Machine Head :: Unto The Locust

Roadrunner, 2011

Je moet het toch maar doen als groep: twee keer
metalgeschiedenis schrijven op zes albums tijd. Machine Head deed
het met hun eerste en zesde teerling, respectievelijk het mythische
‘Burn My Eyes’, en het alom – inclusief door ondergetekende – de
Hemel in geprezen ‘The Blackening‘.
Tussen die twee albums door wist Machine Head de wereld nog te
verblijden met een geweldige tweede, om vervolgens gedurende twee
albums om vooralsnog niet publiekelijk vrijgegeven redenen wat te
gaan navelstaren in het Nu-Metal woud, en daarna – gelukkig – het
rechte pad weer te vinden met nummer vijf.

Dit maar om te zeggen dat nummer zeven best
spannend beloofde te worden. En wanneer de eerste – volledig
objectieve, dat spreekt voor zich – 10/10 besprekingen er toevallig
ook zijn die in (de verschillende edities van) hetzelfde magazine
verschijnen, dat ook een heel exclusief nummer aan het nieuwe album
wijdt, dat bovendien gedurende een maand de enige manier is voor UK
fans om dit blinkende schijfje in huis te halen, dan begint uw
nederige dienaar zich toch spontaan enkele vragen te stellen. Het
was dan ook niet zonder enige scepsis dat ‘Unto the Locust’ aan een
eerste luisterbeurt onderworpen werd.

Maar het moet gezegd, wanneer opener ‘I Am Hell
(Sonata in C#)’, na een smaakbare, dikke minuut durende Latijnse
kerkzangachtige intro begint open te barsten, om enkele seconden
later helemaal los te breken, wordt de luisteraar onvermijdelijk
vervuld met een “ooh, die wordt lekker!”-gevoel. Wanneer nóg een
minuut later Dave McClain regelrecht brandhout begint te maken van
zijn gloednieuwe, peperdure Yamaha drumstel, is het hek helemaal
van de dam. Alleen al om die man aan het werk te horen, is de
aanschaf van dit album een aanrader.

Het duurt niet lang of dit viertal weet gerust te
stellen dat ze nog als vanouds weten hoe ze moker riffs moeten
schrijven, brullen, beuken, stoten, en van tijd tot tijd ook wat
episch bleìren. Net zoals bij zijn voorganger, wordt op
dit album ook geopteerd voor minder nummers, maar wel met een
langere gemiddelde tijdsduur, ditmaal van om en bij de zeven
minuten. En net zoals bij zijn voorganger, verveel je je ondanks
die lengte geen seconde.

Er zit namelijk variatie zat in deze bijna 50
minuten gepropt. Het is en blijft natuurlijk metal, met al het
daarbij horende riffgeweld, maar er wordt rijkelijk afgewisseld in
tempo, dynamiek, textuur, intonatie, en ga zo maar door. Pluim ook
voor de talrijke, en uiterst smaakbare, solo’s waarmee het hele
opus doorspekt is. Al moet wel gezegd dat het “in your face”
gehalte behoorlijk naar beneden is gehaald in vergelijking met
voorgaande albums, en de sound over het algemeen erg
afgelikt overkomt. Merk terloops op dat dit slechts het tweede
album is, na ‘The Burning Red’, dat niet door Colin Richardson werd
gemixed.

Op ‘Pearls Before the Swine’ na beginnen alle
nummers met een mooie opbouw, en wordt zelfs tot twee maal toe het
risico gelopen om plat op hun bek te gaan met een akoestische
gitaarintro, met name op ‘This Is the End’ en ‘Darkness Within’, en
twee maal blijven ze overeind als een robuuste eik. Op dat laatste
nummer horen we overigens Flynn ook erg mooi clean zingen gedurende
de eerste helft van het nummer, met een strakke overgang naar het
wat zwaardere werk van de tweede helft. Qua opbouw zonder twijfel
het hoogtepunt uit het album.

Afsluiter ‘Who We Are’ slaat de bal dan weer
behoorlijk mis. Het zijn niet zozeer die lieflijke kinderstemmetjes
waar het nummer mee opent, die vallen best nog te rechtvaardigen.
Zelfs dat strijkersensemble ter afsluiting mag er voor mijn part
wezen. Maar dat verschrikkelijk irritante cliché “We vs. The World”
dat afgedreund wordt, alsook die tenenkrullende kampvuursfeer waar
het nummer, en in het bijzonder het refrein, in zwelgen, zijn
werkelijk een pijnlijke domper op de zorgvuldig opgebouwde
feestpret.

Maar goed, dat laat nog steeds zes steengoede
nummers over. Het probleem is alleen… ze worden wel bijzonder
gesmaakt en happig verteerd door de trommelvliezen, maar ze blijven
niet echt hangen. Het is een beetje als met een zak chips: eens je
begint is het verdomd moeilijk om te stoppen, maar het is en blijft
wel gewoon fast food. Bijzonder vakkundig in elkaar
gestoken, daar niet van, maar desalniettemin voornamelijk
vermakelijk in plaats van wereldschokkend, terwijl de groep toch al
rijkelijk bewezen heeft muziek te kunnen maken die wel degelijk
beklijft.

Dit gezegd zijnde, het is en blijft onmiskenbaar
Machine Head, maar toch weer nèt iets anders. Eén enkele riff, en
je weet meteen wie erachter zit, en toch mag deze plaat zich zonder
schaamte als een volledig unieke incarnatie naast zijn broers
plaatsen. Dat op zich is voor een groep die al zolang meegaat, en
al zeker in dit genre, een behoorlijk mooie prestatie!

http://www.machinehead1.com

Op 29 november te zien in Vorst
Nationaal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − 6 =