt toch iets te weinig. Theater genoeg, met al die vocale capriolen, uithalen en wat dies meer, maar verder heeft dit weinig te bieden dat een beetje kop of staart heeft, of het zou de knappe Dionne Warwick-cover “Don’t Make Me Over” helemaal op het einde moeten zijn. “Een beetje An Pierlé”, oppert iemand in ons gezelschap. Klopt, maar An Pierlé heeft wel altijd ook zelf songs gehad.

Drie jaar doet Sigur Rós het al zonder Kjartan Sveinsson, en het zijn lange, moeilijke jaren geweest bij momenten. Met Kveikkur bracht de groep kort na het vertrek van de toetsenist al een plaat uit, waarop ze bij momenten bruut en rauw als een echte rockband klonken, maar live moest het toch nog steeds met de toeters en bellen van het Okkur Ensemble dat voormalig strijkerskwartet Amiina moest vervangen. Het is pas nu, in de aanloop naar de opnames van een nieuwe plaat, dat er voor het eerst echt als trio naar buiten wordt getreden.

En dat werkt. Vanuit het halfduister bouwen de drie muzikanten met het nieuwe “Óveður” ergens achteraan op het podium een slepende, elektronische groove op die ondanks zijn nieuwe geluid toch al bekend voelt. Het is klein en intiem, en dat blijft zo wanneer de piano van “Staralfur” volgt. Pas halverwege “Saeglopur”, wanneer drummer Orri Páll Dýrason vliegensvlug zijn positie rechts gaat innemen, wordt het gordijn eindelijk opzij geschoven en barst het concert open.

Met zijn halfduistere belichting blijft de sfeer echter knus. De pump and circumstance –- uniformen! confetti! — van de “Við spilum endalaust”-tour zijn ver weg, vandaag opereert Sigur Rós tussen een hoop zeldzaam oplichtende stellages met hoogstens de projecties op de achtergrond als inkleuring. “Glósóli”, “Vaka” en “Ný Batteri” passeren, en dat voelt als een greatest hits-set, al zakt die later wat in met het al te hard naar de bevalligheid van Explosions In The Sky lonkende “Festival” en het flauwe “Yfirborð”. Het potige “Kveikkur”, met zijn slepende, zichzelf in de rede vallende drums, is een broodnodige wake-up call die eindigt met het aloude bisnummer “Popplagið”.

Dat eindigt wanneer frontman Jónsi Birgisson zijn gitaar in de drums smijt en Dýrasson over zijn omver geworpen batterij de scene verlaat. Wat dat was? Geen idee, beleefd groeten volgt niettemin, en voor ons: tijd voor de conclusie dat dit trio er vandaag zo goed in geslaagd is het geluid van weleer te recreëren, dat je je afvroeg waar die vierde zich vroeger mee bezig hield. Grapje natuurlijk, maar u mag dus gerust zijn: Sigur Rós staat er weer. Al hadden we van een tour “om songs te testen voor we opnemen” meer verwacht dan één nieuw nummer. Misschien krijgen we dat straks op Dour. U leest het dan hier.

Maar laten we vooral verder gaan, want Dag Eén van dit Primavera is nog niet gedaan. En Parquet Courts, wat maken jullie het ons moeilijk. Met Human Performance leverden de New Yorkers vlotjes de plaat van het jaar, een verzameling heerlijk puntige rockers, maar live blijkt dat toch een ander verhaal. Nochtans doet de hoekige, boze opener “Dust” het beste vermoeden, met zijn gefrustreerde huisvrouwentekst –- “Dust is everywhere / Sweep!” — en Velvet Underground-gitaren, maar het rommelige halfuur dat daarna volgt, heeft weinig te maken met de strakke band van op de platen. Het naar de Modern Lovers neigende “Berlin Got Blurry” jakkert voort aan een tempo dat het nummer niet staat; songs als “Paraphrased” worden dan weer de dieperik ingejaagd door de ondermaatse zang van Andrew Savage.

Het is doorbijten, zeker met de regen die ondertussen de sfeer nog wat meer komt verpesten, maar gelukkig is niet de hele set zo’n puinhoop. “I Was Just Here” is drammerig zonder te vervelen, zeker in de nijdige slotminuten, en ook het zwaar aan The Clash schatplichtige “Pathos Prairie” rammelt lekker weg. Bommetje “Sunbathing Animal” mag op het allerlaatste moment voor de ultieme deus ex machina spelen: Savage blaft zich een weg doorheen een golf van gitaren, en Parquet Courts doet alsnog wat het beloofde: de hele wei vlotjes overhoop spelen. Volgende keer graag wel iets sneller aan beginnen, jongens, we hebben niet altijd zoveel geduld.

