Primavera Sound 2014 :: Bankbediendenrock en une bande de macaques

Als het hipsterdom een religie is, is het Primavera Soundfestival in Barcelona zijn Mekka. Bij enola geloven we niet echt in iets, maar de frontlinies van het beste indiefestival zijn met het puikje van de hedendaagse elektronica en een keure aan headliners te belangrijk om te negeren. Het besluit? Het mag dan een tot nog toe slap muziekjaar zijn qua albums, het zou wel eens een héte livezomer kunnen worden.

Woensdag 28 mei

Woensdag is op Primavera traditiegetrouw een aanloopavond, maar met Stromae heeft de organisatie een toekomstige headliner geboekt. Wat een open doekje krijgt de Belg immers! Een erg divers publiek, waartussen opvallend veel nationale driekleuren wapperen, onthaalt Paul Van Haver als een held, en die bedankt met een sterke set, waarin al vroeg plaats is voor een op deze plek gek politiek statement wanneer hij aan het begin van “Peace Or Violence” het V-teken — “est-ce le V du paix ou du violence?” — probeert te heroveren. Het nummer dateert al van lang voor de afgelopen kiescampagne, maar krijgt een geladenheid die alleen wat landgenoten iets kan uitmaken; een overbodige zet hier, maar misschien dat het straks op Werchter steek houdt.

Natuurlijk is het songmateriaal net als op zijn platen van erg ongelijk niveau. Voor elk “Ave Cesaria”, een mooi eerbetoon aan de overleden diva Cesaria Evoria, krijgen we immers ook een hol beukend “Humain à l’eau”. Maar wat muzikaal mangelt, maakt Stromae goed met zijn gevoel voor cabaret en vooral dat lange, plooibare lijf dat hij in “Tous les mêmes” afwisselend elegant inzet, om vervolgens met grotesk, aapachtig bungelende armen over het podium te stommelen; de binariteit van de seksen cartoonesk uitvergroot.

Minder komisch is dan weer de dronken jammerklacht “Formidable”, waarin hij een buitengewoon inlevingsvermogen tentoonspreidt. Het publiek gaat mee in zijn dramatiek, spuwt dat bittere “Bande de macaques!” er mee uit. In een finaal staaltje theatraliteit laat de zanger zich op het einde neerzijgen, en weer overeind helpen; “Excuseer, ik liet me even meeslepen”, volgt het gespeelde excuus.

En daarmee is het tijd voor een feestelijke apotheose. “Papouetai” zoekt nogmaals de tragedie op, maar verpakt die in luchtige trancebeats, in “Alors on danse” worden flarden ninetiesklassiekers als “Rhythm Is A Dancer” en “Insomnia” verwerkt. Barcelona gaat uit zijn dak, Stromae en zijn vier piekfijn uniform uitgedoste bandleden zien de verovering van Europa alweer wat dichter binnen handbereik. Straks nog Werchter afsluiten, en de kroon is ontegensprekelijk de zijne.

donderdag 29 mei

De officiële Dag Een van Primavera begint ver weg van de stralende zon in het prachtige Rockdelux Auditorium waar het plafond blijft fascineren. Terwijl we ons zo al eens verliezen in de grillig glinsterende patronen, bespeelt Colin Stetson zijn saxofoon op allerhande manieren die Adolphe Sax nooit voor mogelijk had gehouden. “It’s all in breathing in”, geeft hij al vroeg zijn geheim weg, waarna hij in “Judges” opnieuw een netwerk van waanzinnige texturen creëert. “A Dream Of Water” klinkt daarna alsof twee blazers een kwetterende conversatie hebben, maar even goed turen naar het podium in de verte laat geen ruimte voor twijfel: dit is het werk van één man met één sax, maar dan wel een met veel microfoons op, die elk hun eigen geluidje kunnen opvangen. Het resultaat is ongrijpbare avant-garde die blijft fascineren; Stetson weet immers steeds een hint van melodie te bewaren die je aandacht vasthoudt. Het woord dat hierbij past, mag zelden van stal, maar voor deze man blinken we het chroom van “geniaal” met plezier nog eens af.

