The Texas Chainsaw Massacre (1974)

De late jaren zestig, vroege jaren zeventig waren
een belangrijke periode voor de Amerikaanse filmindustrie, met een
nieuwe generatie jonge regisseurs die het stof van het oude
studiosysteem wegblies. In eerste instantie denken we dan aan
filmmakers als Scorsese, Spielberg en Coppola, maar ook in het
horrorgenre vonden er interessante verschuivingen plaats. ‘Night of
the Living Dead’, gemaakt in 1968, was het startsignaal voor een
nieuwe golf low budget griezelfilms, die komaf maakte met
de conventionele verhaallijnen van de creature features
die toen populair waren: geen monsters uit de ruimte meer, zoals in
de jaren vijftig. Geen wetenschappelijke experimenten die mislopen,
maar gruwel in de achtertuin. Wat ‘Night of the Living Dead’ zo
beangstigend maakte, was het feit dat alles zich afspeelde in een
extreem herkenbare setting: een huis op het platteland, waar een
aantal gewone mensen zichzelf verscholen. Er waren geen heldhaftige
soldaten of professoren te bekennen. En die trend werd later op
steeds bloediger manieren voortgezet. ‘The Texas Chainsaw
Massacre’, gemaakt door Tobe Hooper in 1974, is nog steeds één van
de beste voorbeelden (de cynische remake mag u gerust vergeten):
een paar doodgewone jongeren komen in het hartje van ruraal Amerika
een familie bloeddorstige gekken tegen. Geen Godzilla, geen
gigantische tarantula uit de ruimte, maar iets dat nog veel erger
is: rednecks.

Vijf vrienden rijden met een hippiebusje door Texas
om het oude huis te bezoeken van één van hun grootvaders. Onderweg
pikken ze al een gesjeesde lifter op die er plezier in schept om
zichzelf en anderen te bewerken met een scheermes, maar de echte
leute begint pas eens ze op hun bestemming aankomen. De buren van
opa en oma blijken immers psychopaten te zijn, die voor de lol
mensen met een kettingzaag bewerken en in hun vrije tijd wel eens
lijken opgraven om het vlees op te eten en meubelen te maken van
hun botten. Dolletjes! Een nacht vol gegil en bloed volgt, dat
spreekt voor zich.

Door de reputatie die de film tegenwoordig heeft,
is het makkelijk om te vergeten wat voor een kleinschalig, bijna
marginaal project de prent aanvankelijk was. De cast en crew
bestond voornamelijk uit onervaren first-timers, het
budget was ongeveer 85.000 dollar (zelfs toen al absurd weinig
geld) en alles werd op 32 dagen ingeblikt, tijdens een versmachtend
hete Texaanse zomer. De medewerkers van toen blikken nog altijd
terug op de draaiperiode als één van de meest oncomfortabele van
hun leven. Maar waar ze mee naar huis kwamen, was wel een verdomd
efficiënte horrorfilm – de plot is wat je noemt “rudimentair”, een
nogal mager excuus om scènes van suspense en gore te
kunnen creëren, maar de manier waarop die scènes geconstrueerd
worden, is soms effenaf briljant.

Een groot deel daarvan schuilt hem in de eenvoud
van de visuele grammatica die Hooper hanteert. Mede door
budgetbeperkingen, kon hij zich nergens laten verleiden tot
hoogdravend gezwier met de camera, en dat speelt absoluut in zijn
voordeel. Bekijk maar eens de eerste moord in de film: het
slachtoffer loopt het huis binnen, roept “Anybody home?”,
op een manier die naar ons doorseint dat hij binnenkort tot
hondenbrokken vermalen zal worden, hij loopt een gang door… En
heel even heerst er absolute stilte, voordat Leatherface hem te
grazen neemt. Dat is alles: shot, tegenshot en geen nadrukkelijke
muziek op de soundtrack. Het geweld lijkt eens zo gruwelijk omdat
Hooper er niet expliciet naar opbouwt. De meeste recente
slasherfilms – waarvan dit één van de prototypes is – bereiden hun
publiek voor op wat er gaat komen, met subjectieve
camerabewegingen, waarmee al op voorhand in donkere hoekjes wordt
getuurd, en ta-da-daa-muziek die je een idee geeft van de timing
van de scène. Hooper doet niets daarvan: zijn set-up is gortdroog,
wat bijdraagt aan de horror van de situatie.