“In de vorm van zijn leven”, concludeerden we begin april nadat we zagen hoe Animal Collective die tegenvallende tiende plaat Painting With… deed vergeten. En dat we ze die headlinerposities deze zomer wel zouden zien waarmaken. How wrong we were. Als drie zoutpilaren staan Panda Bear, Avey Tare en Geologist achter hun installaties, tussen poppen die bastaardkinderen van Miró en Picasso konden zijn. Dat kennen we, en in de Botanique maakte het ook niet uit. Vandaag, op dat verschrikkelijk grote podium, met een setlist die de obscure gaatjes van de eigen catalogus opzoekt, stoort dat verschrikkelijk. Er valt geen bal te zien, en erger nog: geen bal te dansen.

Waar Animal Collective in Brussel de beats liet knallen, is het vandaag de lijzige zang van pandabeer Noah Lennox –- al jaren hallftime Portugees overigens — die domineert, terwijl we zo nood hebben aan de whoops en hollers van Avey Tare. Zo’n “Burglar”, bijvoorbeeld, dat aan elkaar hangt van de stuiterende ritmes en vocale tics. Wanneer “Golden Gals” voorbijkomt, zo’n drie eindeloze jams verder, ben je blij dat er eindelijk een soort van echt “liedje” voorbij komt. “Waar komt dat vandaan”?, vraag je je af, maar je bent dankbaar. Want heremejezus, wat zijn de beesten het aan het uithangen vandaag. Dat er een nieuwe tourdrummer mee is, wil bijvoorbeeld zeggen, dat ie ook voortdurend elk moment actief moet zijn, met fills en rolls, en kleine accentjes. En die interactie met de band moét natuurlijk wel eindigen in een epische spacejam die vooral veel geduld vraagt. Wanneer we zelf even moeder natuurs roep moeten beantwoorden, merken we: het wordt verdomd druk aan de toiletten. En hoe hard we ook uitkeken naar het afsluitende “Floridada” –- de beste single van de groep, ooit –- maakt deze middelmatige versie heel weinig goed. Ontgoochelend slot van de dag? Geen peilstok is lang genoeg om onze teleurstelling te meten. Get your shit together, Animal-mannen!


Vrijdag 10 juni

Wist u dat Hendrik De Zeevaarder in Porto is geboren? Wij sinds vandaag wel, en verder diepten we vooral onze kennis over die lokale godendrank uit. Dat die rode eigenlijk als digestief bedoeld is, bijvoorbeeld, maar laat uw bomma toch maar in het ongewisse, ze heeft al zo weinig zekerheden meer. Enfin, dat we klaar zijn voor nieuw melodieus geweld. Hips!

Op het hoofdpodium mag Cass McCombs dag twee aftrappen. Hij is op tijd, wij helaas niet — de metrorit is altijd weer langer dan gedacht. We kunnen enkel nog afsluiter “County Line” meepikken, een prachtige americanasleper die het bijzonder goed doet in de namiddagzon. En dus kijken we een podium verder, waar Destroyer, de band die de saxofoon lang voor The War On Drugs weer hip maakte, minstens even gezellig staat te doen.

Sinds Kaputt uit 2011 grossiert de band rond Dan Bejar in ietwat gladde, uitgesponnen songs, die nogal makkelijk weggezet kunnen worden als “aangename achtergrondmuziek”. Dat ís ook zo — pintje erbij en voeten in het gras, meer moet dat soms niet zijn — maar gelukkig zit er nog een pak meer in deze band. De onnavolgbare manier waarop de frontman zijn verhaal doet in “Chinatown”, de theatrale uitbarstingen in “Forces From Above”, en de wisselwerking van sax en gitaar in “Times Square”, ze getuigen allemaal van de unieke kracht van deze band.

Want eigenlijk is dit een ongelooflijk rare festivalgroep, zo smooth als hij klinkt, en zo weinig communicatief als hij is (Bejar, droog: “This is another song.”), maar toch werkt het wonderwel. Als hij vertelt, hangt het publiek aan zijn lippen, en zijn band staat zo sterk te musiceren dat het niet uitmaakt of er flinterdunne disco (“Bay Of Pigs”) of complex gefriemel (“Song For America”) van komt; het blijven steevast fascinerende songs. Mensen van slechte wil zouden deze muziek in een heel fout hoekje kunnen wegzetten, maar zo zijn wij niet: Destroyer maakt wat fout is juist héél aanvaardbaar.

