Integrity :: The Blackest Curse

Deathwish Inc. 2010

Minstens twee Amerikaanse wereldburgers met naam en faam wonen in
Gent. Tyler Farrar – de coureur die net op tijd uit de Ronde van
Frankrijk stapte om niets van de Gentse Feesten te moeten missen –
en Dwid, oprichter/zanger/enig vast lid van de band Integrity en al
meer dan twintig jaar enfant terrible van de hardcorescene. Dwid is
een aparte personaliteit; ontegensprekelijk intelligent,
manipulatief tot en met, en erg actief in het onderhouden van zijn
eigen mythe.

Daar hoort het hele ‘Holy terror’ verhaal bij, een soort van cultus
of ideologie waarover nogal mysterieus wordt gedaan door Integrity
en een aantal gelijkgezinde bands. Muzikaal gezien waren ze bij de
eerste bands om donkere metalgitaren en -thema’s te verweven met
explosieve hardcoremuziek. Dat resulteerde in het legendarische
debuut ‘Those Who Fear Tomorrow’, dat één van de weinige
‘onbewoonde eiland’ hardcoreplaten is. Met ongeveer dezelfde
bandleden werden nog drie geweldige platen gemaakt, waarna rond de
millenniumwissel de boel begon in te zakken.

Eventjes was de band ook effectief opgeheven. Toen Dwid naar België
verhuisde en kennis maakte met wat locale hardcoremuzikanten, begon
het toch weer te kriebelen. Met een wisselende bandbezetting geeft
Integrity geregeld teken van leven. Het vorige album ‘To Die For’
viel bij ondergetekende erg in de smaak en nu is er dan, twee jaar
na de eerste aankondiging, ‘The Blackest Curse’. Die wachttijd
rechtvaardigt de lange introductie van deze recensie. Net als het
album zelf, want dat is van topkwaliteit. Uiteraard is het geen
evenaring van die eerste vier legendarische schijven, maar dat
heeft denk ik meer te maken met de tijdsgeest dan met de muziek
zelf.

Ik bezit de LP-versie en daar zit nu eens geen bal van liner
notes
bij. Het interweb is ook niet erg behulpzaam, dus veel
weet ik niet over de samenstelling van Integrity op deze plaat. Ik
denk wel dat die grotendeels overeenkomt met die uit de periode van
‘To Die For’. Hart en ziel van Integrity is Dwid, en zijn raspende
demonschreeuw is onmiddellijk herkenbaar. Hij houdt ook nog steeds
van effectjes en van dat mistige gefluister. Zijn stemcapriolen
zijn zoiets als witlof: je moet er eerst aan wennen, ik vind het in
ieder geval allemaal geweldig.

Ook herkenbaar is het gitaarspel: brutale, hakkende riffs die het
midden houden tussen thrashmetal en punk worden afgewisseld met
ziedende solo’s, soms op compleet onverwachte momenten. In
‘Simulacra’ laten ze zelfs Kerry King (Slayer) een poepje ruiken
als het op fretboardgeweld aankomt. Een razend nummer is dat, maar
ook ‘Spiderwoven’ is zo’n crusty thrashnummer, zij het
iets trager maar wel met die typische ongrijpbare Integrity-sfeer.
Een chaotische combinatie van waanzin en occultisme.

Soms wordt het gitaargeweld echter opvallend gestructureerd en
melodieus. ‘Learn to Love the Lie’ bijvoorbeeld bevat een erg
knappe, bijna gevoelige solo, en dat vrij vroeg in een verder
moorddadig metalcorenummer. Halverwege die track leren ze ook de
moderne één-noot-breakdownbende een stevige les, en de manier
waarop daarna het spel weer van de wagen getrokken wordt is van een
duivelse perfectie.

Über moshbare breakdowns zijn er overigens wel vaker te
vinden op ‘The Blackest Curse’. ‘Throught the Shadows of Forever’
eindigt met een brute hakpartij. ‘Secret Schadenfreude’ start als
een vrij groovy hardcorenummer, waarna het tempo gradueel af- en de
intensiteit opgebouwd worden tot het feedbackende slot
naadloos overgaat in de akoestische gitaar van ‘Before the VVorld
VVas Young’.

Ho wat, akoestische gitaar? Ja, en dat mag eigenlijk geen verassing
heten. Roses Never Fade is een quasi volledig akoestisch project
van Dwid, en op oudere Integrity-platen werd er ook al wel eens
geëxperimenteerd. Dit nummer is een acht minuten durend epos dat
zijn ruwe momenten kent, maar overwegend erg broeierig en duister
is met een tokkelende gitaar en Dwids grommende croon als basis.
Het zit daar ook mooi geposteerd in het midden, tussen twee
reeksjes giftige salvo’s.

De plaat eindigt toch een beetje met een valse noot. ‘Invocation of
the Eternally Coiling Serpent’ is geen slecht nummer, het is
trouwens één van de duisterste op de schijf, maar ze hebben het te
lang gerekt. Ruim zes minuten min of meer dezelfde riff is wat te
veel. Het valt trouwens op dat de nummers op deze plaat gemiddeld
wat langer zijn dan op vorige albums, en behalve die ene
uitschuiver pakt dat goed uit.

Eindconclusie van ‘The Blackest Curse’: Integrity are
back
! Serieus, als je ooit een fan was van hen in de
gloriedagen, dan zal ‘The Blackest Curse’ je terugvoeren én
tegelijkertijd toch iets nieuws tonen. Ben je van een jongere
generatie en ken je de band nog niet, dan is dit album een goede
introductie in de clevo/holy terror/metalcore-stijl zoals we die in
ons hart dragen.

Toch nog een kleine waarschuwing: de opnamekwaliteit is erg ruw en
grofkorrelig. Het geheel is goed in balans, maar het geluid is zo
old school dat het afstotend kan werken bij een eerste
beluistering. Doorbijten, uiteindelijk vergroot het de impact van
deze verzameling inhumane hardcore tracks. Het wordt trouwens tijd
dat men in het ruige muziekwereldje weer meer beseft dat iets niet
goed verteerbaar hoeft te zijn om goed te zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 4 =