Manu Chao :: 11 juli 2012, Vossenplein (Brussel)

Dat hij wel nog eens wilde afkomen, op voorwaarde dat hij zelf de locatie mocht kiezen. Geen probleem, zeiden ze bij het Brussels Summer Festival. En dus stond Manu Chao woensdag voor de eerste van twee avonden op het Vossenplein. En bleek dat het dringend tijd wordt voor een koerswijziging.

Het is ergens halverwege het concert dat de twijfel begint toe te slaan. Chao heeft tegen dan al twee keer afscheid genomen van het publiek en komt terug voor nog maar eens een rondje van hetzelfde: doorpompende huppelskapunk met steeds terugkerende “hoyoo”-kreten. Plots zien we hoe gemakkelijk het voor haters is om de kleine sprinkhaan als een karikatuur neer te zetten.

Als het niet honderd procent juist zit, zakt het bouwwerk dat Chao met zijn groep optrekt immers genadeloos in elkaar. Als de levensvreugde er niet is, als de vlam niet in de pan slaat, dan wérkt het niet. Normaal gezien raakt de Spaanse Fransman er mee weg dat hij nauwelijks songs speelt en krijgt hij het publiek mee in een opzwepende fiesta. Maar dat wil woensdagavond aanvankelijk niet echt lukken.

Het ligt voor een groot deel aan Chao zelf. Net de vijftig voorbij merk je dat het hem allemaal iets meer moeite kost. Dat het niet meer morsen met de energie is en dat de dieselmotor maar langzaam op gang komt. Het eerste uur van dit concert is dan ook nooit meer dan aangenaam maar ook regelmatig — en dat is nieuw — vervelend.

Natuurlijk is het aangenaam om “Mr Bobby” al vroeg in de set te horen. ‘s Mans ode aan Bob Marley blijft een klassieker, “this world go crazy / it’s an emergency” is een collectieve noodkreet die deugd doet. Maar dat eerste “Proxima estacion: esperanza!” voelt zo vermoeid aan. Verplicht bijna. Terwijl het vroeger zo’n diepe hartenkreet was: alles inzetten op de hoop omdat er niets anders meer is. Nu krijg je de indruk dat er geen geloof meer is. Er is geen hoop meer maar we roepen het toch nog maar eens, omdat we dat al jaren doen.

Het grote probleem is dat de groep die Chao nu al jaren meesleurt een logge machine is die maar één type inkleuring kent: rammen en drammen, beuken en hameren. Bas, drum en gitaar alleen zijn te weinig om het verschil tussen de nummers te maken. Er mankeert een gevarieerde inkleuring en daar kan ook een accordeonist of een occasionele, veel te stille trompet niets aan veranderen. Zelfs “King Kong Five” van zijn oude groep Mano Negra wordt zo herwerkt dat het in dat eeuwige dubpunkritme past.

Pas met de bisnummers krijgt de frontman meer dan tien rijen enthousiast. Eindelijk slaat de vlam wél in de pan en kan er gedanst worden met een glimlach om de lippen. Het waarom laat zich raden. Met “Bienvenida a Tijuana”, “Por La Carretera”, “Mina Galera” en “Desaparecido” speelt hij plots nummers die ook met nadruk songs zijn. Ze zijn ondertussen meer dan tien jaar oud en sindsdien is zijn productie mager geweest: een chansonplaat die hij live zo goed als negeert en een collageplaat die voortborduurt op wat hij op de planken doet met weinig memorabele nummers. Maar liedjes van dit kaliber? Neen, dat is lang geleden. En dat laat zich wel voelen na een decennium teren op de vorige.

Natuurlijk maakte die eindspurt, waarin ook nog het onverslijtbare “Mala Vida” passeert, veel goed. Chao wordt keer op keer teruggeroepen, al was het maar om er een aller-, àllerlaatste keer “yo vengo del hoyoyoyo” uit te rammen, maar die eerste helft mag niet vergeten worden. Op die manier blijft het niet werken. Als Manu Chao binnen tien jaar nog gedenkwaardige concerten wil brengen zonder puur te teren op energie die hij niet meer heeft, zit er maar één ding op: opnieuw echte songs schrijven en die brengen. En liefst met een muzikaal rijkere band.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + twee =