En dan is het tijd voor de oudste act van dit festival — alles bij elkaar geteld is dit stelletje bejaarden waarschijnlijk een jaar of 600 — die een plaat van 50 jaar geleden komt spelen: Brian Wilson en zijn Pet Sounds, uiteraard. Er moet eerst even met het publiek gespeeld worden (“How long can the girls yell? And how long can the boys yell?”), maar dan zit Wilson klaar achter zijn piano en zijn we vertrokken voor een ongegeneerd rondje fun, fun, fun. Het concept is Pet Sounds integraal spelen, maar openingsduo “California Girls”/”I Get Around” belooft meteen al veel meer, en de wei staat al heel snel op zijn kop. Wilson blijft er, zoals gewoonlijk, iets statischer bijzitten, waardoor we net als bij vorige concerten met een zeer dubbel gevoel staan te luisteren. Want vindt hij dit zelf eigenlijk wel leuk? Of is het een opdracht die hij liefst zo snel mogelijk afwerkt, en is dit dus niet meer dan ongepast aapjes kijken?

Het zal de hele set lang onduidelijk blijven, met een Wilson die zijn teksten van een autocue afleest, maar net zo goed met zichtbaar plezier (en rare moves) zijn band dirigeert. Hij lijkt ook alerter en minder afwezig dan in de AB enkele jaren geleden: wanneer hij “I Just Wasn’t Made For These Times” aankondigt als “a really good song, you should listen to these lyrics”, lijkt het niet eens zo ingestudeerd te zijn. Wilson neemt ook behoorlijke stukken van de nummers voor zijn rekening, “That’s Not Me” zelfs zo goed als integraal. Vocaal is het natuurlijk allemaal wat onzeker, maar wanneer de backings hem ondersteunen –- in “Sloop John B” bijvoorbeeld, waar de hoge noten overgenomen worden door Matt Jardine (jawel, zoon van) –- hangt er toch weer magie in de lucht. Er wordt bovendien elk concert van setlist gewisseld: ruimte voor échte spontaneïteit zal er wel niet zijn, maar los uit het hoofd geblokt is dit ook niet.

En dan moet het allermooiste nog komen: na “Caroline No” is Pet Sounds afgewerkt, en blijft er nog wat tijd over voor vijf nummers dolle pret. Het rijtje onverslijtbare klassiekers –- van “Good Vibrations” tot “Fun, Fun, Fun” –- dat de set mag afsluiten, laat moeiteloos de hele wei dansen. Want hoe prachtig Pet Sounds ook is, het zijn toch deze songs die in het collectieve geheugen blijven hangen en meegezongen worden door jonkies én festivalgangers op leeftijd. We kunnen enkel hopen dat Wilson er in zijn hoofd minstens evenveel plezier aan beleefde.

Als de zon onder is gegaan, is het uit met de fun. Tijd voor cultuur. PJ Harvey heeft een lange set gekregen, en neemt dan ook haar tijd. Eerst mag een marching band de boel op gang roffelen, wat over loopt in een eindeloze intro. En dan — dan pas — als ze eerst gezellig wat op haar sax heeft getoeterd, opent Polly Jean haar strot. Met “Chain Of Keys” is meteen duidelijk dat dit geen vervolg wordt op de Let England Shake-tour. Stond ze daar stokstijf centraal in het lang wit als een schikgodin het oorlogsleed te bezingen, haar band verbannen naar een klein hoekje van het podium, dan is dit de keerzijde. In stemmig zwart laat ze zich omringen door een veelkoppige band, die de songs van The Hope Six Demolition Project rijkelijk inkleuren, waarbij vooral de alomtegenwoordige sax opvalt. En ze danst, gestileerd maar uitbundig.

Het zwaartepunt ligt vanzelfsprekend bij die nieuwe plaat, waarop Harvey haar nieuwe, quasi journalistieke benadering van het songschrijven van oude oorlogen naar het nu trekt. Afghanistan passeert, in “The Orange Monkey”, Kosovo in “The Wheel”. En in “The Community Of Hope”, haar gecontesteerde visie op een sociaal woningbouwproject in de Amerikaanse hoofdstad, zijn de achterbuurten van Washington DC ook een soort oorlogszone. Waarna ook de oude krijgsconflicten aan bod mogen komen, en de band vierklauwens in een stevige brok Let England Shake duikt. “What is the fruit of this glorious land?” klinkt het, het antwoord verkillend “Often children”. Soldaten als lappen vlees hebben we dan al gehad.

