The Shins :: Port Of Morrow

En net toen je dacht dat The Shins de oversteek zou maken van indie naar mainstream, verdween de groep in 2007 in de plooien van de tijd. Een half decennium later is er dan toch Port Of Morrow en laat de groep een meer doorsnee geluid horen.

Het waren vijf lange jaren zonder The Shins. Een lustrum zonder die uitzonderlijke zin voor melodie, zonder die heerlijk kronkelenden zanglijnen. Een periode waarin de lentes nooit de gloed kregen die ze hadden moeten hebben. Goed, er was Broken Bells, het project van frontman James Mercer met Dangermouse, maar dat kwam nog niet tot aan de enkels van Wincing The Night Away, de laatste plaat van zijn hoofdgroep. Tijd dus voor nog eens zo’n shot muzikale instantwarmte, zou een mens zeggen. Maar zo direct als het oude werk is die vierde plaat niet. Hier moet geluisterd worden vooraleer de songs willen openbloeien.

Niet dat je dat zou vermoeden als je de single “Simple Song” hoort. Daar is de oude Shins aan het werk; die van onweerstaanbare vroegezonneschijnnummers als “Turn On Me” of “Kissing The Lipless”. Het is schijnbare eenvoud; alles past zo precies in elkaar dat het wel een meestersmid moet zijn geweest die dit fabriceerde. Hetzelfde geldt voor “For A Fool”, een trage die zich langzaam in je hoofd vasthaakt om er dagenlang te blijven rondzinderen.

Gebruikten we daarnet trouwens het woord groep? Vergeet dat concept. Na het vertrek van keyboardist Marty Crandall en drummer Jesse Sandoval speelt Mercer nu op zijn eentje Shins. Het geeft hem op Port Of Morrow de kans om de mensen aan boord te halen die elke specifieke song nodig heeft. Als een logische stap na het lichte experiment van Wincing The Night Away, zocht Mercer samen met producer Greg Kurstin (bekend van werk zo divers als Rilo Kiley, Flaming Lips en Ke$ha) naar de juiste arrangementen voor elke song: een funky gitaartje voor de pure pop van “No Way Down” en een gedempt trompetje voor “Fall Of ’82”. “It’s Only Life” is dan weer zo’n oerklassieke plakker dat je er meteen een schoolbal anno 1976 en een spiegelbol bijdenkt.

En dan is er nog de kronkelende opener “The Rifle’s Spiral”, die telkens weer lijkt te twijfelen of het nu rechtdoor is, of toch maar de gindse zijweg in, om zo heerlijk zwalpend ter bestemming te komen. “Bait And Switch” heeft dan weer iets van de speelsheid van Chutes Too Narrow, net als het akoestisch hobbelende “September”, waarin Mercers oude tekstuele sterkte nog eens opspeelt: “I’ve been selfish and full of pride / She knows deep down there’s a little child / But I’ve got a good side to me as well”. Hij zingt het in één heerlijke serpentine, zoals het vroeger altijd ging.

Ja dus, die zin voor melodie is er nog, maar ze rolt minder opzichtig met de spierballen, werkt discreter, ingehoudener. Wij vinden dat een tikje jammer, en geven deze plaat dan ook “slechts” een 7.5, net iets minder dan de achten of achtenhalven van zijn voorgangers. Maar dat het toch een fijn weerzien is. Afspraak op een zomerfestival naar keuze, James!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − zes =