Terwijl de hitte van de middag langzamerhand overgaat in de nagloed van een Zuiderse lente-avond, en het licht zachtgelig kleurt, is Real Estate de ideale band voor deze plek en dit tijdstip. Zachtjes rinkelen de gitaren en mild ingesteld knikken we zachtjes mee op deze aangename avondwandeling. Wanneer “Talking Backwards” al vroeg in de set passeert, is het zelfs even lichtjes juichen, maar het blijkt helaas de enige song die naam waardig te zijn. De groep borduurt verder lustig voort op dezelfde frivole thema’s, maar vergeet dat ook weemoedige gitaarlijntjes een song nodig hebben. Het duurt dan ook niet lang of de verveling slaat toe. Real Estate heeft een erg aangenaam geluid, maar moet de kunst van het songschrijven nog beter onder de knie krijgen om ons helemaal van de sokken te blazen.

Wat een contrast is de brute post-punk van The Ex nadien. De Hollandse post-punkveteranen staan nog steeds strak als een stelletje twintigjarigen dat zich aan de wereld moet bewijzen, en excelleren in het soort rock dat nog altijd een klein beetje gevaarlijk en intens aanvoelt. Voor een gezapig festivalpubliek, vanop een ver en groot podium, is dat iets minder zo dan in de zweterige zaal van een Rotterdams kunstencentrum, maar van een tekort aan energie kan de groep niet beschuldigd worden. Woest rammend en reutelend daveren de muzikanten zich door de set naar een krachtig orgelpunt dat vooral pleit om nog eens terug te komen in zo’n kleine club; dat het dan nog beter zal zijn. Het is genoteerd.

Spijkerbroek, wit t-shirt, kale kop: de soberheid waarmee zanger Devon Welsh – “die ziet eruit als Michael Stipe met kanker”, aldus (mvs) – op een podium staat, is een verlengstuk van zijn show. Majical Cloudz: twee man, de ene met een keyboard en een drumcomputer, de andere met een microfoon in de hand. Samen persen ze er een zware brok emotie uit, dat zo vroeg op de avond en in de open lucht aan de haven niet licht te verteren blijkt. Even de aandacht verliezen, en je begrijpt er geen snars meer van. Maar met de ogen toe en de oren strak gespitst, kan je nog net doordringen in Welsh’ emotionele universum – wat een toptrack is “I Do Sing For You”, zeg. Niet makkelijk, maar wel imponerend. Soms mag dat ook.

Hollen om nog net de uitstervende tonen van een getormenteerd “King Of Carrot Flowers, Part One” te horen – slechte timing, quoi. Gelukkig heeft Neutral Milk Hotel genoeg klassiekers achter de hand om een uur mee te verbluffen, en dat voor een immense mensenzee. Vreemd gevoel: de band rond Jeff Mangum klinkt nog steeds als het soort band dat je gewoon in de bruine kroeg achter de hoek wil ervaren, zoals dat in de begindagen het geval was.

Die undergroundstatus ligt ver achter hen: Neutral Milk Hotel is een cultband geworden. Eén die in de jaren negentig de indie misschien niet heeft uitgevonden maar er wel een beslissende, rauwe en bloedeerlijke ruk aan gegeven heeft vooraleer Mangum er, schijnbaar uit het niks, plots de stop uittrok en jarenlang niks meer van zich liet horen. Hij ploeterde een beetje in Bulgaarse folk, bandleden zwermden uit naar andere projecten, en het duurde meer dan tien jaar voor Neutral Milk Hotel weer acte de présence zou geven. Sinds vorig jaar worden voor het eerst weer voorzichtige pasjes gezet, en vanavond wordt zelfs het grote ATP-podium ingenomen, al is het met de nodige voorzorgen. Mangum wil niet gefilmd worden, en dus staan de lichten op half en blijven de schermen aan weerszijden dood.

In het begin wordt gretig geplukt uit klassieker In The Aeroplane Over The Sea. “King Of Carrot Flowers, Part Two And Three” zet de toon, een verbluffend “Two Headed Boy” borduurt verder. Mangums dolk staat vlijmscherp, de emotie in zijn stem knijpt je strottenhoofd toe, de band speelt met een snedigheid als hebben ze nog alles te ontdekken – “Song Against Sex” zwiert harder met zijn gat dan Beyoncé en “Holland, 1945” klinkt als een anthem voor de eeuwige jeugd. Ja, het nummer gaat over Anne Frank, maar ‘een anthem voor Anne Frank’ pen je niet zonder de wenkbrauwen te fronsen.