Het wordt zoals steeds licht onderkoeld gebracht. Harvey is de vrouw niet voor veel bindtekst of betrokkenheid: ze heeft een strakke show in gedachten, virtuoos vormgegeven en uitgelicht, die pas naar het einde toe enige interactie toelaat. Een speelgoedschaap in het publiek wordt opgemerkt, en plots is er ook ruimte voor een stel oude favorieten. “50ft Queenie” klinkt verschroeiend met een Harvey die krijsend over het podium kronkelt, “Down By The Water” dan weer zwoel en verleidelijk, terwijl de monotone blues van “To Bring You My Love” intens brandt. Maar toch mag het zo niet eindigen. Het stof wordt uit de kleren geklopt, de waardigheid opnieuw bij elkaar geraapt, en statig doet een uitfadend “River Anacostia” uitgeleide tot enkel ingehouden samenzang overblijft, en die ene zin: “Wade in the water, God’s gonna trouble the water.” Overrompelend.

Een stevige dosis oorsplijtende gitaarrock als afwisseling? Enkel (jvb) is daar klaar voor, en vindt zijn weg naar Mudhoney dat, met zijn dertigste verjaardag in zicht, nog geen tekenen van sleet vertoont. Mark Arm en de zijnen blijken in bloedvorm tijdens het doorbreken van de stilte die viel na het verschijnen van Vanishing Point, ondertussen drie jaar geleden. Het opmerkelijk jonge publiek wordt getrakteerd op de nonsens van “Chardonnay”, maar net zo goed op een messcherp “I’m Now”, waarbij de overgave waarmee de songs gebracht worden telkens indrukwekkend is: ondanks de vlotte wijnconsumptie tussen en tijdens de songs, geeft Arm zijn innerlijke Iggy Pop vrij spel. Climax is — enigszins voorspelbaar, maar daarom niet minder efficiënt — het niet kapot te krijgen “Touch Me I’m Sick”, dat door een nieuwe garde omarmd lijkt te worden als anthem. Op naar de dichtstbijzijnde drankstand om de opgelopen gehoorschade weg te spoelen.

Toestanden ondertussen aan de stemmige Superbock Stage: twee keer komt Kiasmos op, laat het zijn eerste nummer horen, waarna simpelweg de plon springt. Haargekrab aan de PA achter ons, en koortsachtig overleg. Komt er nog wat van? Een derde keer laat op zich wachten, en dus bevinden we ons even later aan de andere kant van het terrein, onder de vliegtuighangar die Pitchfork Stage heet. En daar kreeg Protomartyr zijn boel wel aan de praat.

Bijzondere band dat, overigens. Frontman Joe Cassey ziet er met zijn slonzige hemd en jasje als een verfomfaaide Trump-aanhanger uit, en gedraagt zich ook als die irritante dronken lul op café, die het allemaal eens goed zal uitleggen. Het is fascinerende anti-rock-‘n-roll die neigt naar het parlando van Mark E. Smith van The Fall, maar het krijgt erg competente backing mee van gitarist Greg Ahee, die er zijn scherpste post-punklicks uitperst, terwijl Scott Davidson op zijn bas niet vies is van een Peter Hooklijn meer of minder. Cassey declameert, blaft in het rond, om de set uiteindelijk met een triomfantelijk “Why Does It Shake” naar een hoogtepunt te brengen. Teruggekomen aan de Primavera Stage horen we dat Kiasmos ernaast zijn shit eindelijk aan de praat heeft gekregen en dat klinkt nog lekker ook. Sorry mannen, wij vonden helaas een geweldig alternatief.

En dan worden we geconfronteerd met een raar kantje aan het hipsterfestival dat Primavera is: sommige bands bevinden zichzelf plots in een situatie waar ze zich zelfs in hun stoutste dromen nooit hadden durven zien. Op een hoofdpodium als afsluiter bijvoorbeeld, en dat is voor Beach House behoorlijk naar adem happen. Want wat doe je als relatief obscure groep die enkel clubs gewoon is, als je plots een ganse volgelopen wei moet behagen? Het “niets” dat in dit geval het antwoord van Victoria Legand en Alex Scally was, volstaat doorgaans niet. Het podium voelt akelig leeg, zo zonder echt indrukwekkende visuals en belichting, en ook de setlist is niet van dien aard om deze headlinerplek te rechtvaardigen.

