Tower Heist

Regisseur Brett Ratner, bekend als de grote
filmauteur achter de ‘Rush Hour’-serie (oké, en ook het
best-wel-degelijke ‘Red Dragon’), deed onlangs een Lars Von
Trierke
toen hij tijdens een persconferentie voor zijn
nieuwste, ‘Tower Heist’, de opmerking maakte: “Rehearsal is for
fags.”
Vrij vertaald: “Repetitie is voor jeanetten.” Een niet
bijster lollig grapje, maar in de VS al reden genoeg om een formele
verontschuldiging af te dwingen én Ratner de bons te geven als
producent van de komende Oscars-show. Eddie Murphy, die de
prijsuitreiking ging presenteren, volgde in zijn kielzog, waardoor
de Academy maar terugkeerde naar ouwe rot in het vak Billy Crystal.
Voor de Oscaruitreiking misschien niet eens zo’n slecht nieuws,
maar echt: hoe overdreven kan een reactie zijn? En dat terwijl de
film waar het allemaal rond draaide zo onopmerkelijk is: ‘Tower
Heist’ is een luie ‘Ocean’s Eleven’-voor-de-gewone-werkmens, waarin
een roedel bekende komische acteurs elk hun eigen nummertje
opvoeren, vrij van inspiratie of ambitie.

Ben Stiller speelt Josh Kovacs, de manager van The
Tower, een waanzinnig duur flatgebouw in centrum New York. The
Tower is in handen van zakenman Arthur Shaw (Alan Alda), een
ogenschijnlijk sympathieke multi-miljonair die, in de grote
traditie van Jean-Marie Pfaff, net iets té vaak van zichzelf zegt
hoe eenvoudig hij wel is gebleven. En inderdaad, net als de heer
Pfaff blijkt Shaw te hebben gefraudeerd als de neten – hij wordt
onder huisarrest geplaatst en het personeel van The Tower,
inclusief Kovacs, is haar pensioen kwijt. Uit kolère besluit Kovacs
om een gewaagde inbraak te organiseren in Shaws penthouse, om daar
diens safe te kraken. Om dat te doen, roept hij de hulp in van
streetwise crimineel Slide (Eddie Murphy), de bankroete
ex-Wall Street employee Fitzhugh (Matthew Broderick), zijn neef en
Tower-collega Charlie (Casey Affleck) en liftjongen Enrique
(Michael Peña).

Eén ding moet je ‘Tower Heist’ nageven: de timing
van de film is onberispelijk. Een verhaallijn rond gedupeerde
working stiffs die wraak nemen op een corrupte rijkeluis
had op geen beter moment kunnen komen dan juist nu, in tijden van
recessie en “occupy Wall Street”. Het is ook zowat het
enige element dat de film inhoudelijk onderscheidt van ‘Ocean’s
Eleven’ en andere, gelijkaardige caper movies: de
personages van ‘Tower Heist’ willen niet zomaar hun zakken
volproppen met andermans geld; ze zijn veeleer Robin Hood-figuren
die pikken om gerechtigheid te laten geschieden. Niet dat het veel
uitmaakt: in de praktijk zit je sowieso te kijken naar een film die
van het eerste tot het laatste moment vertrouwd aanvoelt – de tekst
varieert misschien een beetje, maar de melodie is nog steeds krèk
dezelfde. De vergaderscène waarin de obstakels van de kraak keurig
worden opgesomd: check. De tegenslag vlak voor de klus, die dan
achteraf toch deel van het plan blijkt uit te maken: check. De
double cross binnen het team: check. De slimme flik die
eigenlijk wel sympathie heeft voor de bende, maar toch haar job
moet doen: check. Brett Ratner heeft zijn film al omschreven als
een “ode aan het genre”, maar doorgaans is het geen slecht idee om
met hommages te wachten tot een genre al een tijdje niet meer is
gedaan. Een ode aan een genre waar verleden jaar nog maar net twee,
drie exemplaren van uitkwamen, is immers eerder een rip-off.

Nog los daarvan, heeft ‘Tower Heist’ problemen met
zijn tempo; het duurt een uur vooraleer de kraak zelf begint, en
bij gebrek aan personages die het archetype overstijgen, is dat
geen cadeau. Alle acteurs leveren een variant af op figuren die ze
al honderd keer eerder hebben gespeeld: Ben Stiller is de
everyman die tot extremen wordt gedwongen, Eddie Murphy is
de snel pratende bedrieger (zie ook ’48 Hours’ en ‘Beverly Hills
Cop’) en Matthew Broderick is de loser die continu
rondloopt met een blik alsof het leven één lange kwelling is (zie
‘Election’). In het geval van Murphy is het in ieder geval een
opluchting dat hij op z’n minst terugkeert naar het babbelzieke
typetje uit het begin van zijn carrière, in plaats van de
kindvriendelijke, al dan niet in een fat suit opgedirkte
pias te spelen die hij de voorbije 15 jaar geworden is. Hoe dan
ook, het zijn allemaal standaardpersonages, die zo weinig eigenheid
hebben dat het eerste uur na een tijdje behoorlijk begint te
vervelen. Alleen Alan Alda kan de grijze middenmaat overstijgen met
een gladde vertolking als monsterachtige kapitalist.

Eens het heist-gedeelte van ‘Tower Heist’
dan toch op gang komt, verbetert de film wel. Een scène waarin
Matthew Broderick aan de buitenkant van de toren hangt te bengelen
zonder daar veel zin in te hebben, is zowaar zelfs suspensevol en
hier en daar valt er anderhalve geslaagde grap te rapen. Precious
zelve, Gabourey Sidibe, die een dienstkarretje en haar eigen niet
onaanzienlijke fysiek gebruikt om een FBI-agent te overmeesteren:
oké, dat is grappig. Ik ben er niet trots op, maar ik heb er mee
gelachen. Maar dan nog… Erg opwindend wordt het nooit. ‘Tower
Heist’ is het cinematische equivalent van een Ikeakast: je neemt
een aantal vooraf geprepareerde onderdelen, je steekt die in elkaar
volgens een eenvoudig plannetje waar je nooit van afwijkt, en kijk
eens aan, je hebt een eindresultaat dat niet echt geweldig mooi is,
dat er exact hetzelfde uitziet als wat duizend andere mensen al in
hun kamer hebben staan en dat je achteraf zonder enige spijt op een
storthoop kan gooien. Maar hey, in de tussentijd kan het dienst
doen.

‘Tower Heist’ is niet aanstootgevend slecht – het
is gewoon een onverschillig geproduceerd hap-slik-weg filmpje, het
resultaat van een commerciële denkoefening, en niet van enige
passie. Zo passeren er elke week wel een stuk of vijf. Deze is niet
erger dan een ander, maar echt… waarom zou je de moeite doen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − 9 =