Grainbelt :: A Distant Sound

Op dagen dat we geen zin hebben in het laptopgedoe van de hedendaagse vernieuwers, of
in de pose van heavy metal, de moeilijkdoenerij van de freejazz en het narcistische gewauwel van
de ironische eendagsvliegjes met hun zorgvuldig georkestreerde campagnes en pseudospontane
carrièrezetten, dan vinden we troost en bevestiging in de wereld van de rootsrock. Daar blijft al dat
krampachtig acteren achterwege, want er geldt immers nog steeds de leuze ‘what you see is what
you get’
. Dat is de dag van vandaag weer verfrissend. Ook bij Grainbelt.

Het kwintet uit Albany, New York, is intussen toe aan zijn tweede album (Trouble Coming
Down
verscheen in 2007), maar kan bezwaarlijk als een nieuwkomer beschouwd worden.
Songschrijver, gitarist en zanger Howe Glassmann leidde in een vorig leven de The Coal Palace
Kings, waarmee hij tussen 1997 en 2003 vier albums maakte die stilistisch al de muziek van Grainbelt
aankondigden. Dat betekent: vooral compacte, diep in de country gewortelde songs die verwant zijn
aan de 80’s roots revival van o.m. The Beat Farmers, Long Ryders en Green On Red, en de semi-
legendarische zuipplaat The Lost Weekend van Danny & Dusty in het bijzonder. Doe daar nog
de potigheid van Slobberbone en de countrysnik van Son Volt bij, en je raakt aardig in de buurt.

Kortom: iets te potig om bij de ingetogen americana van de sepiaminnende singer-
songwriters ingedeeld te worden en misschien wat te clean om cowpunk genoemd te worden, maar
de afgetrainde songs op albums als A Distant Sound garanderen dat je gespaard blijft van
aanstellerige stinkers en/of richtingloze klaagzangen. Anderzijds moet je van deze kerels ook geen
verrassingen of vernieuwing verwachten, want dan ben je aan het verkeerde adres. Goede rootsrock
draait doorgaans om directe emoties en herkenbare, pretentieloze verhalen over vrouwen, pech en
alcohol (niet noodzakelijk in die volgorde). Het is het verhaal van alledaagse bezorgheden van Jan
met de pet.

Vanaf “In For A Penny” worden de lijnen uitgetekend: vrij eenvoudige structuren, een solide
ritmesectie, halfgesproken verhalen en veel gitaar. De rinkelende aanpak sluit nogal aan bij die van
Jason Ringenberg, nog zo’n rocker met een talent voor aanstekelijke, in pop gedrenkte melodieën.
Elders, zoals in “Do The Good Times Really End?” en “Come To Happiness” wordt een versnelling
hoger geschakeld en beland je tussen country, punk en de opgefokte Southern rock van The Georgia
Satellites. Op en top livemuziek die vraagt om aanmoedigend gebulder.

Het is muziek met een oprechte insteek, gemaakt om gespeeld en beluisterd te worden bij dat
pintje teveel, als dat hoofd net iets te dicht bij de toog zakt en het achterste van de tong iets te
nadrukkelijk op de voorgrond komt. Het is muziek om verdriet bij te verdrinken, om met maten leed
en plezier te delen. Zeker als de band de akoestische gitaren erbij betrekt, zoals in “Violin” of het
prachtige ‘bad luck’-verhaal “Kansas” (gezongen met krakende, onvaste stem door bassist
Chris Blackwell), schiet de blik snel op oneindig en is de nood groot om in de wagen te kruipen en het
op een rijden te zetten. Bestemming doet er niet toe.

Feestjes die uit de hand lopen (een plaat uit 1999 heette niet toevallig Everyone’s Got
Drinking Stories
), vuistgevechten die bijgelegd worden bij een halve liter, countrybands die
om twee uur ’s nachts enkel nog spelen voor een jankend koppel en een kettingrokende barman
met een gebeeldhouwde voorhoofdfrons: dat is zo’n beetje de wereld van Grainbelt. Ver weg van
grootstedelijke chaos en stuiterende beats dus, maar het leven zoals het is, inclusief de triviale onzin,
de wrangheid, het onnozele gegrinnik en de kom spaghetti die in het holst van de nacht opgepeuzeld
wordt, terwijl die ellendige hik maar niet weg te spoelen valt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + twee =