Sigur Rós :: 26 februari 2013, Vorst Nationaal

Sigur Rós zit niet stil. Met de herinnering aan het concert in het Rivierenhof afgelopen zomer nog vers in het geheugen, deed de groep dinsdagavond alweer Vorst Nationaal aan. Dat de blik stevig op de toekomst gericht is, was duidelijk, maar toch bleek de groep zich nog iets te hard vast te klampen aan zijn verleden om goed te zijn.

Vorig jaar nog bracht Sigur Rós het bijna ambient aandoende Valtari uit. U mocht die plaat dinsdagavond alweer tussen haakjes zetten. In het volle besef dat die muziek live geen meerwaarde bood, kwam daaruit slechts één nummer aan bod. En gelukkig maar dat “Varúð” werd gespeeld. Begonnen als eenzame pianoballad, bloeide het nummer immers sacraal open, als bevonden we ons in een atheïstische misviering, waarin de vrouwelijke blazers en strijkers als koor fungeerden. Het was een bloedmooi moment van pure verstilling in een concert dat anders niet vies was van een effect meer of minder.

De IJslandse groep had dan ook een indrukwekkende productie mee, die vooral in de eerste drie nummers verblufte. De muzikanten speelden op dat moment nog in een vierkante box van gaas dat dienst deed als projectiescherm. Het resultaat was het vertrouwde schimmenspel dat Sigur Rós al langer opvoert, verrijkt met sfeervolle projecties. Jammer dus dat die omkadering al op de climax van “Ný Batterí” werd neergehaald, om plaats te maken voor een traditioneler videoscherm.

Die hang naar het grote gebaar, die ook uit een pathosvol uitbarstend “I Gaer” sprak, werd echter meteen weer tot stilstand gebracht. “Untitled #1 (Vaka)” haalde de vaart uit het optreden en deed dat op de goeie manier; door de stilte en de ingetogenheid te zoeken in een eenzame pianolijn. Even goed echter kregen we de vlotte riedel van “Saeglopur”, die zowaar op herkenningsapplaus werd onthaald alsof het een echt popliedje zou zijn.

Midden in de set, met een ietwat doordeweeks “Olsen Olsen” valt het plots echter op: nog steeds steunt de band wel héél hard op de nummers van zijn eerste drie platen. Dat is goed — Með suð I eyrum við spilum endalaust was alles welbeschouwd een té diepe verkenning van Coldplayland en Valtari is dus niets voor een concert — maar het wil ook zeggen dat Sigur Rós al acht jaar lang geen klassieke song meer heeft geschreven van het kaliber van “Hoppípolla” of “Glósóli”. Degelijk werk wel, dat zeker, maar als de plaat niet meer te promoten is, schuif je die recentere nummers toch weer naar achter, zo blijkt.

Liever dan dat recente verleden te herkauwen, blikte de groep dinsdag alweer vooruit met drie nieuwe nummers. Dit jaar nog zou er immers alweer een nieuwe plaat uitkomen, en afgaande op deze voorsmaakjes zal die voor verandering zorgen. Zeker “Brennisteinn”, dat in zijn finale met dancebeats slaags raakte, liet een nieuw geluid horen. Ook “Hrafntinna” klonk steviger dan recenter werk. En dat was goed. Die SR #7 (een werktitel als een ander) zou wel eens goed kunnen worden.

Niettemin was het alweer (heel) oud werk dat voor de finale moest zorgen. Eerst de warme euforie van “Hoppípolla” en “Glósóli”; twee herinneringen aan Tàkk, het laatste perfecte album van de IJslanders. En dan, als laatste noot, “Popplagið”. Alweer. En dat begint een probleem te worden, want zo verplicht deze afsluiter langzamerhand voelt, zo getelefoneerd ook de performance in Vorst. Begrijp ons niet verkeerd; het blijft een ijzersterk nummer, maar het heeft zijn rol in het werk van Sigur Rós langzamerhand gespeeld. De alles omver mokerende doem is al lang uit het palet verdwenen — zelfs de visuals bij het nummer zochten regenboogkleuren op — en is niet langer op zijn plaats. Hopen dus dat die nieuwe plaat dan maar een nieuwe standaard eindnoot kan opleveren?

Toch blijft Sigur Rós een onwezenlijk succes. Had u ons vijftien jaar geleden voorspeld dat een weinig communicatieve IJslandse groep met soms tegen de avant-garde aanschurkende postrock een zaal als Vorst zou uitverkopen, we hadden u gek verklaard. Dinsdagavond leek dat echter volstrekt logisch. Een groep die dit soort concerten aflevert, zelfs al hangt er bij momenten al een kleine zweem van nostalgie rond, verdient grote zalen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 − 1 =