Even gaat het mis: “Fool” en “Gardenhead/Leave Me Alone” klinken afgehaspeld en overbodig, en kreunen onder het gewicht van een song als “Naomi”, dat wel recht naar de roos gaat. Aan het einde, terwijl de nacht het licht definitief heeft verdreven, kruipen “Two-Headed Boy, Part Two” – hou het daarbij maar eens droog – en “Engine” recht over je ruggengraat. Bijzonder straffe comeback.

Ook een soort terugkeer is wat Queens Of The Stone Age vanavond volbrengt. De passage in het Sportpaleis staat nog vers in het geheugen gegrift: saai, ongeïnspireerd, lusteloos, geroutineerd, en met een rist nieuwe nummers die live nog niet aan de sokken kwamen van het materiaal op Lullabies To Paralyze of Songs For The Deaf. Voor de festivals wordt de setlist duidelijk hertimmerd, en tussen opener “You Think I Ain’t Worth A Dollar, But I Feel Like A Millionaire” en afsluitende mokerslag “A Song For The Deaf” blijkt QOTSA opnieuw de geilste gitaarrockband ter wereld.

Belangrijkste reden: …Like Clockwork, een plaat waarvan we nog steeds niet overtuigd zijn, moet niet langer gepromoot worden, en alleen “My God Is The Sun”, “Smooth Sailing” en – als het moet – “Fairweather Friends” worden opgediept. Zij passen dan ook wel in het plaatje, in tegenstelling tot een sof als “The Vampyre Of Time And Memory”. Liever lost de groep geroutineerde bommen als “Sick, Sick, Sick”, “In My Head” en “Little Sister”; jengelende gitaren, bonkende riffs, wereldsongs – zo simpel kan het zijn. En als Josh Homme goesting heeft, heeft-ie modderfokking veel goesting. Mogen daarom mee het podium op: “Feel Good Hit Of The Summer”, “Go With The Flow”, en “No One Knows”; songs van gewapend staal waarop vooraan stevig gehost wordt en waarop in een nabijgelegen hotel, dat de festivalsite overziet, ongetwijfeld kinderen verwekt zijn. Queens Of The Stone Age overrompelden.

Terwijl we voor de vierde keer in anderhalf jaar naar Chvrches staan te kijken, bekruipt ons het gevoel dat het live nooit echt helemaal zal lukken voor deze groep. Niet dat de Schotten hun op jaren tachtigleest geschoeide synthpop niet puik kunnen uitvoeren, maar nooit springt de vonk over die de band op plaat wel zo veel pit geeft. Hoe hard Lauren Mayberry ook probeert, nooit zal ze een echte frontvrouw worden die het publiek zal meeslepen in haar songs; ze verdwijnt zelfs een beetje in het zwarte gat tussen beide toetsenopstellingen links en rechts van haar, zodat zelfs puike popsongs als “Lies” en “Gun” dood vallen op de plavuizen voor het Pitchforkpodium. Het is allemaal geen drama, maar echt begeesteren doet het ook niet. Zou Chvrches dan toch vooral een studioproject zijn dat niet echt nood aan een podium heeft?

Die vraag gaat alvast niet op voor Arcade Fire, een band die in concerten doorgaans boven zijn platen uitstijgt. Vorig najaar was dat in de Hallen van Schaarbeek voor één keer niet het geval, op Primavera staat de band er naar gewoonte echter. Van bij de introductie door een “mirrorball man” in loodzwaar spiegelbolkostuum, valt de zorg op die de groep aan zijn productie heeft besteed; elke projectie, elk paneel van het decor, draagt bij tot de sfeer. Visueel is dit concert alvast een snoepje.

Het begint ook muzikaal meeslepend. Opener “Reflektor” is stomende disco met meer dan één echo van David Bowie, en van daar gaat het zonder veel commentaar naar een hakkend “Flashbulb Eyes”, dat een opstapje is voor een stevig “Neighbourhood #3 (Power Out)”, waar ook deze tour naadloos “Rebellion (Lies)” uit komt getransformeerd. Na de harde rock van “Joan Of Arc” en een sterk “Rococo” — door Win Butler besloten met een flard “Helter Skelter” — lijkt het echter iets te vroeg gepiekt. Zelfs al wordt het wat tamme “The Suburbs” afgelost door een snedig “Ready To Start”, en de dubbelslag die “Neighbourhood #1 (Tunnels)” — altijd al het meest emotionele nummer van de groep — en “Neigbourhood #2 (Laika)” nog altijd is. Het valt echter ook op hoe Arcade Fire niet langer de overgave van de beginjaren weet te brengen. Richard Reed Parry timmert in “Neigbourhood #2 (Laika)” niet langer op motorhelmen en andere onzin, maar houdt het netjes bij een trommel die de sessie overleeft; het is ooit anders geweest.