Eens de regisseur naar zijn finale toewerkt, haalt
hij ook meteen alles uit de kast. ‘The Texas Chainsaw Massacre’ is,
dankzij knap montagewerk, niet zo bloederig als de meeste mensen
denken, maar hij is wel genadeloos in zijn suggestie. De laatste
twintig minuten hoor je zo goed als niets anders dan geschreeuw op
de soundtrack. Tijdens één van de meest memorabele dinner
parties
die ooit op film zijn vastgelegd, toont Hooper opnieuw
zijn gevoel voor timing, door de groeiende terreur van het
hoofdpersonage te benadrukken met een opeenvolging van close-ups.
Sally (Marilyn Burns) is vastgebonden op een macabere, uit
lichaamsdelen opgetrokken stoel (met echte armen als armsteunen) en
naargelang Leatherface en zijn vrienden haar mentaal en fysiek
steeds wreder martelen, monteert Hooper naar steeds strakkere
close-ups, tot we de adertjes in haar oogballen kunnen zien. ‘The
Texas Chainsaw Massacre’ heeft zo’n veertig minuten om op te
bouwen, maar blijft daarna crescendo gaan, tot aan de allerlaatste
minuut. Het grote verschil met de torture porn-films van
tegenwoordig, is dat Hooper veel minder toont en bijgevolg veel
meer afhankelijk is van pure filmtechnieken: zijn montage, zijn
cadrages, het gebruik van de soundtrack.

Inhoudelijk blijft dit een tamelijk eenvoudig
vehikel om zoveel mogelijk spanning en gruwel te genereren. De
personages zijn niet bepaald diepzinnig uitgewerkt en ook de plot
is niet veel soeps. Bekeken in zijn tijdsgeest, kan je natuurlijk
wel wijzen op de tegenstelling tussen de vrijgevochten jongeren en
de Texaanse plattelandsmensen – het was een woelige tijd in
Amerika, met een scherp contrast tussen liberaal en conservatief.
De maniakken uit ‘Texas Chainsaw Massacre’ lijken wel een
nachtmerrie-visie van extreme rednecks. Elementen uit het
echte leven vonden trouwens ook hun weg naar het scenario: bepaalde
elementen waren gebaseerd op berucht seriemoordenaar Ed Gein, die
inderdaad moorden pleegde en graven leegroofde om meubelen en
andere voorwerpen te maken van de lichaamsdelen, en een full
body suit
te maken van menselijke huid. Hij leverde ook de
inspiratie voor ‘Psycho’ en Buffalo Bill in ‘The Silence of the
Lambs’.

In de eerste plaats blijft ‘The Texas Chainsaw
Massacre’ echter een goed voorbeeld van uitstekend toegepaste
filmtechniek, die, achteraf bekeken, een belangrijke rol speelde in
de evolutie van het horrorgenre. En, niet te vergeten, het was een
ware indie-film, gemaakt onder omstandigheden die
herinneringen oproepen aan wat pakweg Sam Raimi (‘The Evil Dead’)
en, in een ander genre, Robert Rodriguez (‘El Mariachi’) nog zouden
doen. De tragedie van Tobe Hooper is dat hij later nooit nog iets
zou doen om dit vroege succes te evenaren (zijn beste film nadien
was wellicht ‘Poltergeist’, hoewel het steeds de vraag is gebleven
in welke mate Steven Spielberg die eigenlijk heeft gemaakt). Maar
goed, één klassieker is in ieder geval al meegenomen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 7 =