JustJAZZIt :: 17 februari 2012, Beursschouwburg

Met popjazz, avant-garde, solo- en ensemblewerk in de aanbieding viel er moeilijk een lijn te ontwaren in het programma van het vierdaagse festival, al is net dat misschien wat de voorbije edities ook verbonden heeft. Op de derde festivaldag ook twee concerten die op papier geen uitstaans met elkaar hadden. Al een geluk dat ze plaatsvonden in de juiste volgorde.

Voor het eerste project werkte de Beursschouwburg samen met De Singel (waar het eerder werd opgevoerd) en het Koninklijk Belgisch filmarchief. Het was een begeleiding van de stille film Schastye (‘Het geluk’ (1934), van Aleksandr Medvedkin) door het trio Jean-Yves Evrard (gitaar), Sébastien Boisseau (contrabas) en Eric Thielemans (percussie), die elkaar o.m. kennen van bij Mâäk’s Spirit. Dat soort livebegeleiding is natuurlijk niet nieuw. Bill Frisell deed het twintig jaar geleden al met werk van Buster Keaton, iets dat onlangs ook nog herhaald werd door Lee Ranaldo. De koning van deze onderschatte discipline, Gary Lucas, baande zich vermoedelijk al een weg door het werk van zelfs de meest vergeten figuren van de stille cinema. Het was alleszins mooi meegenomen dat Medvedkins film na meer dan 75 jaar nog steeds de moeite is door z’n zwarte humor, knappe effecten en kolderieke actiescènes.

De muziek die Evrard voorzag was soms even spaarzaam als de actie opgejut. Hij beperkte het, wandelend over en voor het podium, doorgaans tot rustig verkennende melodieën en een handvol melancholische basisthema’s dat een paar keer terugkeerde, maar niet altijd afgestemd was op de vaart van de film. Soms viel er een stilte tijdens een filmclimax, maar het omgekeerde gebeurde ook. Zo kon een nieuw aangeboord stuk uitgespreid worden over twee hoofdstukken van de film. Er waren een paar uitzonderingen op de eerder introverte aanpak, zo viel er na drie-vierde een stevige climax te horen waarbij de muzikanten even op het pedaal mochten gaan staan. Van de minimalistische ritmepatronen en zachte interactie was dan even geen sprake meer. Het voelde aan als een natuurlijke conclusie, wat het resterende kwartier dan ook een beetje overbodig leek te maken.

Bij een vorige passage (op een dag na twee jaar geleden in de Vooruit) maakte het hyperbopkwartet Mostly Other People Do The Killing niet echt de indruk die we verwachtten, ook al kon je bezwaarlijk van een tegenvaller spreken. De band had er een hels reisparcours op zitten en dat leek een beetje voelbaar. De band die deze keer aan de meet verscheen leek echter volledig op scherp te staan, met slechts één doel voor ogen: een demonstratie geven van tot wat het in staat is in ideale omstandigheden. En het is dan ook verbijsterend dat het kwartet intussen geen grotere naam is binnen deze jazzwereld, want als het erop volgende uur iets bewees, dan is het wel dat er geen maat staat op dit Amerikaanse fenomeen. Optreden na deze band is het gemeenste geschenk dat je kan krijgen. Het is het soort band waar je geen muzikanten mee naartoe wil nemen, ze houden er en depressie aan over.

Ze stelden een resem nieuwe songs voor en kwakten wat recent werk erbij, al is een accurate setlist sowieso niet aan de orde. MOPDTK beheerst immers de kunst om composities volledig binnenstebuiten te keren en naadloos te laten overgaan in andere composities. Bassist Moppa Elliott, nog steeds de leider en woordvoerder, is daarbij doorgaans de enige die een ankerrol op zich neemt; hij stuurt, kondigt overgangen aan en vormt de golvende fond van de band. Drummer Kevin Shea, daarentegen, die maakte van meet af aan duidelijk dat hij ook deze band beschouwt als een speeltuin. Het gevolg: kinderachtige (maar redelijk onweerstaanbare) ongein met allerlei geluidjes, maar vooral ook ritmische schizofrenie die de luisteraar voortdurend op het verkeerde been zet en z’n kompanen steeds opnieuw verplichtte om bij te sturen.

Niet dat die verlegen zitten om een ommetje nu en dan. Jon Irabagon, die binnen de band soms een ietwat minder opvallende rol opneemt, liet zich ook deze keer kennen als een veelzijdig muzikant die het volledige gamma tussen Coleman Hawkins en Albert Ayler beheerst, met romige solo’s, sputterende uithalen en goed geplaatste accenten. Opnieuw was trompettist Peter Evans echter het slotstuk van de band, en wat hij liet horen grensde bij momenten aan het duizelingwekkende. De gemakkelijke, bijna nonchalante manier waarop hij kan overschakelen van stijl en techniek is verbluffend. Of het nu gaat om schetterende Armstrong-uithalen, acrobatische stunten à la Navarro of het gebruik van circulaire ademhaling en andere blaastechnieken; het gamma lijkt haast eindeloos, de beheersing compleet.

Evan Parker liet zich in een onbewaakt moment eens ontvallen dat elke generatie zo’n muzikant heeft die tot dingen in staat is die zelfs voor getalenteerde collega’s te hoog gegrepen zijn en dat het voor deze generatie wel eens Peter Evans zou kunnen zijn. Daar valt iets voor te zeggen, want de man pakte uit met een begeesterd en begeesterend arsenaal dat amper nog menselijk leek. Voor sommigen zeker wat te veel van het goede – een uur MOPDTK doet je net als een concert van Masada even naar adem happen en naar stilte verlangen -, maar achteraf kan je niet anders dan verzuchten dat de toekomst van de jazz verzekerd is. Voor wie er oor naar heeft, tenminste.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 7 =