Het is pas in de tweede helft van het concert dat de pit er echter even helemaal uit verdwijnt. Met “No Cars Go”, “Haïti” en “Keep The Car Running” passeert een flauw trio nogal plichtsmatig, en zelfs de erg knappe nieuwe single “We Exist” mist hier de impact die het op plaat heeft. “Afterlife” zorgt erna nog even voor euforie, maar met het trage “It’s Never Over (Oh Orpheus)”, een duet waarvoor Régine Chassagne het B-podium diep in het publiek opzoekt, valt dit concert zelfs even volledig op zijn achterste; van emotionele connectie is geen sprake, het nummer passeert zonder ook maar een deukje in een pak boter te slaan. Waarna de groep op slordige wijze aan zijn finale begint.

De Blondie-pastiche “Sprawl II (Mountains Beyond Mountains)” is een fijn popmoment, het explosieve “Normal Person”, met een hoop dansende figuranten met papier mâché-hoofden van onder andere de paus, past erna als een tang op een varken, en wanneer de confetti uit de kanonnen spuit bij “Here Comes The Nighttime” verwacht je een daverende apotheose, maar het voelt als een flets rotje, waar de band nog overbodig “Wake Up” achter knalt; een song die altijd al als een nagedachte aanvoelde. Het is een wat teleurstellend einde voor een concert dat zo sterk begon, maar ach, misschien was die omgekeerde aanpak wel de bedoeling? Uiteindelijk hebben ook Pixies het begin jaren negentig al eens gepresteerd om met de bisnummers te beginnen. En raad eens wie hier morgen speelt? Juist. Benieuwd wat dát wordt.


vrijdag 30 mei

Geen festival deze zomer of de zusjes van Haim zullen er aantreden, en ook vanavond mogen ze het publiek opwarmen met hun alleraardigste westcoastpop, waar al eens wat hedendaagse R&B-invloeden in sluipen, zoals het hoekige en kale “Honey & I” laat horen. Dat de drie meiden er ook best wel zin in hebben, wordt nog eens duidelijk gemaakt wanneer het emotionele “Running If You Call My Name” wordt afgesloten met een beslist “en na deze emotionele shit, kunnen we nu razen. Zelfs al is het nog vroeg, ja.” Waarop krachtige versies van topsingles “Don’t Save Me” en “Forever” volgen.

Veel meer heeft Haim echter niet meer te bieden, of het zou nog “The Wire” en een overbodig “Let Me Go” moeten zijn. Na nauwelijks tien nummers zit het optreden er erg plots op, en je bedenkt dat de Haims ondertussen misschien al iets te lang, van het najaar van 2012 meerbepaald, op tour zijn om nog altijd maar op dit beperkte materiaal en de ondertussen verplichte cover van Fleetwood Macs “Oh Well” te moeten terugvallen. Deze zomer verdienen de dames nog hun ererondje, maar daarna is het tijd voor een opvolger voor Days Are Gone; dit hebben we nu ondertussen wel al een beetje gezien.

De nacht inzetten met “Crazy For You”, “Souvlaki Space Station” en “Machine Gun”; overweldigend. De shoegaze van Slowdive is pure emotie, en ook twintig jaar na datum blijken de songs nog steeds als een huis overeind te staan. Neil Halsteads gitaarklanken glimmen van liefde en Rachel Goswell is de begeleidende engel. Het wordt geen lange set, en “Alison” en “40 Days” moeten zelfs geschrapt worden, maar dat doet dit reünieconcert geen pijn. Slowdive wordt straks op Pukkelpop een absoluut hoogtepunt.

