Keith Jarrett, Jan Garbarek, Palle Danielsson, Jon Christensen :: Sleeper

De laatste 30 jaar mag Keith Jarrett dan vooral bekend zijn van zijn solo- en triowerk (dat laatste met zijn lichtjes legendarische “Standards Trio”), we zouden er bijna door vergeten dat er een tijd is geweest dat het kwartet als ensemble zijn voorkeur genoot.

Het meest bekende daarvan is zijn “European Quartet”, zo genoemd vanwege het continent van herkomst van de andere spelers (Jarrett zelf is Amerikaan).,Hiermee heeft hij voornamelijk gedurende de tweede helft van de jaren 70 aardig wat getoerd. De laatste keer dat dit puike gezelschap nog eens het beste van zichzelf heeft gegeven, ligt ondertussen al een eindje achter ons. Maar kijk, plots herrijst daar out of the vaults of ECM Records deze Sleeper, een integrale opname van een optreden in Tokyo op de gezegende dag 16 april 1979. En dat hij gezegend was, wordt al snel duidelijk bij het beluisteren van dit waanzinnige optreden.

Om te beginnen is er al het feit dat dit nog een “oude stempel”-opname is, uit den tijd dat Jarrett-opnames nog typisch veel atmosfeer bevatten. Begrijp ons niet verkeerd, ECM-opnames zijn al-tijd picobello, maar neem gerust nog eens Jarretts eigen Concerts of Sun Bear Concerts bij de hand, met hun tapijtdikke en adembenemende zaalgalmen, en vergelijk die dan eens met recenter werk, solo of trio.U zal merken dat het hele gebeuren heel wat droger wordt voorgeschoteld, heel wat dichter op de huid van de individuele instrumenten. Aangezien wij hier niet bepaald spreken over pakweg de Ancienne Belgique maar over de mooiste concertzalen ter wereld, ervaren wij dat ietwat als een gemis.

Voorts is dit een opname met uitsluitend composities van Jarrett, iets wat zich sinds zijn Quartet-periode nog zelden lijkt voor te doen. Aan wat voor muziek mag u zich dan verwachten? Dat jazz hier een grote rol komt spelen, spreekt voor zich, maar er worden ook aardig wat uitstapjes gemaakt richting… tja, richting wat eigenlijk? Zij die vertrouwd zijn met platen als Survivor’s Suite en Eyes of the Heart weten dat er bij momenten aardig wat getript kan worden, en dat is op dit album niet anders. Het voornaamste voorbeeld hiervan is het gros van het bijna 30 minuten durende “Oasis”. Dat begint met oosters aandoende percussie, uitgevoerd door drummer Jon Christensen en Jarrett, en een Jan Garbarek die zijn saxofoon tijdelijk inruilt voor een slangenbezweerderige fluit. Contrabassist Palle Danielsson weet even niet wat te doen, maar beslist om zich na enkele minuten toch mee in het avontuur te storten, gewapend met zijn strijkstok. Na een dikke zeven minuten lijkt het hallucinogene middel dat tijdens de pauze stiekem werd ingeslikt (het nummer opent de tweede helft) stilaan weg te ebben, en lo and behold, neemt Jarrett stilaan weer plaats achter zijn piano, volgt Garbarek zijn voorbeeld met zijn sax, beslist Danielsson dat die strijkstok toch ook niet alles was, en ruilt Christensen zijn percussie weer in voor zijn kit… Maar voorts blijft het sfeertje in feite even trippy.

In al zijn gekheid is dit nummer tegelijkertijd ook een prachtige expositie van een van de grootste sterktes van dit album, met name het samenspel van dit gezelschap. Het niveau ligt simpelweg torenhoog. Samen muziek maken is één ding, maar samenspelen — om niet te zeggensamensmélten in plaats van ieder afzonderlijk je ding te doen — dàt is nog iets geheel anders, zéker met muziek als deze waarbij regelmatig collectief geïmproviseerd wordt. Goede muzikanten luisteren naar elkaar, voelen elkaar aan, spelen op elkaar in en ga zo maar voort, maar hier lijkt het wel alsof er slechts één persoon aan het spelen is, alleen dan op vier instrumenten tegelijk.

Ten slotte is ook de exuberante energie die van dit hele optreden afspringt een waar genot. Er gaat een zekere jonge onstuimigheid van uit, een ongerepte puurheid, een ongetemdheid. Christensen mag hier met zijn erg dynamische en opzwepende, exquise drumwerk, dat de overige muzikanten verplicht om constant alert te zijn, misschien nog wel het meest voor verantwoordelijk geacht worden. Noem ons gerust sissies, maar onze oogjes worden vochtig wanneer een nummer als “So Tender” zich ontpopt tot een hoogmis van levensvreugde bezingende pracht, met zijn korte maar uiterst ontroerende pianosolo-intro die ons herinnert aan het fenomenale “Bremen Concert”, gevolgd door een al even aandoenlijk duet met Garbarek die de melodie voor zijn rekening neemt, begeleid door Jarrett die rond de saxofonist lijkt te dartelen als een nieuwsgierig kind in de wei, via een kort ritmisch brugje van Jarrett om duimen en vingers bij af te likken.

Dat Jarrett een buitengewoon goede muzikant is, dat wisten we al langer. Als je daar dan drie andere muzikanten bijzet die daar niet veel voor moeten onderdoen, dan creëer je een situatie waarin, mits alle parameters juist ingesteld zijn, pure magie mogelijk wordt. Welnu, de sterren stonden deze bewuste avond tot op de nanometer juist. Het is ronduit wraakroepend te weten dat er ongetwijfeld nog meer van die pareltjes gewoon stof liggen te vergaren in Jarretts of Eichers kelder. Verplichte kost, en niets minder, punt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 9 =