Waar de band vroeger meester was in ellenlange spanningsopbouw en zachtjes knetterende climaxen, is dit vooral een kabbelend concert dat zich de hele tijd aan min of meer gelijke snelheid voortsleept. Dat is voor een groot deel de schuld van voorlaatste plaat Depression Cherry, waaruit hier al te gretig wordt geplukt. Niet dat er in essentie iets mis is met “Beyond Love” bijvoorbeeld (de synths zijn vintage Beach House, en de stem van Legrand blijft eeuwig mooi), maar er gebeurt zo verdomd weinig in. Neen, dan het wonderschone “Myth”, dat heeft een mens nodig om op dit late uur de aandacht vast te houden, met de meeslepende gitaarpartijen van Scally en Legrand die zich van haar minst zweverige kant laat horen. Helaas zijn die momenten al te zeldzaam, waardoor hun dream pop dreigt af te glijden richting slaapverwekkendheid; niet het allerbeste idee om twee uur ‘s nachts na een lange festivaldag.


Zaterdag 11 juni

Harry Potter is geboren in Porto! En de oorspronkelijke trap van Zweinstein vindt u in boekenwinkel Lello. Hebben wij ons als dikke Amerikaanse toeristen gedragen? Neuh, mooie boekjes gekocht, dat wel. En alweer niet helemaal op tijd op het festivalterrein geraakt, want Porto is te tof. Sorry, Cate Le Bon!

Moeten we immers ook eerst van de Portugaldeskundige enola-alumna (jla): een broodje varkenspoot met kaas eten. Het culinaire aanbod op Primavera gaat mijlen verder waar Werchter of Pukkelpop stoppen, en voor een lokale specialiteit draait de organisatie ook zijn hand niet om. Sympathiek. Misschien moeten Herman of Chokri straks ook maar iets van bij ons op de kaart zetten. Waterzooi, bijvoorbeeld, of stoofvlees. Of laat anders maar.

Ter zake: Algiers. Blijft een taaie band om grip op te krijgen, maar er zit iets in het geluid dat de groep uit Atlanta, Georgia, neerzet. Franklin James Fisher laat zijn soulstem krijsen en scheuren, de soldaten achter hem doen loops ratelen, gitaren gieren, en drums kletteren, tot het allemaal een soort Nine Inch Nails met zwarte accenten wordt. Helaas klinkt alles zo hoekig, zo tegendraads, dat het al eens moeilijk om volgen blijkt. Dat is geen probleem bij opener “Black Eunuch” of het afsluitende “Remain”, maar wat daartussen gebeurt is vaak meer sound dan song, en dat is net iets te mager. En toch hebben we ergens het vermoeden dat als Fisher de boel ooit weet te harnassen in songstructuren, hij met iets heel bijzonders zal afkomen. Uitkijken naar die tweede plaat, dus.

Dé revelatie van dit festival staat in de verschrikkelijke loods die het Pitchforkpodium is. Car Seat Headrest, want over die jonkies gaat het, trekt zich daar geen moer van aan: lekker spelen kan overal, en het Portugese publiek blijkt al bij voorbaat helemaal om te zijn. “I feel like we’ve got a thing going between us”, stelt frontman Will Toledo vast na een massaal meegebruld “Drunk Drivers/Killer Whales” (met zijn “It doesn’t have to be like this” dat zo uit de pen van Rivers Cuomo had kunnen komen), en dat is niet overdreven. Tijdens “Fill In The Blank” — “You have no right to be depressed / You haven’t tried enough to like it”, wederom blekejongenspijntjes die ook Weezer op zijn eerste platen zo goed kon vatten — spotten we de eerste crowdsurfer met speelgoedschaap in de handen, en daarmee is de toon gezet voor de rest van het concert.

Een speciaal geval nochtans, deze band: sinds 2010 releaste Toledo via Bandcamp 12 albums volgestouwd met sympathieke indierock, waarvan het beste op Teens Of Style verzameld werd, en pas met Teens Of Denialverscheen zopas het eerste officiële album mét platenlabel. De troep fans die alle teksten woord voor woord weet te scanderen, bewijst alvast dat Toledo het ook perfect zonder kon. Zijn songs staan immers sterk genoeg op zichzelf, al zijn ze minder lineair dan de doorsnee indierocker. Het is immers zelden gedaan als je denkt dat het gedaan is, Toledo heeft altijd nog wel een nieuwe strofe of een verse gitaarriff in zijn binnenzak zitten. De jengelende gitaren in Pavementstijl, de plotse maar daarom niet minder grandioze meezingrefreinen: Car Seat Headrest vindt er allesbehalve het warm water mee uit, maar pakt desalniettemin het hele festival in –- getuige ook de wooh-ooh-oohs van “Something Soon” die zelfs in de toiletten nog blijven nagalmen — en ook ons indiehart maakte vanavond heel wat blije sprongetjes.

