Bachar Mar-Khalifé :: Who’s Gonna Get The Ball From Behind The Wall Of The Garden Today?

Een cadeau is het tegenwoordig niet, Bachar heten. Doordat een zekere Syrische Bachar lustig zijn bevolking bestookt met bommen, voelen velen van die andere dragers van de naam wellicht een ongemakkelijkheid vergelijkbaar met hoe mensen met de naam Adolf zich moeten voelen.

Een manier om daarmee om te gaan is dan om duidelijk te maken aan de buitenwereld dat er — afgezien van die naam — geen enkele gelijkenis te bekennen is. Bachar Mar-Khalifé, Libanese muzikant en zoon van de gelauwerde Marcel Khalifé, doet dat op zijn tweede plaat Who’s Gonna Get The Ball From Behind The Wall Of The Garden Today? door een gedicht van de vermoorde Syrische verzetsdichter Ibrahim Qashoush op muziek te zetten. “Ya ra’isu, ya kazabu, yalla irhal, ya ghadar” (“hé president, hé leugenaar, kom op vertrek, jij verrader”), klinkt het in “Marea Negra”, terwijl een agressief, donker samengaan van percussie en piano een opruiende mars vormt. De woorden worden er haast uitgespuugd, duidelijk makend dat het Mar-Khalifé menens is; die ongewenste naamgenoot moet vertrekken en liefst nog zo snel mogelijk.

Van alle muziek die de Arabische revoluties al heeft voortgebracht, is het mogelijk de meest urgente en meest oprechte uiting. Waar elders vooral kitscherige pop(rock) gemaakt wordt waarin het traditionele “habibi” (“mijn geliefde”) gewoon vervangen werd door “thawra” (“revolutie”), terwijl de muziek het ene cliché na het andere opeenstapelt in een zeemzoet voorgekauwd geheel (Zoek bijvoorbeeld “Erfa3 Rasak Enta Masry” en “Ya El Medan” even op op YouTube), vangt Mar-Khalifé hier de rauwe energie en de woede die veel meer tekenend zijn voor de opstanden. “Ya Nas” (een toonzetting van een Koeweitse traditional), “Mirror Moon” en “Requiem”, hoewel niet direct handelend over de revoluties, weten ook een gelijkaardige urgentie aan de dag te leggen die de opruiende stijl van “Marea Negra” verderzetten.

Al willen we niet de indruk geven dat Mar-Khalifé louter een verzetsmuzikant is. Integendeel zelfs, in de eerste plaats is hij vooral een muzikant met een heel eigen muzikale taal die zich wars van enige trend een weg baant door de rijke muzikale erfenissen van zijn beide thuiswerelden (geboren net voor de Libanese burgeroorlog, bracht hij het grootste deel van zijn jeugd en verdere leven door in Frankrijk). ’s Mans pianospel is melodisch bijvoorbeeld sterk beïnvloed door de Europese pianotraditie met veel aandacht voor subtiliteit, maar koppelt dat aan een opzwepend percussiespel dat zo uit het Midden-Oosten lijkt overgenomen.

Tekstueel valt die spreidstand misschien nog wel meer op. Zo wordt het merendeel van de teksten gezongen in het Arabisch, maar is er op deze plaat ook plaats voor een bijzonder indrukwekkende cover van Serge Gainsbourgs “Machins Choses”. Gainsbourgs versie is een zwoel, met jazzklanken doorspekt liefdeslied, maar Mar-Khalifé vormt dat hier om tot een verstild, haast gefluisterd duet met zangeres Kid A. “Ce sont des choses / qui ne s’expliquent pas”, zingt het duo in de refreinen en inderdaad, die wisselwerking tussen beide zangers boven de ijle muzikale begeleiding bevindt zich op een intuïtief niveau dat de verklaring overstijgt.

Mar-Khalifé is dus duidelijk een muzikant die wel eens leentjebuur durft te gaan spelen, niet alleen door teksten van anderen over te nemen (in “Xerîbî” zingt hij ook nog op bijzonder doorleefde wijze een tekst van de Koerdische dichter Ciwan Haco), maar evengoed door zichzelf uitgebreid te citeren. Twee van de nummers op deze plaat, “Progeria” en “Distance”, zijn niet meer dan soloversies van dezelfde nummers die in bandbezetting op zijn debuut Oil Slick te horen waren, en ook in “Marea Negra” wordt het staccato pianothema van “Marée Noire” uit datzelfde debuut gerecycleerd. Hoe indrukwekkend al deze nummers ook zijn, strikt genomen gaat het om plaatvulsel, zelfs al verantwoordt Mar-Khalifé het door dit zijn “covers record” te noemen.

Toch is het moeilijk om echt zwaar punten te gaan aftrekken voor het feit dat hij zichzelf wat herhaalt, want als geheel werkt Who’s Gonna Get The Ball immers zo goed dat het in zekere zin zelfs voelt als het overtreffen van het debuut, dat iets meer in pieken en dalen verliep. Sowieso verdient de man meer aandacht, want de pieken van beide platen behoren tot de meest indrukwekkende muzikale uitingen die we recent hoorden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 4 =