Zonder twijfel een van de strafste concerten op dit festival: de stoneramericana van The War On Drugs, die met Lost In The Dream een van de belangrijkste platen van dit jaar maakten. Dat etaleren ze met branie en sloten passie: een onstuimig “Lost In The Pressure” luidt het begin in van een gelukzalig uur vol sprankelend plezier, gitaarsalvo’s en begeestering. Springsteen zindert na in “Wide Awake”. The War On Drugs gaat van hoogtepunt naar hoogtepunt met onder andere nog “Under The Pressure”, “Eyes To The Wind”, “Baby Missiles” en “Red Eyes”. Indrukwekkend.

Zoveel meningen als er konten zijn, gaat het gezegde en voor Indie Cindy, de afschuwelijk getitelde van Pixies die er na drieëntwintig jaar dan toch kwam, gaat dat gezegde wel erg hard op. Ontgoocheling voor de ene, welkome aanvulling op de canon voor de andere, lokte de comebackplaat erg verdeelde reacties uit. De band — inclusief nieuwe bassiste Paz Lenchantin — laat het niet aan zijn hart komen en knalt er vijfentwintig songs uit die bewijzen dat ze ook diep in hun fifties nog erg snedig uit de hoek kunnen komen.

Deze set is een hitsfestijn waarin nieuwe songs als “Indie Cindy” en “What Goes Boom” niet moeten onderdoen voor klassiekers als “Bone Machine” of “Monkey Gone To Heaven”. Frank Black gromt, grauwt en zingt als vanouds, schiet uit in een onredelijk agressieve kreet, terwijl David Lovering en Joey Santiago voor een gespierd bed zorgen. “Vamos” gaat het voorlaatste nummer en met een massaal meegezongen “Where Is My Mind?” wordt de daad bij het woord gevoegd. Missie geslaagd; wat ons betreft heeft Pixies ook in 2014 nog bestaansrecht.

Net als Haim is ook The National aan een uitgebreide victory lap bezig nadat met Trouble Will Find Me een van de sterkste albums van 2013 werd uitgebracht. In Vorst leidde dat afgelopen najaar al tot een kleine triomftocht en dus moet je er ook niet al te veel aan prutsen. Op Primavera pakt de groep uit met een nagenoeg identieke, zij het ietwat ingekorte, setlist als toen, maar dit is dan ook de best mogelijke songselectie die de groep op dit moment kan brengen. En hedendaagse businessnormen vereisen nu eenmaal dat je op een plaat twee jaar blijft teren vooraleer je terug nieuwe songs mág schrijven. Het is hen dus vergeven, de business niet.

Want wat kan een mens er op tegen hebben om Matt Berninger nog maar eens te horen uitbarsten in “Mistaken For Strangers” of moody te mompelen in “This Is The Last Time”, laat staan om nog maar eens dat bloedmooie gitaartje van “I Need My Girl” door je hart te voelen snijden? Het is bankbediendenrock, maar in tijden waarin zowat iedereen in de gekostumeerde dwangbuis van de kantoorslaaf wordt gedwongen, zijn het misschien de meest relevante verhalen om te vertellen. Herkenbaar zijn ze in elk geval, Berningers schetsen, of die “So did I”-bevestiging die “I’m Afraid Of Everyone” voortdurend doorklieft.

Verrassingen genoeg ook vandaag. Niet alleen hoe knap de projecties achter de groep de sfeer van de song telkens weer versterken, maar ook qua gasten pakt The National impressionant uit. Voor “Slow Show” wordt Justin ‘Bon Iver’ Vernon uitgerold, die met zijn falset een bijzondere tegenspeler is voor de donkere croon van Berninger. En voor het traditioneel uit al zijn voegen knallende “Mr. November” treden zowel Hamilton Leithauser als Paul Maroon van The Walkmen aan. Niet dat hun aanwezigheid echt van wezenlijk belang is, maar hé; ze staan er toch. En dat geldt ook voor The National, van wie we ons bijna niet kunnen voorstellen dat ze ooit een slechte plaat zullen maken.

The National, Slint, The Haxan Cloak, Darkside en SBTRKT overlapten op dinsdagavond allemaal wel ergens of sloten zo nauw aan dat je niet anders kon dan voor het einde van een set vertrekken als je de volgende band wou zien. Maar wie voor Darkside gekozen had, vertrok niet – die bleef met wijd open ogen voor de RayBan Stage hangen, murw geslagen door een cocktail van kosmische krautrock, bloeddoorlopen beats en bluesy spacerock. Maar bovenal: door een duo dat na een jaar touren met debuutplaat Psychic live aan de slag gaat als was het niet meer dan een hoopje samples die pas op een podium in vaste vorm gegoten worden. Nooit tevoren zagen we een band zo vakkundig, zo rücksichtlos en met zo veel zin voor finesse het eigen materiaal versnijden.

