Ambrose Akinmusire :: When The Heart Emerges Glistening

Hypes zijn er zowel binnen de jazz als de pop veelal om strategisch/commerciële redenen, maar soms zijn er ook van die talenten bij die de oren doen spitsen, een nieuw geluid laten horen of, zoals in dit geval, het beste van twee werelden combineren. Ambrose Akinmusire is de nieuwe golden boy van de jazz en op basis van zijn Blue Note-debuut is dat helemaal terecht: When The Heart Emerges Glistening is een straf statement.

Wie er met z’n neus dicht op zat, die had z’n aankomst misschien ook al kunnen voorspellen. Als amper 19-jarige knaap werd de Californische trompettist al ingelijfd bij Steve Coleman. Verdere samenwerkingen met o.m. Esperanza Spalding, Vijay Iyer en Jason Moran (die een mentorfiguur werd) zetten de muzikant verder op weg. De naam deed de ronde, hij won enkele jaren geleden een paar prestigieuze prijzen en nu, op z’n 28e, is de langverwachte creatieve doorbraak een feit. When The Heart Emerges Glistening was het wachten meer dan waard: het is een volwassen, gevarieerde en erg persoonlijke plaat geworden die een zeer geslaagde balans vindt tussen traditie, experiment en de moderne jazz.

Het helpt ook dat Akinmusire een band rond zich verzameld heeft die al even goed op elkaar ingespeeld is als Mateen en Waits bij Moran. Tenorman Walter Smith III, drummer Justin Brown, pianist Gerald Clayton en bassist Harish Raghavan hebben al jarenlang een band en dat laat z’n sporen na op deze indrukwekkende, steeds in beweging blijvende collectieve inspanning. Akinmusire mag dan wel getekend hebben voor tien van de composities en zelf een aardig potje kunnen spelen; het album leeft en ademt als een doordachte democratie waarbij alle betrokkenen aan hetzelfde zeil trekken en hun eigen identiteit mogen toevoegen aan de diepe klankkleur.

De trompettist is een dichter die vaak vertrekt vanuit beelden en verhalen en dat geeft het album meteen ook een conceptachtige aanpak, met een paar knappe interludes, een verrassend spoken word-stukje (“My Name Is Oscar”) ter nagedachtenis van een slachtoffer van zinloos politiegeweld, en een albumstructuur waar duidelijk goed over nagedacht werd. Het zit dus al goed met het talent en de vorm, maar ook het zuiver muzikale is van een soms benijdenswaardig hoog niveau, zoals meteen wordt aangetoond met “Confessions To My Unborn Daughter”, dat vertrekt vanuit een solostuk van de trompettist in het lage register en geleidelijk aan de overige muzikanten betrekt. De manier waarop trompet en sax voor het eerst rond elkaar dansen, nog eens versterkt door de stereo-effecten, is ronduit prachtig.

Het is gedisciplineerde muziek die zich met geduld ontwikkelt, maar het is ook muziek vol emotionele turbulentie. In het hoge register doet Smith wat denken aan Coltrane en als hij van daaruit gaat sparren met Akinmusire, dan levert dat imposante resultaten op, vol drieste wendingen, geflirt met het dissonanten en het binnensluipen van popelementen. Ook de ritmesectie, waarbij Browns spel in de jachtige momenten haast doet denken aan dat van Tyshawn Sorey, werkt mee aan een ongedurig samenspel dat uiteindelijk leidt tot een solo waarin Akinmusire uithaalt in dat hoge schetterregister, maar zelfs dan eerder intens persoonlijk klinkt dan opschepperig. Het mag niet verwonderen dat hij een virtuoos als Terence Blanchard tot z’n bewonderaars mag rekenen.

Die collectieve vurigheid blijft verder branden in “Jaya”, maar daarna volgt het album een grillig parcours, met verfijnde ballades (“With Love” en “Henya”, met Moran op Rhodes), korte stukken post-bop (“Far But Few Between”, waarvoor Smith even aan de kant blijft) en een duik in het verleden. “What’s New” was een standard waar trompetlegende Clifford Brown regelmatig naar teruggreep en hier geeft Akinmusire een mooi eerbetoon aan een van zijn meest legendarische voorgangers, die net als hem ergens halverwege tussen de uitersten van ingetogenheid en spectaculaire virtuositeit plaatsnam. Hoogtepunten zijn “Tear Stained Suicide Manifesto”, een cinematisch stuk dat Akinmusire pas componeerde nadat hij een verhaal met dialogen uitgeschreven had en het verbluffende “The Walls Of Lechuguilla”, dat van start gaat met een merkwaardig solostuk van de trompettist en vervolgens uitpakt met een spetterende lap jazz waar de gensters vanaf schieten.

Het mooie van When The Heart Emerges Glistening is hoe gebalanceerd alles is. Er zijn momenten van fluwelen zachtheid, maar ook hints van baldadiger expressie. De leider laat herhaaldelijk horen een origineel denker en muzikant te zijn, maar blijft het collectieve benadrukken. Het is jazz die verankerd is in de traditie, maar net als die van Jason Moran ook erg hedendaags en een beetje excentriek is. Is het nu eens doordacht en intiem, dan is het even later weer wervelend en broeierig. Kortom: Akinmusire heeft alles in huis om de meerwaardezoeker én de toevallige passant over de streep te trekken. Als de man zich zo verder blijft ontplooien wordt het inderdaad een klepper waar de jazzgemeenschap nog jaren de mond van vol zal hebben.

Op maandag 16/5 staat Akinmusire met zijn kwintet (Sam Harris vervangt Gerald Clayton) in De Werf (Brugge). Het zou wel eens zo’n ‘Ik was erbij toen…’-concert kunnen worden. Niet te missen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + 11 =