David S. Ware :: Planetary Unknown / Organica

Sinds zijn comeback na een niertransplantatie lijkt het wel alsof David S. Ware, nog meer dan ervoor, van plan is om van expansieve improvisatie zijn hoofdbekommernis te maken. Elke plaat die de voorbij twee jaar van hem op de markt gebracht werd, lijkt wel sterker ingegeven door spirituele en transcendentale ambities. Het maakt zijn muziek er niet toegankelijker op, integendeel zelfs, maar wat straf is, is dat Ware op z’n 61ste misschien wel de meest intense muziek van z’n carrière maakt.

Eigenlijk moet meteen benadrukt worden dat Planetary Unknown geen soloalbum van Ware is en zelfs niet onder zijn leiderschap opgenomen werd. Het is een collectieve inspanning van het viertal David S. Ware (saxen), William Parker (bas), Cooper-Moore (piano) en Muhammad Ali (drummende jongere broer van wijlen Rashied). Hoewel de muzikanten nog geen enkele keer samengespeeld hadden voor de dag van de opnames, was er natuurlijk wel al een onderlinge band. Met Parker en Cooper-Moore maakte Ware deel uit van de New Yorkse loft scene in de jaren zeventig, terwijl Parker vooral sinds einde jaren tachtig een vaste speelpartner is, en het anker van het befaamde DSWQ was.

Ali speelde einde jaren zestig nog met Albert Ayler en daarna vaak met Frank Wright, al was het ondanks de belofte om samen eens iets te doen, pas nu dat hij voor het eerst met Ware in de studio belandde. Net als bij de opnames van Onecept werd ook nu gekozen om samen in het diepe onbekende te springen, wat leidde tot zeven stukken vrije improvisatie die samen tot een uur en een kwartier gerekt werden. De tenorman is naar gewoonte dominant, wat ook te maken heeft met z’n onwrikbare sound (die een hardheid deelt met bvb. het spel van Coltrane), al krijgt hij gepast weerwerk van z’n kompanen, waarbij vooral de gretigheid van Cooper-Moore’s hyperpercussieve spel opvalt, dat instinctief en krachtig inpikt op Ware’s eindeloze exploraties.

Opener “Passage Wudang” rechtvaardigt de aankoop meteen al met een epische veldslag van meer dan twintig minuten, een woelige stortvloed aan ideeën die alle kanten uit stuiteren en pas in de laatste paar minuten heil gaan zoeken bij de ingetogen lyriek van cimbaalgeruis en fluistervolumes. Ook opvallend is Ware’s duet met Ali, dat onvermijdelijk doet denken aan Interstellar Space en die vergelijking zonder schaamte kan doorstaan. Net als op vorige albums legt Ware de tenor soms terzijde, hier om drie nummers lang te kiezen voor de sopranino (wat vooral in ballade “Divination” tot prachtige resultaten leidt) en af te sluiten met de stritch in de tweede marathonopname, “Ancestry Supramental”.

Planetary Unknown creëerde hoge verwachtingen, maar die worden hier makkelijker ingelost dan de schabouwelijke hoes doet vermoeden. Het kwartet speelt eigenzinnige, grillige en soms erg complexe muziek, geworteld in de klassieke free jazz van de jaren zestig en zeventig, maar soms verdacht sterk lonkend naar de meer Europees getinte vrije improvisatie. Taaie kost, net als voorganger Onecept, maar zeker het verkennen waard voor getrainde luisteraars voor wie het allemaal niet far out genoeg kan zijn.

Het zal niemand verbazen dat soloalbum Organica (Solo Saxophones, Volume 2) zo snel volgde op het eerste volume. Ware maakte toen al duidelijk dat de solo performance een centralere rol zou spelen, vermoedelijk ook ingegeven door zijn langzaam herstel. Toch kan meteen de link worden gelegd met Planetary Unknown, omdat deze opnames ook onmiskenbaar de Ware-stempel krijgen. Het album brengt twee concertopnames uit 2010, een half jaar van elkaar gescheiden, samen. Elke helft bestaat op zijn beurt uit een stuk op sopranino (“Minus Gravity 1 & 2”) en eentje op de bekende tenor (“Organica 1 & 2”).

Op het hoge instrument klinkt Ware soms erg schril, al gaat het dan om een klaagzang die onverstoorbaar de meest dramatische regionen van zijn mogelijkheden verkent, met schier oneindige variaties op flarden melodieën, knikjes naar het Oosten en nerveus heen-en-weer-gespring op de toonladders. Wie een eenduidig, gestructureerd verhaal verwacht, is eraan voor de moeite. Ware lijkt vooral een technische én spirituele verheffing te ambiëren, waarbij enkel hij over de sleutel tot opheldering beschikt. Door hun lange duur — resp. 16 en 23 minuten — vergen deze stukken de opperste concentratie van de luisteraar, die ongetwijfeld de opname had willen bijwonen.

De tenorstukken liggen alleszins makkelijker in het gehoor, misschien door de meer vertrouwde en warmere sound, maar ook omdat ze een ander soort verkenningen laten horen: meer coherent en afgelijnd. Zo leunt “Organica 1” aanvankelijk erg sterk aan bij ’s mans “Ganesh Sound”, dat vanaf een statige start naar een majestueuze climax toewerkt, maar onderweg een al even grillig parcours bewandelt, met abrupte en extreme uitschieters en nauwer tegen de blues aansluitende notenkettingen. Eenzelfde samengaan van agitatie en berusting valt ook te horen in het tweede tenorstuk, dat opnieuw een bijzonder expressieve aanpak laat horen en het samen met het andere stuk richting veertig minuten stuwt.

Kortom: zelfs als hij niet gesteund wordt door zijn Quartet, een magistraal verbond dat als geen ander er in sloeg op muziek te maken die enkel met het adjectief keizerlijk omschreven kon worden, blijft Ware een muzikant die hoog mikt. Het is opmerkelijk dat hij op iets gevorderde leeftijd de laatste resten conventies en beperkingen van zich afwerpt, door onomwonden te kiezen voor zuivere expressie, wat in het geval van Plantary Unknown opgevangen en van antwoord gediend wordt door drie muzikanten die al even onversaagd te werk gaan, en op Organica leidt tot een hyperpersoonlijke oefening die even onverstoorbaar als prikkelend is.

Organica verscheen in een oplage van 1000 stuks.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 3 =