Het duurt bijna tien minuten voor Jaar en Harrington een beat loslaten, maar wat daarna volgt, doet naar adem happen. Het is bekend dat de twee heren hun nummers liefst elke avond in een nieuw kleedje steken, en ook vanavond moduleren ze alles wat er maar te moduleren valt aan hun songs, en

vinden ze elkaar daarin perfect. Wat overblijft, is met bijzonder grote voorsprong de allerbeste set in Barcelona en misschien wel de beste festivalset die we ooit al zagen. Dit was geen concert, maar een ervaring.

Aaron Jerome is gegroeid. Klonk SBTRKT drie jaar terug nog net te braaf en te gecoördineerd op een podium, dan hebben de werkzaamheden aan zijn nieuwe plaat hem duidelijk wind in de zeilen gegeven. Hij is directer geworden, dansbaarder ook, en weet de accenten in zijn nummers beter te positioneren. Zijn soulvolle postdubstepfundamenten zijn nog intact, maar de sound is voller en volwassener dan op zijn debuut. “Wildfire” en “Never Never” blijken kernkoppen vol stomende beats, “Trials Of The Past” is nog steeds een bloedmooie song. Enige minpunt: de aansluiting tussen de nummers verloopt warrig en langdradig. Technisch defectje ergens, vermoeden we.

À propos, geen flauw idee wat dat gigantische kattenstandbeeld daar op de bühne stond te doen. Toch nog eens over nadenken.

Ondertussen komt met “Terrible Love” een einde aan de set van The National, en dat wil zeggen dat aan de overkant van een grote betonnen vlakte de lichten aan springen voor !!! dat naar eigen zeggen op een van zijn Punk Dog Tours is. Dat wil blijkbaar zeggen dat vooral nieuw materiaal wordt uitgetest, en zo blijkt ook uit ons notaboekje waarin aanvankelijk vooral “???”, “nieuw?”, en “onbekend” te lezen staat. Voor de rest geen bezwaar; Nic Offer en compagnie zijn duidelijk niet van zins het roer plots om te gooien, en mikken vooral op zweet en funky grooves. Wanneer dan al eens een klassieker passeert, is dat alleen een bonus; een feestje als dit hoeft het niet van gekende songs te hebben als alles sowieso al d.a.n.s.e.n. spelt. !!! blijft onze favoriete feestband, en lichtjes aangeschoten verdwijnen we richting Rayban Stage waar Jagwar Ma alleraardigst lijkt te spelen, maar aangezien dat slechts flarden van een vage herinnering zijn, besparen we u een poging tot verslag. Ja, ook dat is Primavera Sound, maar hou het stil.

Ondertussen staat (sk) wel nog nuchter bij Factory Floor, wegens weken op voorhand met stip aangeduid in het festivalparcours. Een van de opwindendste bands van de laatste vijf jaar dan ook, maar wel als een goed bewaard geheim op een wat kleiner podium geparkeerd in het holst van de nacht. De band bedankt de nachtbrakers met een langgerekte pot organische, ontmantelde techno die van de fundamenten wordt opgebouwd en al snel uitloopt in een bonkende trance die tot het einde de teugels niet meer zal vieren, terwijl achter de band flikkerende visuals branden – voor pure extase heb je hier geen drugs nodig, al lijkt dat niemand rondom tegen te houden om wel rijkelijk naar vloeitjes en poeders te grijpen.

Net als Darkside vroeger op de avond, grijpt ook Factory Floor maar met mondjesmaat terug naar de structuren op de plaat. “Two Different Ways”, vooraan in de set prijsgegeven, davert voort op een krankzinnige drumcomputer — de rest van de song wordt genadeloos herbouwd —, de dronebeats van “How You Say” en “Fall Back” kletsen je kop aan flarden, en zelfs het op plaat uit veeleer bekoelde en ingehouden ritmes opgetrokken “Turn It Up” kolkt en broeit tot alles rondom je een waas wordt. Factory Floor heeft de zelfvernieuwingsdrang en het intellect van Liars, de verrukking van Flaming Lips als ze in vorm zijn, en een sound waarbij geen andere band in de buurt komt. Niet iedereen is het daarmee eens, maar wel hiermee: Factory Floor heerste over de nacht van Barcelona.