Méér gitaren, véél meer. Na een minimale changeover is het immers aan onze favoriete pletwals Titus Andronicus, met The Most Lamentable Tragedy verantwoordelijk voor –- wat ons betreft -– de plaat van 2015. Naar goede gewoonte een punkconceptalbum, maar dat is geen verplichte kennis om van een Titus-concert te kunnen genieten. Zelfs in basisbezetting –- vandaag geen toetsenist bijvoorbeeld –- is dit immers een overrompelende band, die vlotjes van pathos (het ook zeer rockopera-achtig getitelde “No Future Part Three: Escape From No Future”) over onversneden Amerikaanse rock (“A More Perfect Union” citeert niet toevallig Bruce Springsteen) naar de razende punk van persoonlijk lievelingetje “Dimed Out” gaat. Op plaat ontaardt dat nogal eens in langgerekte instrumentale stukken en weergalmend gefröbel (zo’n dubbelalbum vult zichzelf niet), maar vanavond is het credo toch echt gewoon “rammen-rammen-rammen”, met een schier eindeloos spervuur aan riffs. Het stiekem aan Status Quo verwante “Fatal Flaw” krijgt zo een extra lekker staartje dankzij de “Blitzkrieg Bop”-cover die er meteen achteraan gegooid wordt, en het handjevol aanwezigen heeft –- compleet terecht –- de beste vijfenhalf minuten van het festival. Vermoeiend, maar oh zo bevredigend bandje.

Aan de andere kant van het terrein heeft Air ondertussen wat te vieren: Nicolas Godin en Jean-Benoît Dunckel gaan net iets meer dan twintig jaar samen door het leven onder die groepsnaam. Veel feestvreugde valt er echter niet waar te nemen op en rond het NOS-podium. Met de arbeidsvreugde van een in stofjas gehulde bureaucraat die al twee decennia heeft zoek gemaakt met het zetten van stempels, werkt de French Band zich door een tiental songs, waarbij zelfs de publiekslievelingen, die op plaat nochtans vlotjes de tand des tijds doorstaan hebben, het muzikale equivalent lijken van een ingezakte soufflé. “Alpha Beta Gaga”, “Cherry Blossom Girl”, “Kelly Watch the Stars”: met zo’n materiaal krijg je ons normaal zonder enige moeite in een door weemoed aangevuurde staat van vrolijkheid, maar vandaag worden enkel de schouders opgehaald en gaan we onze heil zoeken bij Explosions In The Sky.

Mooier kan deze Primavera Sound immers niet afgesloten worden. Want zelfs al is dat nieuwe The Wildernessniet helemaal de plaat waar we op zaten te wachten, met een catalogus post-rockklassiekers als “The Birth And Death Of The Day” en “Your Hand In Mine” kan dit niet misgaan. En we begrijpen ook wel dat de groep wel iets anders moest doen. Explosions In The Sky heeft met platen als The World Is Not A Cold Dead Place en All Of A Sudden I Miss Everyone het post-rockgenre zowat gedefinieerd voor de eeuwigheid, dan kun je niet anders dan een halve bocht maken.

En dus zijn “The Wilderness” en “The Ecstatics” kortere nummers, die het niet van eindeloze herhaling en opbouw moeten hebben. Het passeert vlot, maar het viertal weet ook wel dat iedereen komt voor de vertrouwde glazen gitaartjes van “Catastrophe And The Cure”. Ze krijgen het, net als de typisch op en neer gaande simultaan geheadbang van de muzikanten op het iets zwaardere “Greet Death”. Het werkt perfect in deze feeërieke, door bomen afgezoomde setting. Probeer u in te beelden dat deze band Cactus Festival in het Minnewaterpark zou mogen afsluiten, en u krijgt een idee van hoe de sfeermeter zijn uiterste limieten opzoekt. Het is dan ook met een vlijmscherpe steek weemoed dat we de laatste tonen van een episch “The Only Moment We Were Alone” horen wegsterven. Primavera Sound 2016 zit er onverbiddelijk op, maar we hebben wel een nieuw lief gevonden. Porto, we zien u graag.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + 20 =