Young Dreams :: Between Places

De lucht ziet er uit als troebel afwaswater, de laatste zonnestraal lijkt alweer een eon geleden en je lichaam heeft schijt aan die vitaminesupplementen. Het is niet niks, zo’n winterdip. Gelukkig is daar Young Dreams, een Noors gezelschap dat zelfs de meest ingeslapenen onder ons kan defibrilleren met een fonkelend debuut.

Matias Tellez en Rune Vanderskog vormen het kernduo, waarrond de vier andere vaste groepsleden cirkelen. In de praktijk wordt dit collectief echter aangevuld met zoveel bevriende muzikanten als het budget toelaat. Dit resulteert niet geheel onverwacht in een caleidoscoop aan invloeden die — meestal — wonderwel harmonieus samensmelten.

Between Places is een psychedelisch debuut vol speelse vioolarrangementen, een hevige wall of sound, synthesizers en uitbundige zangpartijen die hebben liggen rijpen naast popmuziek van eind jaren zestig, zoals The Beach Boys of The Mama’s & the Papa’s. Bovenal is het echter een plaat door en voor jonge dromers die angstig, maar tegelijk hevig verlangend hun blik naar de toekomst richten. Omfloerst door luchtige melodieën vinden we ontroerend oprechte teksten terug die de adolescente hemel en hel voortreffelijk weergeven.

Zo zoekend (“Everything I tried to be / just to find out it wasn’t me”) of onzeker (“And yet this seems too much for me / too fun, too high, too soon”) als ze bij aanvang in “Footprints” en “Fog of War” nog klinken, zo onstuimig hoopvol en heerlijk naïef geloven ze in het slotnummer dat ze eeuwig zullen leven omwille van hun “young dreams”.

Naast die gejaagdheid en opwinding is natuurlijk ook sprake van hartzeer en schimmige onduidelijkheid. Zo raakten wij in ieder geval toch behoorlijk in de war van nummers als “When Kisses Are Salty” en “Wounded Hearts Forever”, waarin het lijkt alsof elk groepslid een verschillend soort drug heeft genomen. Wat begint als een wazige, trippy echo, mondt uit in een gelaagde wervelwind van hectische tempowissels en symfonische invloeden die je duizelend achterlaten. We hebben het dan nog niet eens gehad over het hallucinant lange “The Girl That Taught Me To Fight And Drink”. Ondanks de hilarische tekst (“Got punched right in the face / by a girl that I tried to get”), klokt dit vormexperiment af op elf minuten die helaas niet allemaal even bijster interessant zijn.

We geven toe, ze klinken af en toe als pretentieuze, van de pot gerukte indie, maar wanneer alle neuzen in dezelfde richting wijzen, zijn ze ronduit briljant. “First Days Of Something”, hun meest popgevoelige en radiovriendelijke nummer, bruist als een flink door elkaar geschudde fles frisdrank en vult je hoofd met jachtige gitaarriffs die schatplichtig zijn aan Vampire Weekend en Paul Simon’s Graceland. Minstens zo sprankelend klinkt “Fog Of War” met een amusante bombast die spontaan naar een tamboerijn doet grijpen. Die perfecte, zomerse popsongs met een catchy hook doen ons die enkele bevreemdende, schizofreen klinkende kronkels voor lief nemen.

Het is immers met hun jeugdige ambitie en enthousiasme dat deze ijzige Noren de deur van je winterschuilplaats wagenwijd open trappen en je die broodnodige klets in het gezicht geven die je net op tijd weer fris krijgt voor de nakende lente. Hun onweerstaanbaar optimistische geluid en energieke uitbundigheid doen zelfs de meest hardnekkig droefgeestige zeurzak glunderen, al is het maar voor een vluchtig moment. “Fall is making us gray, but we know that next year still will come”, klinkt het in slotnummer “Young Dreams”. Veeg dus die neus af, trek die broek op en laat dat hart opnieuw onstuimig kloppen in de borstkas. De winter is bijna voorbij.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 12 =