zaterdag 31 mei

Rotgetalenteerd, maar ook knettergek. Earl Sweatshirt is een enfant terrible dat op zijn zestiende al deel uitmaakte van het – fair is fair – overhypete hiphop-collectief Odd Future Wolf Gang Kill Them All dat in het Limburgse vooral bekend staat om een werkelijk abominabele set op een zomerse festivalweide. Sweatshirt heeft dat juk vrij snel van zich afgesmeten: zijn moeder stuurde hem naar een heropvoedingskamp, waarna hij twee straffe soloplaten maakte. Klein probleem: dat kamp heeft ‘m wel heropgevoed, maar niet beter opgevoed.

Nadat zijn hyperkinetische DJ wat hyperkinetische beats gedraaid heeft, schokt de hyperkinetische Earl zelf het podium op. Eerste orde van de dag: het publiek ophitsen: “If I ask you to do shit, you fucking do that shit.” En Earl vraagt véél, en het publiek weet duidelijk niet goed wat ze moeten aanvangen met die gek op dat podium – behalve dan de bende trouwe fans die helemaal vooraan staan en wel op dankwoordjes van de hofnar mogen rekenen. Al de rest lijkt-ie maar overbodige ballast te vinden. Het is dan ook niet gemakkelijk om hiphop te brengen voor een publiek dat niet noodzakelijk veel van hiphop afweet, en daardoor verglijden zijn slimme rhymessnel naar de achtergrond. Kort gesteld; Earl Sweatshirt was geniaal en knettergek. Dat hij muzikaal goed was, willen we daar niet mee gezegd hebben.

Anderhalf uur warme gloed, dat is wat Godspeed You! Black Emperor komt brengen. Soms kletst de groep langs alle kanten, soms fluistert ze heel zacht in je oor. Een verbluffend “Mladic” houdt het vooral bij dat eerste, “Moya” eet van twee walletjes. Drones vliegen je om de oren terwijl de strijkers je een krop in de keel spelen. Godspeed You! Black Emperor is na die jarenlange pauze geen overbodige groep geworden – integendeel. Dit was postrock waarop je je in elke vezel van je lijf een mens ging voelen. Afsluiter “Behemoth” was een weergaloze ontdekkingsreis.

Ook Mogwai brengt een concert om met je ogen toe en je kop in de wind van te genieten. De Schotten spelen voor een gigantische meute een set die geen seconde verveelt. Hun postrock is soms moeilijk te verteren, maar niks daarvan hier op Primavera. Iedere noot wordt op gevoel gespeeld, al klinkt de groep door de band genomen harder dan Godspeed You! Black Emperor vóór hen. “Mogwai Fear Satan” houdt nog even in, maar knalt daarna weer ongenadig verder. “I’m Jim Morrisson I’m Dead” is een vroeg hoogtepunt, en met onder meer “Deesh”, “Ithica 27-9” en “Remurdered” laat de band horen over een immense weelde aan songs te beschikken.

Mooi om te zien ook hoe de Schotten zelfs na twintig jaar nog steeds zichtbaar gepassioneerd zijn door de muziek die ze maken, en bijzonder dankbaar zijn om waar die hen gebracht heeft. Aan het einde vertelt Stuart Braithwaite hoe ongelooflijk het is om naar Godspeed You! Black Emperor te mogen kijken vlak voor je eigen set, waarna de band nog even alle registers opendraait. We zouden het bijna postrockgeschiedenis noemen.

Nog een afsluitend dansje voor de vorm. Chromeo zijn twee Canadezen waarvan één er alvast wil uitzien als Prince, de ander niet. Samen vormt het een duo dat klinkt als goedkope Daft Punk, maar aan de verkeerde kant van de Eurosonglijn is beland. Oh, en alles blinkt – want Chromeo, die hebben alleen maar spullen uit chroom, dat spreekt. Bovendien maken ze glitterdance die gayer is dan Boy George, en verpakt wordt in songtitels als “Sexy Socialite”. De Spanjaarden gingen compleet overstag, wij oefende al onze fronsspieren simultaan. Ach, in crisistijden zijn mensen snel content, zeker?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 2 =