Kate Nash :: My Best Friend Is You

Kate Nash was drie jaar geleden zo’n charmant meisje dat je graag als ideale schoondochter ziet binnenwandelen, tot ze aan tafel plots een luide boer laat en er een excuserend ’fuck!’ aan toevoegt. "I am not what you anticipated" tatert ze dan ook zelf op haar tweede plaat, en ze heeft gelijk: My Best Friend Is You is een verrassend venijnige plaat die danig verschilt van haar dartele debuut.

Mja, de tijden zijn veranderd sinds Nash’ debuut Made Of Bricks. Samen met Lily Allen vormde ze in 2007 een eerste popmeisjesgolf, een tijd waarin demo’s rondstrooien op MySpace nog vernieuwend was. Voor de rest was er tussen beiden weinig vergelijking mogelijk: waar Allen haar drie tepels toont aan iedereen die maar wil, verdenken we Nash ervan dikketruiendag met stip in haar agenda te noteren. Nash was braver, op een occasioneel gesist "dickhead" na. Maar nu Allen van "Fuck You" vorig jaar een olijke meezinger maakte, strooit Nash op haar tweede ook scheldproza in het rond. Straks meer daarover.

Een tweede plaat voor Nash was niet zo evident: ze raakte zelfs wat vergeten door de daaropvolgende popmeisjesgolven (Duffy, Amy MacDonald, Florence + The Machine …). En om de een of andere reden rijst de vraag meer bij haar dan bij haar soortgenoten of er wel iemand op een tweede plaat zit te wachten. Kate Nash ontpopte zich drie jaar geleden weliswaar als de best denkbare grote zus voor meisjes die de eerste krassen op hun hart telden, maar ondertussen zijn die meisjes wat ouder, zijn ze zelf grote zus of doen ze heus wel andere dingen om die eerste/zoveelste liefdesbreuk te vergeten dan met hoog opgetrokken knieën op hun bed liedjesteksten mee te lippen. Zuipen bijvoorbeeld, we zeggen maar iets. Bovendien bouw je geen solide carrière met dubbelgangers van weliswaar uiterst charmante popsongs als "Foundations" of "Mouthwash".

Het goede nieuws is dan ook dat Nash stevig geëvolueerd is — zonder de charmes van dat debuut te verliezen. In de herfst van haar eerste tour was Nash al duidelijk aan het groeien, waarbij ze steeds meer oprukte naar de girlpop van The Supremes en The Ronettes. Geen wonder dat ze Bernard Butler als producer koos (zie ook Duffy — wat een job heeft die man!). Vooral op het eerste deel van de plaat — met de uitstekende, rotcatchy single "Do-Wah-Doo" — is zijn stempel duidelijk te horen. Ook radiomateriaal voor de zomer zijn "Paris" en "Kiss That Grrrl" (herken de knipoog): vintage Nash, maar met meer punch dan op het debuut wegens steviger georkestreerd — maar nooit te veel.

Net als haar debuut en artwork, is My Best Friend … echter meer een collage dan een coherent album. Nash zingt, vecht, huilt, fluistert, krijst, scheldt en verwondert. Naast de dartele Nash is er ook de intimistische Nash, en die is wederom ontwapenend mooi. Slotsong "I Hate Seagulls" (geschreven in de kleedkamer van de Botanique) is een aaibaar pareltje zoals ze er gerust meer mag schrijven, "Pickpocket" trippelt met de ogen naar de grond gericht van speelsheid naar weemoed en terug.

Bovendien moet Nash in haar jeugd meermaals zijn bedrogen door haar vriendjes — de idioten — want ook nu weer regent het songs waarin Nash jaloers als de pest meisjes observeert en uitscheldt die er met haar vent (of zijn aandacht) vandoor gaan. Nu eens feeksig ("Everyone thinks that she’s a lady/But I don’t, I think that girl’s shady/I think she’s a bitch" of "I bet she doesn’t like to eat"), dan weer gekwetst ("I’m crying my stupid eyes out" in "Later On"). "Don’t You Want To Share The Guilt" is anders wel het meest rake en pijnlijk herkenbare break-upnummer dat we in lange tijd gehoord hebben. Iets waarin Nash zich toch blijft onderscheiden.

Op haar tweede plaat komt de vuile Nash echter meer dan ooit boven, met wisselend succes: het morsige "I Just Love You More" is een eerbetoon aan de Riot Grrrl van begin jaren 90 en overstijgt net het niveau van de pastiche. "Mansion Song" begint met een uiterst giftige spoken word waarin Nash de schuttingtaal over groupies in het rond spuwt: "I wanna be fucked and then rolled over/I want sex and debauchery/…/strip n shag/fuck, get fucked ’n drag". Dat is maar een woord zeggen we dan, maar wanneer Nash halfweg over stevige percussie "I don’t have to be your baby" begint te scanderen, gaat de plaat even nergens meer naartoe. Net als het rommeltje "I’ve Got A Secret" is het een stijloefening waar niemand een boodschap aan heeft.

Dat geldt gelukkig niet voor het gros van Nash’ tweede, waarop haar aanstekelijke popsongs aan maturiteit hebben gewonnen en waarop ze bewijst als geen ander popmeisje rake, cynische, aandoenlijke teksten te kunnen schrijven die ze in klaterende popsongs giet. Daardoor beschikt ze over een eigen smoel die pakweg Duffy (2008), Little Boots (2009) en Marina & The Diamonds (2010) ontberen.

Maar deze plaat bewijst vooral dat van het ietwat naïeve meisje van drie jaar geleden weinig meer overblijft. Nash toont lef en experimenteert. Benieuwd trouwens of ze mee daardoor over een twaalftal jaar voor pakweg ondergetekende zijn dochters nog een grote zus zal zijn wanneer zij hun eerste verdrietjes hebben — en wee de lullo’s met hun scheef klakske die dat op hun geweten hebben: de papa hier heeft met Nash in de cd-kast geen gebrek aan inspiratie voor een scheldtirade die hen vlug hun Camino zal op jagen.

Kate Nash speelt op 8 juni in de Botanique.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien + 1 =