Peter Evans Trio :: Zebulon

Dat er geen maat stond op Peter Evans’ creativiteit, dat was al langer duidelijk, maar nu ziet het ernaar uit dat zijn productiviteit ook nog eens een boost krijgt. Na uitmuntende platen van zijn kwartet en verbluffend sterke kwintet, werk aan de zijde van o.m. Nate Wooley en Evan Parker, en rebels geharrewar met het knettergekke Mostly Other People Do The Killing, verschijnt nu ook het eerste album van zijn trio. Opnieuw een visitekaartje, maar tegelijkertijd ook een van zijn meest toegankelijke en vermoeiende albums. Ook dat is een kunst.

Het vermoeiende aspect heeft ongetwijfeld te maken met de bezetting. Wordt het saxtrio zowat beschouwd als het nec plus ultra van de moderne jazz, dan is een trompettrio met ritmesectie eigenlijk een pak zeldzamer. Ga het maar eens na: de meest bejubelde trompettisten uit de jazz functioneerden doorgaans op hun best binnen kwartetten en kwintetten, al had je er ook (Don Cherry bijvoorbeeld) die het in eender welke context konden bewijzen. En er zijn nog wel wat recente voorbeelden te vinden — op deze website o.m. nog eentje van Nate Wooley (al kan je die plaat bezwaarlijk jazz noemen) en Kirk Knuffke — maar het is eerder zeldzaam, want je zal trio’s vaker vinden in andere combinaties, zoals met een gitarist en drummer. Zie ook Evans’ trio met Weasel Walter en Mary Halvorson.

Op contrabas wist Evans John Hébert te strikken, een van de meest gevraagde muzikanten van de voorbije jaren en een knaller die zowel binnen de radicale vleugel (b.v. aan de zijde van een Halvorson) als binnen de mainstream (als begeleider van meesterpianist Fred Hersch) weet op te vallen. Hébert is een allrounder die zowel technisch als melodisch excellent is, maar ook geen schrik heeft om risico’s te nemen én weet wanneer hij zich meer functioneel kan opstellen. Opvallende toevoeging is de jonge drummer Kassa Overall, die binnen de jazz al werkte met onder meer Geri Allen en Steve Coleman, maar daarbuiten ook bij Das Racist.

Kortom, een line-up die intrigeert en dan zal het misschien ook als een verrassing komen dat de stukken op deze liveplaat (opgenomen in de onlangs gesloten club in Brooklyn, NY) eigenlijk vrij toegankelijk zijn. Evans begeeft zich soms op zo’n radicaal terrein dat hij pioniers van de vorige generaties soms mijlenver achter zich laat, maar hier vindt hij een bijzonder geslaagd evenwicht tussen virtuositeit en een houvast. De vier voluptueuze stukken, elk goed voor een duur tussen 15 en 25 minuten, bevatten duidelijk gecomponeerde of terugkerende stukken en motieven, maar worden daartussen ingevuld door een band die met een opmerkelijke souplesse en lichtvoetigheid speelt.

De vraag is enkel of je dit als luisteraar aankan: net zoals het beluisteren van Jon Irabagons marathonsessie Foxy een ware beproeving was, zo heb je ook hier soms het gevoel dat je samen met Evans naar adem moet happen. Stiltes vallen er soms amper, want Evans blijft door z’n eindeloze creativiteit en vaak terugkerende circulaire ademhaling een onuitputtelijke bron van muzikale informatie. Hij spettert en knettert, versnelt en vertraagt, tast af, introduceert en varieert, en dat allemaal met een haast bovenmenselijke controle. Het onvermoeibare “3625” is een staaltje vastberadenheid en topconditie, waarin de beweeglijke ritmesectie het ene moment zorgt voor een levendige fond, maar elkaar ook op gezette tijden ontmoet voor hecht samenspel dat een duidelijk plan verraadt.

Die intensiteit wordt gelukkig niet altijd met dezelfde drukte uitgewerkt. Zo teert het gepast getitelde “Lullaby” grotendeels op trage, broeierige grooves, waarvoor Evans een eerder minimalistische aanpak hanteert en zijn techniek ten dienste stelt van adembenemende spanning die het niet noodzakelijk moet hebben van notenvloed. Opmerkelijk is ook het drumwerk van Overall, die kiest voor eenvoud en voorwaartse stuwing, zonder daarom voorspelbaar of saai te worden. Ook “Broken Cycles” lijkt met z’n eindeloze RA-TA-TAT-onderbrekingen een gepaste titel gekregen te hebben. Heeft het aanvankelijk een minder vertrouwde samenhang, dan wordt snel duidelijk dat het stuk wordt opgebouwd rond de explosieve salvo’s van het trio, dat ondanks momenten van vrijheid soms prachtig simultaan uithaalt.

Afsluiter “Carnival” gaat van start met een bevlogen trompetsolo en is, opnieuw, een bevlogen performance die bedwelmt met exotische ritmes, bruist door onophoudelijke variaties van korte motiefjes en verbluft door meesterlijke circulaire ademhaling, breed uitgesmeerde klanken en ronduit idiote koppigheid. Hébert laat ook met de strijkstok een paar indrukwekkende momenten horen, maar het is opnieuw Evans die domineert en imponeert. Dan rest enkel nog de vraag wie na meer dan vijfenzeventig minuten nog steeds even aandachtig aan het luisteren is. Dat is dan ook het voornaamste en eigenlijk enige punt van kritiek: Zebulon is zo’n gulle explosie van creativiteit dat je dit als luisteraar amper verwerkt krijgt als je het plaatje niet voor je ziet.

Maar live is dat dus wat anders. Je krijgt meer greep op wat zich afspeelt; je kan je laten overrompelen en verrassen. En het is ook op die manier dat je als jazzliefhebber eens wat moeite mag doen. Dat dwepen met Coltrane, Monk, Miles en coole parafernalia: allemaal goed en wel, maar laat de muziek geen museumkunst worden en steun de kleppers van vandaag terwijl ze de steun kunnen gebruiken, zodat je ook kan zeggen dat je erbij was in 2013.

Dat kan op 22 maart al, want dan speelt het trio in ’t Werkhuys (Borgerhout) een concert in de New York Jazz Connection-reeks. Het voorprogramma wordt verzorgd door Christophe Albertijn, die er de Brusselse altsaxofoniste Audrey Lauro ontmoet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 4 =