Hildur Guðnadóttir :: Leyfðu Ljósinu

Hildur Guðnadóttirs derde soloplaat (tweede onder eigen naam) Leyfðu Ljósinu is een erg opslorpende ambientrit, bestaande uit een korte prelude en een 35 minuten lange, vloeiende titeltrack, volledig live opgenomen aan de hand van twee microfoons, zonder dat er enige postproductie mee gemoeid werd. Gezien de uitzonderlijke narratieve kwaliteit van de muziek: een kortverhaal met als leidraad deze plaat.

“Laat het licht toe” (Leyfðu Ljósinu) had haar moeder haar meermaals gezegd, “je kan niet eeuwig in die donkerte blijven zitten.” In feite was het zelfs geen kwestie van willen of kunnen, ze kon het simpelweg niet aan om te leven in het constante licht van de poolzomer terwijl ze zichzelf volledig ingepalmd voelde door duistere gedachten. Dus zat ze dagenlang binnen, met de zware gordijnen gesloten en zichzelf diep weggestopt in de bedlakens die ze al maanden niet meer ververst had. Niet meer sinds.

Sindsdien was ze maar zelden buiten gekomen, slechts voor het levensnoodzakelijke, en dan steeds maar korte tijd waarbij ze zoveel mogelijk andere mensen probeerde te mijden. Verder deed ze niets, met uitzondering van het bespelen van haar cello. Door de cello, volgens haar het enige muziekinstrument dat je met je hele lichaam bespeelt, de diepe resonanties ervan zich verspreidend doorheen haar onder- en bovenlijf terwijl ze traag de snaren van het instrument bestreek, behield ze als het ware nog enige voeling met de tastbare wereld rond zich. Het melancholische geluid van haar cello, gekoppeld aan de gevoelsmatige deining die de resonanties teweeg brachten, bood haar een houvast waardoor ze haar duistere gedachten even kon opzij zetten.

Vandaag speelde ze diep verzonken in de muziek, met veel aandacht voor de stilte en met alle ruimte voor de natuurlijke echo, een korte “Prelude” waarin een subtiele melodielijn, opgebouwd uit gestaag verschuivende dubbelgrepen, alle aandacht naar zich toe trok. Eenmaal beëindigd merkte ze dat de resonantie van haar laatste noten langer bleef hangen dan normaal, terwijl rondom haar een vage, hoge vrouwenstem traag en in een gelijkmatig ritme de lettergrepen van “Leyfðu Ljósinu” zong, daarbij steeds naderbij komend, hoewel ze in het schemerduister van de kamer niemand zag en ook geen aanwezigheid voelde. Al snel werd de ene stem vervoegd door een identieke stem die in tegentellen dezelfde syllaben voortbracht. En dan nog een stem, en nog een, en nog een, alsof een engelenkoor haar gestaag omsingelde en een boodschap wou duidelijk maken.

De repetitieve patronen van het koor vormden een vloeiend geluidstapijt dat de subtiele laatste resonanties van de cello overstemde en de kamer volledig opvulde. De klanken overspoelden haar en ze voelde zich als in trance opgetild worden uit haar stoel en zacht naar onder getrokken worden, zonder dat ze echter een aanraking of een letterlijk getrek voelde, waardoor ze zich niet verzette en evenmin angst voelde. Minutenlang bleef het koor haar trage polyfonie voortbrengen, haast ongemerkt verschuivend van akkoord naar akkoord terwijl zij steeds verder naar beneden getrokken werd, diep in het niets, tot ze boven een kabbelend wateroppervlak zweefde. Aan de hand van vage lichtspelingen zag ze dat er een stroming bestond die het wateroppervlak beroerde op gelijke tred met de echoënde stemmen.

Aanvankelijk was die stroming nog rustig, maar wanneer diepe celloklanken de repetitieve koorpatronen verstoorden, eerst nog zacht maar later met krachtige présence, merkte ze dat dit ook een weerslag had op de stroming die alsmaar onrustiger werd. Golven vormden zich, aanzwellend tot een wilde storm, terwijl zij onbeweeglijk te midden van het water- en geluidgeweld hing. Opeengestapelde dissonanten, door de mangel van een hele rits effecten gehaald, vormden het tot voor kort zo serene koor om tot een grillige textuur van klanken, waarbij minutenlang in slow motion gelaveerd werd tussen rustiger stukken en delen waarin verschillende lagen een alomvattend dreunende, haast onhoudbare spanning veroorzaakten, die de golven tot schuimende hoogten deed opruien.

Na daar lange tijd midden in het geweld gehangen te hebben, voelde ze zich weer opstijgen terwijl eerst hoge, en vervolgens korte, gejaagde noten zich in het klanklandschap mengden. Dat werd alsmaar intenser, en toen ze uiteindelijk opnieuw achter haar cello zat, merkte ze dat ze zelf die noten aan het spelen was, haar rechterarm verkrampt de strijkstok omklemmend terwijl haar linkerhand met kracht de snaren ingeduwd hield. Ze voelde hoe ze zelf naar een climax bouwde zonder er controle over te hebben, hoe ze er verschillende minuten op bleef door rammen zonder te weten wanneer het zou eindigen, tot het dat ineens zomaar deed. Enkel een verweesde stilte bleef achter.

In de nagalm en de uiteindelijke stilte voelde ze een rust over zich neerdalen die ze al maanden niet meer had gevoeld. Pas veel later legde ze haar cello opzij en opende ze de gordijnen die een fikse lading stof afwierpen. Door de stofwalm heen zag ze de zon laag aan de horizon in het westen, het was al diep in de nacht. “Leyfðu Ljósinu” herhaalde ze tot zichzelf.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × twee =