L’Illusioniste






Tijdens WOII zou de wereldberoemde Franse komiek Jacques Tati
(né Tatischeff) zijn oudste dochter Helga Marie-Jeanne Schiel
zonder boe of ba in de steek hebben gelaten. Later werkten de twee
nog wel samen aan films als ‘Playtime’, dus of er werkelijk geen
enkel contact meer bestond tussen de twee, lijkt onwaarschijnlijk,
maar wel staat buiten kijf dat de man die u allen kent als meneer
Hulot niet bepaald een voorbeeldig vader was. Veel genegenheid zal
hij ‘sa fille‘ wellicht dus niet hebben getoond. En toch,
tóch kunnen zelfs zijn grootste tegenstanders hem na het bekijken
van het postume eerbetoon dat ‘L’Illusioniste’ geworden is, hem
allerminst een gebrek aan warmte verwijten. In 1956 (voor de
vermoedelijke verzoening dus) schreef Tati himself immers
het scenario dat Sylvain Chomet onlangs herwerkte en nu, meer dan
vijftig jaar na datum, eindelijk aan het grote doek toevertrouwde.
‘L’Illusioniste’, half autobiografie van, half ode aan Tati, barst
van de vaderlijke liefde, subtiel weggemoffelde naargeestigheid en
een in elke frame doorsijpelend schuldgevoel.

De schuchtere goochelaar-op-retour Tatischeff – ja, het gaat
écht wel over Tati, hoor – treedt op in kleinere en grotere zalen
in Engeland en Frankrijk, maar de wereld trekt er zich geen zier
van aan. The times they are a-changin’ en de ouderwetse
goochelaar behoort tot een generatie die stilaan met uitsterven
bedreigd wordt en een ambacht dat nog hooguit interessant is als
freaky restant van een verleden om snel weer te vergeten.
Wanneer hij op verzoek van een dronken Schot – of heeft u er al
eens een nuchtere gezien? – gaat rondreizen op zoek naar succes in
Schotland, ontmoet hij in een onooglijk boerengat het kamermeisje
Alice. Het is een braaf kind, maar omdat ze nooit deel heeft
uitgemaakt van het bruisende stadsleven, is ze ook een (stevig)
tikje wereldvreemd. Tatischeff raakt al snel aan haar gehecht en
doet al zijn centen op aan mooie kleedjes en sierlijke schoentjes
om het haar zoveel mogelijk naar haar zin te maken. Alice denkt
echter dat hij die mooie dingen uit het niets voor haar
tevoorschijn kan toveren. Hij is immers een magiër, niet? Stilaan,
echter, raakt Tati in geldnood en wordt Alice volwassen.

Je kan er niet naast kijken: ‘L’Illusioniste’ ziet er om te
smullen uit en dat heeft niet alleen te maken met de verrukkelijke
tekenstijl die we kennen van de jazzy verrassingshit ‘Les
Triplettes de Belleville’. Ook inhoudelijk zitten de
overzichtelijke afstandsshots immers volledig op hun plaats. Chomet
gaat resoluut niet voor het Hollywoodiaanse sentiment en vermijdt
gladde vormen, felle kleuren en close-ups als de pest. Hij heeft
dus alleen gestiek en mise-en-scène om mee te werken en niet,
pakweg, een paar waterige bambi-oogjes. Daarmee neemt hij een groot
risico, en het siert hem dat hij niet gaat voor het makkelijke
scoren. Mooi meegenomen: hij komt er nog eens mee weg ook. Hoe
afstandelijk de film aanvankelijk ook lijkt, uiteindelijk wint het
(oprechte – laat dat duidelijk zijn) sentiment toch, en weet de
film te eindigen met een diep ontroerend slot. Tati zelf zou fier
zijn geweest: Chomet observeert en suggereert in een tekenfilm
zonder dialogen, maar de situaties spreken voor zich en de emoties
zijn te allen tijde glashelder. Dat is een indrukwekkende prestatie
op zich.

Doordat de nadruk veel minder dan in ‘Les Triplettes’ (tevens
Chomets langspeeldebuut) op de humor komt te liggen en doordat het
tempo ferm naar beneden wordt gehaald (het dromerige vertelritme
doet eerder denken aan Miyazaki dan aan Disney), is
‘L’Illusioniste’ ook veel minder instapklaar dan zijn voorganger.
Het enige minpunt is dan ook dat tijdens het eerste uur de
verveling al eens éventjes kan toeslaan. Maar dan heeft Chomet u
goed liggen gehad. Hij was u in slaap aan het wiegen, zodat hij u
tijdens de fa-bu-leus geanimeerde laatste vijf minuten een
welgemikte krop in de keel kon schoppen! Pas achteraf merk je dan
ook hoezeer de sfeer van de film je onder de huid is gekropen. Het
Edinburgh van de late jaren ’50 en de hoekige muziekhallen van het
Frankrijk dat u kent uit de tijd van de Moulin Rouge. Zongebleekte
postkaarten uit Oost-Europa. Afgedankte circusartiesten, kapotte
fietsen, overwoekerde tuinen en een verlaten bioscoop. Dat zijn
beelden die je kan associëren met Chomets magisch-realistische
universum.

Een suïcidale clown en een eenzame buikspreker doen u er
terloops aan herinneren dat dit geen kinderfilm is en de door
Chomet zelf gecomponeerde soundtrack zet perfect de toon bij deze
op band vastgelegde weemoedstrip. Maar dat wil niet zeggen dat
‘L’Illusioniste’ een drama is. Grappige details kunnen vaak een
scheve glimlach ontlokken en de warme genegenheid van de oude
goochelaar voor het naïeve meisje is vertederend om te zien. Onder
het warme kleurenpalet en de vaak geestig geanimeerde, karikaturale
achtergrondpersonages schuilt echter niet alleen een ontwapenende
oprechtheid, maar ook een permanente droefheid. De wereld hoeft
Tati niet meer. Na een tijdje zal zelfs Alice hem niet meer nodig
hebben, en dat weet hij best. Maar hoe spijtig dat ook is, hij
heeft er vrede mee. Het is oké. Dat subtiele spel tussen
vrolijkheid en tristesse maakt van Tati-het-personage een even
gekwelde als herkenbare, even onhandige als innemende figuur.

Je zou kunnen zeggen dat Chomet er net iets te veel een hommage
van maakt (dat stukje waarin Tati binnenstapt bij een voorstelling
van ‘Mon Oncle’ had er nu niet echt in gemoeten), maar dat heet dan
mierenneuken. ‘L’Illusioniste’ laat zich immers perfect bekijken
als de sobere, Europese tegenhanger van de recente Pixar-hit ‘Toy
Story 3’: prachtig vormgegeven animatie voor jong en oud, met een
hart en een ziel, een stevig stel hersens, en een scheut gezond
verlangen naar voorbijgevlogen tijden. Tati mag op zijn goede kant
blijven liggen in z’n graf, want dit is een film als een tuffige
oldtimer: krakend en puffend, charmant, met een geweldige look en
een ontwapenende ouderwetsheid. Het is zoals oude mensen
dat zo mooi kunnen zeggen, “een klassieker.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + 11 =