Deric Dickens :: Speed Date

Nog altijd doet de opvatting de ronde dat (free) jazz steeds een intellectuele en vermoeiende bedoeling is. Vaakst geopperde kritiek is dat de muziek richtingloos is, en de stukken doorgaans veel te lang en amper verteerbaar zijn. Dat is een interpretatie waar drummer Dickens komaf mee wil maken op zijn debuut. Met succes bovendien.

De uit Georgia afkomstige, maar naar Brooklyn verkaste muzikant, kwam na een tijdje in de stad op een goed idee. Of meerdere. Ten eerste zou hij een stel vrienden uitnodigen voor een reeks van duo-opnames. In de loop van twee dagen kreeg hij zo een paar muzikanten over de vloer: saxofonisten Ben Cohen, Jeff Lederer en Jeremy Udden, trompettist Jon Crowley, cornettist Kirk Knuffke en drummer Matt Wilson. Vooral die laatste naam doet misschien een belletje rinkelen, want hij speelde o.m. bij Elvis Costello, John Zorn en Charlie Haden (deze zomer nog op Middelheim). Nochtans werd het hier geen veldslag of prestigestrijd. Je voelt van de eerste tot de laatste minuut dat deze opnames in een ontspannen sfeer gebeurden.

Een tweede interessant idee was om bewust te kiezen voor korte songlengtes. Zelfopgelegde beperkingen zijn niet nieuw — gitarist Billy Jenkins bracht een paar albums uit die met de stopwatch van een bokswedstrijd opgenomen werden –, maar natuurlijk wel ongebruikelijk bij muzikanten die normaal pas afsluiten als alles gezegd en gespeeld is. Een eerste regel was geen stukken van langer dan tien minuten (er werd er zelfs maar eentje langer dan vijf minuten) en voor zes tracks werd ook de chronometer afgeklokt na 74 seconden, wat de muzikanten verplichtte om zo snel mogelijk ter zake te komen en af te ronden. Dat voel je ook aan de muziek, die opmerkelijk zuiver en geconcentreerd blijft.

Dickens heeft het in z’n liner notes over Ornette Coleman en Don Cherry, maar hij had meteen ook Cherry’s duowerk met drummer Ed Blackwell erbij kunnen halen, iets waar zeker de stukken met Crowley (“OH Snap” op kop) aan doen denken. Ook elders vallen deze twintig stukken op door hun combinatie van kaalheid en lichtvoetigheid, al is dat voor een stuk te danken aan de individuele stijlen van de gasten. Knuffke heeft sowieso een erg vloeiende improvisatiestijl, wat in “Roy At The Store” leidt tot een frisse verkenning als een lentebries en in kortere stukken als “Operating” en “Just Saying” tot exploraties die ook voor minder geharde luisteraars niet te veel van het goede zijn.

De duetten met Wilson (een cd-r met de overige resultaten van hun opnames is ook te krijgen via de website van Dickens) trekt resoluut de kaart van het speelse. In “Termites” wordt gespeeld met een whiskyfles, “Hold On Barney” bevat de meest energieke roffels en op “I Don’t Speak Caveman” komt er een of andere junglefluit aan te pas. Tenorsaxofonist Cohen hanteert vaak een wat dromerige, ontspannen stijl, waar z’n volronde toon ideaal voor is, al is het vooral Udden die hier opvalt met zijdezachte stukken à la Konitz (“Original Self”) en knikjes naar het tijdperk van Coleman Hawkins en Lester Young (“Swing It Sista”). Lederer zorgt met z’n klarinet in “Duck Dance” dan weer voor een kort expressiever intermezzo.

Je bent bij Speed Dates dus niet aan het juiste adres, als je op zoek bent naar een coherent, uitgesponnen verhaal of een trip door een intens melancholisch landschap. Wie tegen een stootje kan, zal hier dus weinig moeite mee hebben. Anderzijds is het vooral voor nieuwsgierigen eens een leuke kans om te proeven van free jazz, met zowel gecomponeerde stukken als improvisatie, die het niet moet hebben van kolossale songlengtes, dissonant gepiep en atonaal getoeter. En je kan meteen een aanstormend talent steunen.

Het erg fraai vormgegeven album verscheen in een beperkte oplage van 500 stuks.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 3 =